Uitspraak 202400930/3/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4151
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij tussenuitspraak van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2287, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Ermelo opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 13 november 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hamburgerweg 149-151" te herstellen. Uit wat de Afdeling onder 4.2, 6.2 en 10 in de tussenuitspraak heeft overwogen, volgt dat het besluit van 13 november 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De Afdeling heeft uiteenlopende gebreken vastgesteld. [appellant] en anderen willen geen ontsluiting voor de nieuwe woningen via de Wethouder Paulushof. Zij betogen dat het herstelbesluit uitgaat van een verouderde civieltechnische tekening voor de haakse bocht tussen de Wethouder Paulushof en de woningbouwlocatie. Daarbij is ook onduidelijk welk civieltechnisch ontwerp de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) en Goudappel hebben getoetst. De voorziene bocht is volgens hen onveilig en verkeerskundig niet aanvaardbaar.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- RO - Gelderland
Toon inhoud
202400930/3/R4.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Ermelo,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Ermelo,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2287, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 13 november 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hamburgerweg 149-151" te herstellen.
Bij besluit van 15 oktober 2025 (herstelbesluit) heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld (herstelplan).
[appellant] en anderen en Stichting Uwoon hebben een zienswijze over het herstelbesluit naar voren gebracht.
De raad heeft nadere stukken ingediend.
[appellant] en anderen hebben een nadere reactie en nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak opnieuw op een zitting behandeld op 3 juni 2026, waar [appellant A] en, via een digitale verbinding, [appellant], bijgestaan door mr. C.J. Tijman, advocaat in Ede, en de raad, vertegenwoordigd door ing. S.M.L. Veneman-van Beek, M. Prince en R. Formenoij, bijgestaan door J. Verhoeven, zijn verschenen. Verder is daar Uwoon, vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Tussenuitspraak en beroep tegen het besluit van 13 november 2024
2. Uit wat de Afdeling onder 4.2, 6.2 en 10 in de tussenuitspraak heeft overwogen, volgt dat het besluit van 13 november 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De Afdeling heeft uiteenlopende gebreken vastgesteld. Gelet op wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond, zodat het besluit van 13 november 2024 moet worden vernietigd.
2.1. Omdat het op 13 november 2024 vastgestelde bestemmingsplan niet meer op de landelijke voorziening staat, is het niet nodig de raad op te dragen de vernietiging van dat bestemmingsplan op die voorziening te verwerken.
2.2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om de onder 2 bedoelde gebreken in het bestemmingsplan te herstellen.
Herstelbesluit van 15 oktober 2025
3. Met het herstelbesluit heeft de raad het bestemmingsplan in zijn geheel opnieuw vastgesteld. Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Voor [appellant] en anderen is een beroep van rechtswege tegen dit besluit ontstaan. Hun zienswijze bevat de gronden van het beroep van rechtswege.
3.1. Met het herstelbesluit heeft de raad beoogd de onder 2 bedoelde en in de tussenuitspraak uiteengezette gebreken te herstellen. De Afdeling zal de beroepsgronden van [appellant] en anderen tegen het herstelbesluit bespreken. Voor zover zij niet opkomen tegen een wijze waarop het herstel heeft plaatsgevonden, zal de Afdeling dat onderdeel buiten bespreking laten.
3.2. De raad heeft met het herstelbesluit nader toegelicht waarom de ontsluitingsweg via de Wethouder Paulushof naar zijn mening veilig en uitvoerbaar is. Ook heeft hij gemotiveerd waarom hij niet heeft gekozen voor een van de door [appellant] en anderen ingediende alternatieve plannen met ontsluiting op de Hamburgerweg. Verder heeft de raad een aantal technische wijzigingen in de planregels doorgevoerd. Voor zover nu nog van belang gaat het daarbij om het advies Natuurinclusief bouwen en de parkeerregeling.
Het beroep van rechtswege
Haakse bocht
4. [appellant] en anderen willen geen ontsluiting voor de nieuwe woningen via de Wethouder Paulushof. Zij betogen dat het herstelbesluit uitgaat van een verouderde civieltechnische tekening voor de haakse bocht tussen de Wethouder Paulushof en de woningbouwlocatie. Daarbij is ook onduidelijk welk civieltechnisch ontwerp de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) en Goudappel hebben getoetst. De voorziene bocht is volgens hen onveilig en verkeerskundig niet aanvaardbaar.
4.1. Als bijlage 1 is een inrichtingsplan bij de planregels gevoegd. Als bijlage 11 is bij de plantoelichting een tekening van de situatie van de nieuwe inrichting van de infrastructuur gevoegd. In de aanloop naar het herstelbesluit is intern en door de VNOG op 10 juli 2025 positief geadviseerd. Goudappel heeft op 18 september 2025 een extra toets uitgevoerd op de civieltechnische uitwerking van de ontsluiting. In die toets staat dat het ontwerp van de ontsluiting verkeersveilig is en voldoet aan de aanbevelingen van de CROW.
4.2. De Afdeling overweegt allereerst dat de toets die zij moet maken, zich op de vraag richt of het bestemmingsplan met de toegekende bestemming "Wonen" een veilige en anderszins aanvaardbare verkeerssituatie mogelijk maakt. Daarbij is van belang dat de inrichting van de bocht binnen het bestemmingsvlak in bijlage 1 bij de planregels en in bijlage 11 bij de plantoelichting niet bindend is voorgeschreven.
De raad heeft met het overleggen van de adviesaanvragen aan de VNOG van 9 juli 2025 en Goudappel van 15 september 2025 duidelijk gemaakt dat advies is gevraagd over de civieltechnische inrichting van de bocht zoals weergegeven in bijlage 11 bij de plantoelichting. [appellant] en anderen noemen dit ontwerp B. Anders dan [appellant] en anderen stellen, hebben de definitieve adviezen dus geen betrekking op een eerder ontwerp, dat zij ontwerp A noemen.
Met ontwerp B is rekening gehouden met de haag op het perceel Wethouder Paulushof 16, een beperkt ‘oortje’ in de bocht, de wegbreedtes en het vervallen van de eerder in de bocht voorziene parkeerplaatsen. De bocht is ruimer en vloeiender gemaakt wat de zichtlijnen heeft verbeterd. Ook is op de tekening te zien dat er een trottoir zal komen dat over een rabatstrook doorloopt. Er zal hier door de feitelijke situatie met gepaste snelheid gereden moeten worden. De situatie heeft de kenmerken van een woonerf. Op een woonerf kan op straat worden gelopen. Het aantal auto’s dat van de bocht gebruik zal maken, is beperkt. De raad heeft er bij het wegontwerp niet van hoeven uit te gaan dat twee auto’s gelijktijdig in tegengestelde richting van de bocht gebruik maken. In zo’n geval zal men op elkaar moeten wachten. De verkeerskundige advisering door de VNOG en Goudappel over ontwerp B is positief. De wegbreedte van 4,8 m voldoet aan de uitgangspunten van de CROW. Ook is de bochtstraal voldoende voor vuilnisauto’s en hulpdiensten als de brandweer. [appellant] en anderen hebben een verkeerskundig rapport van De Baan Verkeersadvies van 21 mei 2026 overgelegd. Zij hebben met dit rapport evenwel niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet van de hiervoor beschreven uitgangspunten heeft kunnen uitgaan. De Afdeling voegt daar in reactie op het rapport het volgende aan toe. Voor zover [appellant] en anderen hebben gewezen op de hoogte van de haag naast de haakse bocht op het perceel Wethouder Paulushof 16, die voor weggebruikers zou bijdragen aan de onoverzichtelijkheid, heeft de raad op de zitting gewezen op de Verordening fysieke leefomgeving Ermelo. Uit artikel 2.5 van die verordening volgt dat het verboden is beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Er gelden hiervoor geen minimummaten. Het college van burgemeester en wethouders kan daarom zo nodig verlangen dat de haag wordt verlaagd om het zicht te verbeteren. Daarbij overweegt de Afdeling verder nog dat ook kan worden overgegaan tot het instellen van een parkeerverbod rondom de haakse bocht en de plaatsing van een of meer verkeersspiegels in de bocht. Gelet op het voorgaande, heeft de raad het herstelbesluit in zoverre deugdelijk gemotiveerd. Hij heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan een verkeersveilige en verkeerskundig aanvaardbare oplossing voor de haakse bocht mogelijk maakt.
Wat betreft de in het rapport van De Baan genoemde grote afstand tot de brandblusvoorziening, overweegt de Afdeling dat de VNOG positief over het plan heeft geadviseerd en dat zo’n voorziening zo nodig ook dichter bij de nieuwe woningen mogelijk kan worden gemaakt. De raad heeft daarin geen beletsel voor de uitvoerbaarheid van het plan hoeven te zien.
Het betoog slaagt niet.
Woon- en leefklimaat en veiligheid
5. Over de in de tussenuitspraak onder 5 vermelde, nog niet besproken beroepsgrond dat een ontsluiting van de nieuwbouw via de Wethouder Paulushof door het extra autoverkeer leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen en tot onveiligheid om op straat te spelen, overweegt de Afdeling dat het om een beperkt aantal extra motorvoertuigen gaat die in het bijzonder in de ochtend zullen uitrijden en aan het einde van de middag zullen inrijden. Op een werkdag zullen dit ongeveer 50 tot 60 extra motorvoertuigen zijn, wat neerkomt op ongeveer vijf auto’s extra in het drukste uur. Dat dit aantal leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen hebben zij niet aannemelijk gemaakt. Dat hierdoor voor kinderen in geval zij op straat spelen een uit een oogpunt van veiligheid onaanvaardbare situatie ontstaat, acht de Afdeling ook niet aannemelijk gemaakt. De inrichting van de Wethouder Paulushof noopt al tot langzaam rijden, het aantal auto’s is beperkt en het gaat hier ook niet om een doorgaande route. Op de haakse bocht is de Afdeling hiervoor al ingegaan.
Het betoog slaagt niet.
Alternatieve plannen
6. [appellant] en anderen voeren aan dat de raad nog geen gedegen afweging heeft gemaakt over de door hen ingediende alternatieve stedenbouwkundige plannen uit 2023 en 2025.
6.1. Zoals de Afdeling in de tussenuitspraak onder 6.1 heeft overwogen, moet de raad bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.
De raad is in het herstelbesluit ingegaan op de door [appellant] en anderen ingediende alternatieve plannen. De raad heeft de voor- en nadelen van het planinitiatief en de alternatieve plannen uiteengezet.
Als voordelen van het alternatieve plan uit 2023 ziet de raad dat er geen extra autoverkeer door de Wethouder Paulushof rijdt en dat er in de eindfase van het totale project (fase 1, 2 en 3) twee ontsluitingen beschikbaar zijn, waardoor de ontsluiting minder kwetsbaar is. Dit laatste voordeel kan volgens de raad ook worden bereikt door de Wethouder Paulushof in de eindfase open te stellen voor gemotoriseerd verkeer, zodat er alsnog twee toegangswegen zijn zonder de nadelen van een extra ontsluiting op de Hamburgerweg.
Als nadelen van het alternatieve plan uit 2023 noemt de raad het volgende. Het bebouwingslint langs de Hamburgerweg wordt onderbroken; er vallen openingen tussen de afwisselende bebouwing van vrijstaande, twee-onder-een-kapwoningen en rijwoningen. Deze woningen zijn in de huidige situatie met de voorzijde georiënteerd op de Hamburgerweg, waardoor een goede beeldkwaliteit is geborgd. Het alternatieve plan sluit niet aan op de stedenbouwkundige kenmerken uit de Nota omgevingskwaliteit. In het alternatieve plan wordt een aantal parkeerplaatsen in deze open ruimte gesitueerd. Dit doet afbreuk aan de beeldkwaliteit. Er wordt ruimte afgenomen van de kavels van de (mogelijk later te vervangen) woningen langs de Hamburgerweg. De kavelmaat die overblijft, is te krap voor een kwalitatieve herbouw van woningen. De rij van vier woningen wordt ‘weggestopt' tussen de achterzijde van bestaande kavels. De woonkwaliteit van deze locatie is volgens de raad minimaal. Het groene hof wordt aan twee zijden begrensd door een weg voor auto's. Er is een toename van verhard oppervlak door meer weglengte. Verkeerskundig ontstaat er een onwenselijke situatie door een onoverzichtelijke aansluiting die te dicht op de rotonde Hamburgerweg - Oude Telgterweg ligt. Een grote solitaire boom nabij Hamburgerweg 151 moet wijken. Dit doet afbreuk aan het groene straatbeeld. Twee ontsluitingen op de Hamburgerweg zijn niet wenselijk, omdat hierdoor een extra conflictpunt ontstaat, vooral omdat de nieuwe ontsluiting dicht bij het kruispunt met de Jan van Malesteinweg is gesitueerd. Ook is het oprijzicht bij een ontsluiting op de Hamburgerweg slechter dan bij de bestaande ontsluiting via de Wethouder Paulushof, wat de verkeersveiligheid vermindert. De ontsluiting op de Hamburgerweg ligt in een bocht met beperkt zicht, wat onveilige situaties kan veroorzaken.
In het eerste alternatieve plan uit 2025 wordt uitgegaan van één ontsluitingsweg. Het tweede alternatieve plan gaat uit van twee ontsluitingen maar daarbij wordt gebruik gemaakt van gronden uit de latere fasen. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de meeste van de hiervoor genoemde nadelen van het alternatieve plan uit 2023 ook gelden voor deze beide alternatieven uit 2025. Voor zover [appellant] en anderen nog een alternatief, voor het eindbeeld, hebben ingediend, is op de zitting gebleken dat ook dit alternatief bij de raad bekend was ten tijde van de vaststelling van het herstelplan. Over dat alternatief heeft de raad overwogen dat dit mede uitgaat van de fasen 2 en 3 die niet aan de orde zijn bij fase 1. Bovendien moeten met dat alternatief drie waardevolle bomen worden gekapt, komt er een parkeerkoffer aan de Hamburgerweg wat afbreuk doet aan de beeldkwaliteit, en zijn de kosten in verhouding tot het aantal extra woningen hoog.
Met wat [appellant] en anderen in hun zienswijze over het herstelbesluit hebben aangevoerd, hebben zij de door de raad genoemde nadelen niet dan wel onvoldoende weersproken. Gelet op de afweging die de raad heeft gemaakt en gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 4.2 over de ontsluiting via de Wethouder Paulushof heeft overwogen, heeft de raad de door [appellant] en anderen voorgestelde alternatieven afgewogen bij de vaststelling van het herstelplan en toereikend gemotiveerd waarom niet voor die alternatieven is gekozen.
Het betoog slaagt niet.
Planregels
7. [appellant] en anderen voeren aan dat niet alle gebreken in de planregels door de raad zijn hersteld. Zij wijzen erop dat in het bestemmingsplan op de landelijke voorziening wederom onjuist wordt verwezen naar het advies Natuurinclusief bouwen.
7.1. De Afdeling stelt allereerst vast dat het [appellant] en anderen niet inhoudelijk gaat om de maatregelen inzake natuurinclusief bouwen. Het gaat hun om onjuistheden in het bestemmingsplan op de landelijke voorziening. Zo is (was) er nog immer sprake van twee artikelen met nummer 3.5.2 en wordt (werd) er verwezen naar een advies met een verkeerde datum en een niet bestaande bijlage 5 bij de regels. De Afdeling heeft deze onjuistheden ook zelf vastgesteld.
7.2. Bij de dossierstukken bevindt zich een versie van het bestemmingsplan met bijlage waarin de door [appellant] en anderen genoemde fouten niet staan. Dit is de versie die de raad heeft vastgesteld. Dit volgt uit het raadsvoorstel waarin wordt verwezen naar een bijlage met een toelichting van de herstelpunten en de vermelding van de bewuste aanpassing in die toelichting.
Dit betekent dat een onjuiste versie van het plan op de landelijke voorziening is geplaatst wat de raad ook heeft erkend. Op grond van artikel 1.2.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om door de raad vastgestelde bestemmingsplannen langs elektronische weg beschikbaar te stellen. De Afdeling overweegt dat na vaststelling van het plan van 15 oktober 2025 een rechtsonzekere situatie is ontstaan doordat het college op de landelijke voorziening een versie van het bestemmingsplan heeft gepubliceerd die niet in overeenstemming was met het bestemmingsplan zoals de raad dat blijkens het herstelbesluit heeft vastgesteld. Het college heeft inmiddels de foutieve versie van het plan verwijderd van de landelijke voorziening, de vastgestelde versie op de voorziening beschikbaar gesteld en die versie opnieuw gepubliceerd en ter inzage gelegd. Hierop zijn geen nieuwe beroepen ingekomen. De vastgestelde rechtsonzekere situatie is weggenomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:412, onder 5-5.3.
[appellant] en anderen hebben er in een nadere reactie op gewezen dat er een verschil is tussen de versienummers van het herstelplan. De raad heeft versie eindigend op 0403 vastgesteld, maar op de landelijke voorziening staat versie 0404. Op de zitting heeft de raad verklaard dat het niet is gelukt versie 0403 op de landelijke voorziening te plaatsen, ook niet na het verwijderen van de eerdere plannen. Het is technisch niet mogelijk een ouder versienummer in het systeem te zetten. De raad heeft gesteld dat er geen verschillen bestaan tussen beide versies. Behoudens het versienummer hebben [appellant] en anderen niet gewezen op verschillen. De Afdeling heeft ook geen verschillen gezien tussen versie 0403 die zich in het dossier bevindt, en versie 0404. Het verschil in versienummer maakt niet dat sprake is van een rechtsonzekere situatie.
Het betoog van [appellant] en anderen geeft geen aanleiding tot vernietiging van het herstelbesluit.
8. Verder deugt de parkeerbalans volgens [appellant] en anderen niet omdat wordt gerekend met twee verschillende normen. Artikel 3.8 van de planregels maakt dit er niet duidelijker op door te wijzen op de opvolger van het parkeerbeleid.
8.1. Artikel 3.8 van de planregels verwijst naar de Nota Parkeernormen Ermelo 2017. De raad heeft er op de zitting op gewezen dat de parkeernorm van 1,6 parkeerplaats per woning op de pagina’s 9 en 10 van de plantoelichting niet correct is. Die norm heeft betrekking op het gebied ‘Rest bebouwde kom + Dorpskern’, zoals vermeld in de Nota Parkeernormen. Wel correct is de norm van 1,3 parkeerplaats per woning op pagina 24 van de plantoelichting. Dat is de ten tijde van de vaststelling van het herstelplan geldende gemeentelijke norm voor sociale huur voor het gebied ‘Centrum Ermelo’, waar het plangebied in ligt. Deze uitleg van de raad is in overeenstemming met de Nota Parkeernormen. [appellant] en anderen hebben dit ook niet verder bestreden.
Een norm van 1,3 leidt bij elf woningen tot een naar boven afgeronde parkeerbehoefte van vijftien parkeerplaatsen. Op het inrichtingsplan, bijlage 1 bij de planregels, zijn zestien parkeerplaatsen ingetekend. Daarmee is duidelijk dat in de parkeerbehoefte kan worden voorzien. De parkeerbalans is dus correct. Dat artikel 3.8 van de planregels erin voorziet dat bij de vergunningverlening getoetst moet worden aan een eventuele nieuwere versie van de Nota Parkeernormen, is een gebruikelijke bepaling. Vaste jurisprudentie is dat zo’n dynamische verwijzing naar het parkeerbeleid aanvaardbaar is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie herstelbesluit
9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [appellant] en anderen tegen het herstelbesluit ongegrond is. Dit betekent dat het op 15 oktober 2025 vastgestelde herstelplan in rechte komt vast te staan en dat aan het woningbouwplan met daarbij de ontsluiting via de Wethouder Paulushof verdere uitvoering kan worden gegeven.
Beroep tegen het besluit van 21 november 2023
10. Al eerder, op 21 november 2023, heeft de raad het bestemmingsplan voor de eerste keer vastgesteld. Tegen dat besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld. Met het herstelbesluit is het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Doordat het bestemmingsplan van 13 november 2024 wordt vernietigd, vervangt het plan van 15 oktober 2025 het op 21 november 2023 vastgestelde plan. Het beroep tegen het op 15 oktober 2025 vastgestelde plan is ongegrond. Niet is gebleken dat [appellant] en anderen nog een belang hebben bij een beoordeling van hun beroep tegen het besluit van 21 november 2023. Dat beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Proceskosten
11. De raad moet de proceskosten vergoeden. De na de tussenuitspraak gemaakte kosten voor het rapport van De Baan komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat het beroep van rechtswege tegen het herstelbesluit ongegrond is.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Ermelo van 21 november 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hamburgerweg 149-151" niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Ermelo van 13 november 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hamburgerweg 149-151" gegrond;
III. vernietigt dat besluit van 13 november 2024;
IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Ermelo van 15 oktober 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hamburgerweg 149-151" ongegrond;
V. veroordeelt de raad van de gemeente Ermelo tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.974,26, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. gelast dat de raad van de gemeente Ermelo aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bechinka
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
371