Uitspraak 202405128/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4224
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland het verzoek van [appellant A] geweigerd om een bij besluit van 2 juni 2022 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van acht gestapelde appartementen op het perceel [locatie], waarvan vier recreatief, te Kamperland, te wijzigen.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Bouwen
Toon inhoud
202405128/1/R2.
Datum uitspraak: 14 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 juli 2024 in zaak nrs. 23/10858 en 24/4100 in het geding tussen:
[appellant A], Mediatore B.V. en Marx Company B.V. (allen wonend dan wel gevestigd in Kamperland) en [appellante B], gevestigd in Goes (hierna: [appellant A] en anderen)
en
het college
Openbare zitting gehouden op 14 juli 2026 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. J.A.W. van Leeuwen
Verschenen:
het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland, vertegenwoordigd door mr. C.C.P. Jansen, bijgestaan door mr. D. Al-Zubaidi, advocaat te Breda, en Mediatore B.V. en Marx Company B.V, vertegenwoordigd door [appellant A], bijgestaan door mr. J.S.W. van Vossen, advocaat te Goes.
Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft het college het verzoek van [appellant A] geweigerd om een bij besluit van 2 juni 2022 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van acht gestapelde appartementen op het perceel [locatie], waarvan vier recreatief, te Kamperland, te wijzigen.
Bij besluit van 24 april 2024 heeft het college door [appellant A] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 4 juli 2024 van de rechtbank, waarbij zij het beroep van [appellant A] en anderen gegrond heeft verklaard, het besluit van 24 april 2024 heeft vernietigd, het besluit van 17 oktober 2023 heeft herroepen en het door [appellant A] en anderen gemaakte bezwaar alsnog gegrond heeft verklaard en heeft bepaald dat de uitspraak in plaats treedt van het vernietigde besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland tot vergoeding bij [appellant A] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van €1.928,25, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Brunssum een griffierecht van € 559,00 wordt geheven;
Gronden:
1. [appellant A] en anderen hebben op 28 juli 2023 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. Bij de aanvraaggegevens staat dat het gaat om het wijzigen van de vergunning [locatie] Kamperland.
Bij het onderdeel ‘Bouwen’ is ingevuld dat het gaat om een nieuw te plaatsen bouwwerk en dat voor deze bouwwerkzaamheden al eerder een vergunning is aangevraagd. De vraag waarvoor het bouwwerk en/of het terrein momenteel wordt gebruikt is beantwoord met 'overige gebruiksfuncties' te weten 'appartementen'. De vraag waarvoor het bouwwerk en/of het terrein gebruikt zal gaan worden is eveneens beantwoord met 'overige gebruiksfuncties', te weten `appartementen'.
Verder is bij het onderdeel ‘Kosten’ ingevuld dat de geschatte kosten voor het totale project € 1,00 zijn.
Verder is bij de aanvraag een bijlage gevoegd waarin staat: "Op 15 maart 2021 is er een vergunning verleend voor de bouw van acht appartementen aan de [locatie], bij u bekend onder het nummer Z20.020605.
Hierbij verzoek ik om Besluit III, regel I te schrappen uit de verleende vergunning: I. De appartementen mogen niet worden gebruikt voor logiesverhuur maar uitsluitend voor eigen gebruik. (…)".
Voorts zijn er bijlagen toegevoegd waarin staat dat omwonenden van de [locatie] er geen bezwaar tegen hebben als de appartementen worden verhuurd en het voorschrift uit de voormelde vergunning wordt geschrapt en het besluit van 2 juni 2022 waarbij het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor het bouwen van een appartementengebouw waaraan het voorschrift is verbonden dat de appartementen niet mogen worden gebruikt voor logiesverhuur maar uitsluitend voor eigen gebruik.
2. Gelet op de aanvraag gelezen in combinatie met de daarbij behorende bijlagen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de door de aanvrager verstrekte gegevens en bescheiden voldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
Het college betoogt tevergeefs dat in de aanvraag wordt verwezen naar een omgevingsvergunning van 15 maart 2021 terwijl de vergunning voor het bouwen van een appartementengebouw bestaande uit vier appartementen en vier recreatieappartementen is verleend op 2 juni 2022. Dit omdat in de aanvraag het juiste kernmerk van het bedoelde besluit is vermeld dat de gemeente zelf hanteert om besluiten als deze te identificeren. Daarbij komt dat het volgens de aanvraag gaat om het wijzigen van de vergunning [locatie] te Kamperland. Naar het oordeel van de Afdeling had het voor beoordeling van de aanvraag met deze informatie voldoende duidelijk moeten zijn dat het ging om een wijziging van de bij 2 juni 2022 verleende omgevingsvergunning. In de bij de aanvraag gevoegde bijlagen is met voldoende duidelijkheid omschreven waar die wijziging betrekking op heeft, namelijk het schrappen van het van dat besluit deel uitmakende voorschrift dat is vermeld onder besluitonderdeel III, onder I. Dat in de aanvraag was ingevuld dat het gaat om een nieuw te plaatsen bouwwerk, leidt niet tot een ander oordeel al omdat er daarbij is vermeld dat voor deze bouwwerkzaamheden al eerder een vergunning is aangevraagd. Naar het oordeel van de Afdeling wordt daarmee verwezen naar het besluit van 2 juni 2022. Dat bij de bouwsom voor het project € 1,00 was ingevuld, kan evenmin leiden tot een ander oordeel. Het is voor de beoordeling van de aanvraag, gezien hetgeen voor het overige in de aanvraag staat, voldoende duidelijk dat de hoogte van dit bedrag zodanig is dat er niets anders met de aanvraag is beoogd dan het schrappen van voormeld voorschrift.
De conclusie is dat uit de aanvraag op geen enkele manier bleek dat de aanvrager naast het schrappen van dat vergunningvoorschrift ook nog andere delen van de vergunning wilde wijzigen of een nieuwe vergunning wilden aanvragen. Dit blijkt ook uit de meerdere e-mails die de aanvrager en ambtenaren van de gemeente onderling hebben uitgewisseld en het gesprek dat met de betrokken wethouder heeft plaatsgevonden voordat de aanvraag is ingediend. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college had kunnen beslissen op de aanvraag zoals deze was ingediend.
Dit betekent dat het college [appellant A] en anderen ten onrechte de gelegenheid heeft gegeven om de aanvraag binnen vier weken te verduidelijken of aan te vullen en de beslistermijn niet met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in combinatie met artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft mogen opschorten.
Het betoog slaagt niet.
3. Zoals is toegelicht deed zich op 28 juli 2023 geen situatie voor waarbij de termijn voor het nemen van het besluit op de aanvraag werd opgeschort als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 4:15 van de Awb.
Als gevolg daarvan had het college vanaf 28 juli 2023 op grond van artikel 3.9 van de Wabo acht weken de tijd om uiterlijk op 22 september 2023 een besluit te nemen of de beslistermijn te verlengen met zes weken. Het college heeft echter pas op 25 september 2023 en dus te laat geprobeerd de beslistermijn te verlengen. Omdat de termijn niet verlengd is, had het college uiterlijk op 22 september 2023 moeten beslissen op de aanvraag.
Het college heeft pas op 18 oktober 2023 op de aanvraag besloten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit te laat is en dat er daarom een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan.
Het betoog slaagt niet.
4. Onder verwijzing naar wat hiervoor is toegelicht heeft de rechtbank ten slotte met juistheid geoordeeld dat [appellant A] en anderen het college terecht op 10 oktober 2023 in gebreke heeft gesteld, omdat het college in strijd met artikel 4:20c van de Awb heeft nagelaten de van rechtswege verleende vergunning bekend te maken.
Het betoog faalt eveneens.
5. Het hoger beroep van het college is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Het college moet alsnog griffierecht betalen.
7. Het college moet de proceskosten kosten van [appellant A] en anderen voor de behandeling van het hoger beroep vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Leeuwen
griffier
543