Uitspraak 202504853/1/V6
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4149
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellante] om haar en haar zoon het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. [appellante] stelt afkomstig te zijn uit Zuid-Soedan en geboren te zijn op [geboortedatum] 1981. Zij heeft op 1 maart 1997 een asielaanvraag ingediend en zij heeft sinds 15 juni 2007 een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet. [appellante] heeft de minister op 17 januari 2022 verzocht om haar het Nederlanderschap te verlenen. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat hij twijfelt aan haar identiteit en nationaliteit. Hij heeft deze twijfel gebaseerd op een rapport taalanalyse van 13 juli 2006 die het Bureau Land en Taal van de Immigratie-en Naturalisatiedienst (nu: Team Onderzoek en Expertise Land en Taal) heeft opgesteld in een eerdere door [appellante] gevoerde asielprocedure. Uit het rapport taalanalyse volgt dat [appellante] eenduidig te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Oeganda. Ook heeft de minister het ‘Age Assessment Certificate’, dat [appellante] bij de gemeente Schiedam heeft overgelegd, aan zijn twijfel ten grondslag gelegd. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 6 januari 2022 volgt dat het document hoogstwaarschijnlijk niet in deze staat is opgemaakt en afgegeven. Verder heeft de minister gewezen op een verklaring van de Soedanese ambassade in Den Haag van 14 maart 2006 waaruit volgt dat de ambassade de Soedanese herkomst en/of nationaliteit van [appellante] niet kon bevestigen.
- Hoger beroep
- Nederlanderschap
Toon inhoud
202504853/1/V6.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], mede voor haar zoon [naam zoon], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2025 in zaak nr. 23/5775 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellante] om haar en haar zoon het Nederlanderschap te verlenen (het verzoek) afgewezen.
Bij besluit van 20 juli 2023 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 mei 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. G.E.M. Later, advocaat in Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] stelt afkomstig te zijn uit Zuid-Soedan en geboren te zijn op [geboortedatum] 1981. Zij heeft op 1 maart 1997 een asielaanvraag ingediend en zij heeft sinds 15 juni 2007 een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (Ranov). [appellante] heeft de minister op 17 januari 2022 verzocht om haar het Nederlanderschap te verlenen. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat hij twijfelt aan haar identiteit en nationaliteit. Hij heeft deze twijfel gebaseerd op een rapport taalanalyse van 13 juli 2006 die het Bureau Land en Taal van de Immigratie-en Naturalisatiedienst (nu: Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT)) heeft opgesteld in een eerdere door [appellante] gevoerde asielprocedure. Uit het rapport taalanalyse volgt dat [appellante] eenduidig te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Oeganda. Ook heeft de minister het ‘Age Assessment Certificate’, dat [appellante] bij de gemeente Schiedam heeft overgelegd, aan zijn twijfel ten grondslag gelegd. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 6 januari 2022 volgt dat het document hoogstwaarschijnlijk niet in deze staat is opgemaakt en afgegeven. Verder heeft de minister gewezen op een verklaring van de Soedanese ambassade in Den Haag van 14 maart 2006 waaruit volgt dat de ambassade de Soedanese herkomst en/of nationaliteit van [appellante] niet kon bevestigen.
1.1. In beroep heeft [appellante] een echtscheidingsbeschikking overgelegd. Daarnaast heeft zij twijfels geuit over het rapport taalanalyse. De minister heeft de opmerkingen van [appellante] vervolgens voorgelegd aan TOELT, wat heeft geleid tot een weerwoord van TOELT van 14 mei 2024. Hierin staat dat en waarom TOELT geen aanleiding ziet om zijn conclusie in het rapport taalanalyse te herzien.
Wettelijk kader en beleidskader
2. Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zijn twijfels mocht baseren op het rapport taalanalyse. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat [appellante] de gerezen twijfels niet heeft weggenomen met de door haar overgelegde documenten. De door [appellante] in beroep overgelegde echtscheidingsbeschikking kan volgens de rechtbank niet worden gezien als een document waaruit volgt dat de daarin vermelde identiteit en nationaliteit juist zijn. Over het door [appellante] overgelegde ‘Age Assessment Certificate’ heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten, overwogen dat het document hoogstwaarschijnlijk niet in deze staat is afgegeven en dat niet kan worden vastgesteld of de inhoud van dit document juist is. Volgens de rechtbank kan [appellante] ook geen geslaagd beroep doen op bewijsnood, omdat niet is gebleken dat zij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister mocht afzien van het horen in bezwaar.
Identiteit en nationaliteit
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij de twijfels over haar identiteit en nationaliteit niet heeft weggenomen. Zij wijst erop dat haar identiteitsgegevens zijn opgenomen in haar vreemdelingenpaspoort, verblijfsvergunning en de geboorteakten van haar kinderen, zodat hierover geen twijfel kan bestaan. [appellante] voert aan dat uit het rapport taalanalyse weliswaar volgt dat zij de Engelse taal spreekt op een wijze die niet gangbaar is in Soedan, maar dat dit komt doordat zij Engels heeft leren spreken door een Engelstalig televisieprogramma in Nederland. Dit heeft TOELT volgens [appellante] niet voldoende betrokken in de taalanalyse. Bovendien verbleef zij al negen jaar in Nederland toen de taalanalyse werd verricht. [appellante] voert verder aan dat zij in haar asielprocedure onvoldoende heeft kunnen verklaren over haar traumatische ervaringen in Soedan en Oeganda, waarbij ze op jonge leeftijd met haar zieke moeder van Soedan naar Oeganda moest vluchten en zij de zorg voor haar moeder heeft gedragen. Daarbij heeft zij de taal opgepikt die de lokale bevolking sprak. Ter zitting heeft zij nog gewezen op het minimale onderwijs dat zij heeft gehad in Oeganda in combinatie met het wonen in de grensstreek.
4.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het rapport taalanalyse aanleiding geeft voor twijfel aan de identiteit en nationaliteit van [appellante]. De Afdeling ziet, net als de rechtbank, in wat [appellante] aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat de minister dit rapport niet heeft mogen betrekken in zijn beoordeling. De Afdeling acht hiervoor van belang dat de minister, naar aanleiding van de kritiek van [appellante] op de taalanalyse in beroep, zorgvuldigheidshalve een weerwoord van TOELT heeft gevraagd. TOELT heeft in het weerwoord betrokken dat [appellante] het Engels in Nederland heeft geleerd. TOELT heeft gemotiveerd uiteengezet dat de conclusie dat [appellante] eenduidig niet herleidbaar is tot Zuid-Soedan maar tot Oeganda, gebaseerd is op de vaststelling dat zij niet het Kuku maar het Luganda spreekt. Dit heeft TOELT ook met contrastieve voorbeelden toegelicht. TOELT acht het verder niet aannemelijk dat [appellante] het Kuku na het overlijden van haar moeder niet meer heeft gesproken, omdat dit volgens haar eigen verklaringen de taal is die zij vanaf haar geboorte tot aan haar vertrek uit Soedan als eerste taal zou hebben gesproken. De Afdeling begrijpt dat [appellante] in het verleden veel heeft meegemaakt. Zij heeft haar betoog dat dit invloed heeft gehad op haar taalgebruik tijdens het taalanalysegesprek echter niet met stukken onderbouwd. Daarom levert dit evenmin een concreet aanknopingspunt op voor twijfel aan het rapport taalanalyse.
4.2. Over de door [appellante] overgelegde documenten oordeelt de Afdeling als volgt. Uit de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), paragraaf 3.5.6 van het beleid voor artikel 7 van de RWN, zoals deze luidde ten tijde van het besluit van 20 juli 2023, volgt dat de minister met ingang van 1 november 2021 de verzoeker die in 2007 of 2008 een Ranov-verblijfsvergunning heeft gekregen en meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht, vrijstelt van het overleggen van een paspoort en een geboorteakte. Volgens paragraaf 3.5.1 van het beleid voor artikel 7 van de RWN kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit, bijvoorbeeld op grond van een rapport taalanalyse, een reden vormen voor afwijzing, ook als de minister de verzoeker heeft vrijgesteld van het documentvereiste. Uit de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer van 7 juli 2021 volgt namelijk dat, afgezien van het documentvereiste, de overige naturalisatievereisten onverminderd blijven gelden, waaronder de regel dat de minister het verzoek afwijst als hij twijfelt aan de gestelde identiteit of nationaliteit (Kamerstukken II 2020/21, 19 637, nr. 2757, pagina’s 6 en 7). Het is aan de verzoeker om deze twijfel weg te nemen. Dit kan bijvoorbeeld door een paspoort of andere identificerende documenten over te leggen.
4.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellante] met het ‘Age Assessment Certificate’ de gerezen twijfel niet heeft weggenomen. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten volgt namelijk dat de opmaak en de afgifte van het ‘Age Assessment Certificate’ afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal en dat dit stuk hoogstwaarschijnlijk niet in deze staat is opgemaakt en afgegeven. Ook heeft Bureau Documenten niet kunnen vaststellen of de inhoud van dit document juist is. Wat [appellante] op de zitting bij de Afdeling heeft aangevoerd, namelijk enkel dat uit de verklaring van onderzoek niet volgt welk onderzoek Bureau Documenten heeft verricht, leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling wijst op haar vaste rechtspraak, waaruit volgt dat de minister er in beginsel van mag uitgaan dat een verklaring van onderzoek zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. Alleen als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren brengt over de zorgvuldigheid van de totstandkoming, de begrijpelijkheid van de redenering of de aansluiting van de conclusies, brengt de vergewisplicht van de minister, op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), mee dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:628, onder 4. [appellante] heeft geen contra-expertise overgelegd en evenmin dergelijke concrete aanknopingspunten naar voren gebracht. Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellante] de twijfels niet heeft weggenomen met de Nederlandse echtscheidingsbeschikking, omdat deze beschikking geen identiteitsvaststellend document is. Voor het vreemdelingenpaspoort van [appellante], haar verblijfsvergunning en de geboorteakten van haar kinderen geldt dat deze enkel zijn opgemaakt en gebaseerd op grond van de door [appellante] opgegeven gegevens en verklaringen.
4.4. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Bewijsnood
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij in bewijsnood verkeert. Zij voert aan dat zij zich jarenlang heeft ingespannen om identiteitsdocumenten te verkrijgen. Op de zitting bij de Afdeling heeft zij toegelicht dat zij tevergeefs meerdere reizen naar Afrika heeft gemaakt om een paspoort aan te vragen en herhaaldelijk e-mails heeft gestuurd en brieven heeft geschreven aan de Soedanese ambassade. Deze e-mails zijn echter onbeantwoord gebleven. Bij de ambassade in Brussel heeft zij te maken gehad met corruptie. Om een paspoort te verkrijgen werd haar door de medewerker van de ambassade gevraagd € 2.000,00 te betalen. Hierna heeft [appellante] geen verdere stappen meer ondernomen om aan documenten te komen, omdat ze niet wilde meewerken aan corruptie. Het is haar wel gelukt om het ‘Age Assessment Certificate’ te verkrijgen. [appellante] betoogt dat zij er alles aan heeft gedaan om aan stukken te komen en daarmee de twijfel van de minister weg te nemen. Ook vindt zij dat de minister en de rechtbank onvoldoende rekening hebben gehouden met de oorlog in Soedan.
5.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de verzoeker die betoogt dat hij in bewijsnood verkeert, dit moet aantonen. Het gaat er hierbij om dat de verzoeker alles heeft gedaan wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogelijk is om in het bezit te komen van de gevraagde documenten. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2844, onder 6.1.
5.2. De Afdeling ziet dat [appellante] zich heeft ingespannen om aan documenten te komen ter onderbouwing van haar identiteit en nationaliteit. Toch is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat haar beroep op bewijsnood niet slaagt. Hiervoor is van belang dat [appellante] niet heeft aangetoond al het mogelijke te hebben gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten. Zo heeft ze de door haar gestelde pogingen niet met bewijsstukken onderbouwd. Ter zitting bij de Afdeling is ook gebleken dat [appellante] niet heeft geprobeerd een professionele derde in te schakelen ter verkrijging van de documenten.
5.3. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister mocht afzien van het horen in bezwaar. Zij voert aan dat zij tijdens een hoorzitting had kunnen uitleggen welke stappen zij heeft ondernomen om aan documenten te komen. Daarnaast heeft zij in de bezwaarfase verzocht om informatie over de taalanalyse en een kopie van de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten. De minister heeft deze stukken volgens [appellante] pas in beroep overgelegd. Als hij dit al in bezwaar had gedaan, had hij de stukken tijdens een hoorzitting met haar kunnen bespreken.
6.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5, volgt dat het uitgangspunt is dat de minister een verzoeker hoort in bezwaar en dat hij terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. Onder 5.2 van deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat er gevallen zijn waarin het minder vanzelfsprekend is dat de minister van een hoorzitting in bezwaar afziet. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de situatie waarin een verzoeker in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd, of de situatie waarin er - om welke reden dan ook - nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan. Het uitgangspunt dat de minister een verzoeker moet horen komt in deze situaties bijzonder belang toe, omdat er veel omstandigheden denkbaar zijn die meebrengen dat een verzoeker niet alle verzochte informatie kan overleggen.
6.2. In dit geval gaat het om de situatie dat [appellante] in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken had overgelegd die de minister van haar verlangde. [appellante] heeft in haar zienswijze van 10 januari 2023 toegelicht dat zij verschillende stappen heeft ondernomen om aan de gevraagde documenten te komen, maar dat het haar alleen is gelukt om het ‘Age Assessment Certificate’ te verkrijgen. Hiervoor stelt zij naar Soedan te zijn afgereisd. In het besluit van 17 februari 2023 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hem niet gebleken is dat [appellante] zich heeft gewend tot de juiste autoriteiten. Voor het ‘Age Assessment Certificate’ heeft hij verwezen naar de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten, waaruit volgt dat Bureau Documenten niet kan vaststellen of het document inhoudelijk juist is. [appellante] heeft de minister in haar bezwaarschrift gevraagd wat zij nog meer moet doen om het Nederlanderschap te verkrijgen. Daarbij heeft zij opgemerkt niet te beschikken over de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten, waardoor zij daar niet inhoudelijk op kon reageren.
6.3. Gelet op wat [appellante] in bezwaar heeft aangevoerd kon de minister naar het oordeel van de Afdeling niet tot de conclusie komen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over kon bestaan dat het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kon leiden. Door zich in het besluit van 20 juli 2023 op het standpunt te stellen dat hij het ‘Age Asessment Certificate’ niet kan accepteren wegens de bevindingen in de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten, en dat [appellante] hiertegen geen contra-expertise heeft ingebracht, heeft de minister haar de mogelijkheid ontnomen om zich uit te laten over de inhoud van die verklaring van onderzoek. De minister heeft op de zitting bij de Afdeling bevestigd dat hij de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten pas in de beroepsfase naar [appellante] heeft gestuurd. Volgens de minister kwam dit doordat hij het verzoek van [appellante] in de bezwaarfase had opgevat als een verzoek om de stukken die ten grondslag liggen aan de taalanalyse aan haar te verstrekken en niet als een verzoek om toezending van de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten. Uit het dossier volgt echter dat [appellante] de minister bij brief van 10 maart 2023 duidelijk heeft gevraagd om haar de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten te sturen. Dit verzoek heeft zij herhaald in haar bezwaarschrift van 16 maart 2023. De Afdeling is daarom van oordeel dat de minister ten onrechte van het horen in bezwaar heeft afgezien.
6.4. De hogerberoepsgrond slaagt.
Conclusie
7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat het besluit feitelijk alsnog blijft gelden. Daarover overweegt de Afdeling het volgende.
7.1. De minister heeft [appellante] ten onrechte niet gehoord in bezwaar. [appellante] heeft echter in beroep en hoger beroep alsnog haar standpunten naar voren kunnen brengen over de pogingen die ze heeft gedaan om aan documenten te komen en over de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten. Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 heeft overwogen, heeft de minister hierin terecht geen aanleiding gezien een andersluidend besluit te nemen. Dit betekent dat de minister het verzoek terecht heeft afgewezen.
7.2. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2025 in zaak nr. 23/5775;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 20 juli 2023, V-nummer [...];
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;
VI. veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat de minister van Justitie en Veiligheid aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 473,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Overeem, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Overeem
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
899-1198
BIJLAGE
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 7
1. Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.
[…]
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (zoals deze gold ten tijde van het besluit van 20 juli 2023)
Toelichting bij artikel 7
Paragraaf 3.5.1
[…]
Ook als een verzoeker is vrijgesteld van het documentenvereiste (zie paragraaf 3.5.5. bij artikel 7 RWN), kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit daarom een reden vormen voor afwijzing. Gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit kan bijvoorbeeld bestaan op grond van een taalanalyse door Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT), documentonderzoek door Team onderzoek en Expertise Documenten (TOED), een leeftijdsonderzoek of een combinatie van meerdere van voornoemde onderzoeken. Ook kan er gerede twijfel ontstaan op grond van de (overige) inhoud van het (vreemdelingrechtelijke) dossier van de verzoeker, dan wel op grond van andere bekende feiten en omstandigheden. De eerder genoemde onderzoeken worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. In beginsel mag op het advies van een deskundige worden afgegaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
[…]
Paragraaf 3.5.6
[…]
Verzoeker die in 2007 of 2008 een Ranov-vergunning heeft gekregen
Geboorteakte en paspoort
Met ingang van 1 november 2021 is de verzoeker, die in 2007 of 2008 een Ranov-verblijfsvergunning heeft gekregen en meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht vrijgesteld van:
• het overleggen van een geldig buitenlands paspoort (of anderszins een bewijs van het actuele bezit van een vreemde nationaliteit); en
• het overleggen van een (buitenlands)geboorteakte/geboorteregistratiebewijs.
Om hiervoor in aanmerking te komen, moet de verzoeker sinds de Ranov-vergunning hoofdverblijf in Nederland hebben gehad. Dit omdat het huidige verblijfsrecht rechtstreeks moet kunnen worden herleid tot de eerder verstrekte Ranov-vergunning.
De verzoeker die in 2007 of 2008 een Ranov-vergunning heeft gekregen en minderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht kwam sinds 1 juni 2021 in aanmerking voor de genoemde vrijstellingen.
[…]