Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202504303/1/A2

Uitspraak 202504303/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4156
Datum uitspraak
15 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 september 2022 heeft de CSG de aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen. [appellante] heeft op 27 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het schadefonds. Zij stelt dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel en (seksuele) uitbuiting. Daar heeft zij op 12 juni 2020 ook aangifte van gedaan. [appellante] heeft verklaard dat zij op 10 juli 2019 vanuit Uganda is vertrokken naar Nairobi. In Nairobi heeft zij contact gekregen met een vrouw genaamd [persoon C]. De moeder van [appellante] heeft [persoon C] betaald om [appellante] naar Saudi-Arabië te brengen, zodat zij daar als werkster kon gaan werken. [appellante] is met [persoon C] en een andere vrouw in een vliegtuig gestapt. Na een tussenstop is zij geland op een locatie waar zij in een restaurant moest wachten. Zij is daar door twee mannen opgehaald. Na een lange autorit is zij naar een woning gebracht. Vanaf 3 oktober 2019 verbleef zij in die woning. In die woning is zij mishandeld en door ongeveer zes mannen seksueel misbruikt.
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202504303/1/A2.
Datum uitspraak: 15 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 juli 2025 in zaak nr. 23/3097 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (de CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2022 heeft de CSG de aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.

Bij besluit van 17 april 2023 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. L. Veenman, advocaat te Zierikzee, vergezeld door [persoon A] en [persoon B], tolk, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. Y. Pieters, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek heeft de Afdeling het onderzoek heropend en [appellante] in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen te verstrekken.

[appellante] heeft bij brief van 15 mei 2026 van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De CSG heeft bij brief van 2 juni 2026 een reactie gegeven.

Met toestemming van partijen heeft de Afdeling een nadere zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

Achtergrond

1. [appellante] heeft op 27 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het schadefonds. Zij stelt dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel en (seksuele) uitbuiting. Daar heeft zij op 12 juni 2020 ook aangifte van gedaan.

2. [appellante] heeft verklaard dat zij op 10 juli 2019 vanuit Uganda is vertrokken naar Nairobi. In Nairobi heeft zij contact gekregen met een vrouw genaamd [persoon C]. De moeder van [appellante] heeft [persoon C] betaald om [appellante] naar Saudi-Arabië te brengen, zodat zij daar als werkster kon gaan werken. [appellante] is met [persoon C] en een andere vrouw in een vliegtuig gestapt. Na een tussenstop is zij geland op een locatie waar zij in een restaurant moest wachten. Zij is daar door twee mannen opgehaald. Na een lange autorit is zij naar een woning gebracht. Vanaf 3 oktober 2019 verbleef zij in die woning. In die woning is zij mishandeld en door ongeveer zes mannen seksueel misbruikt. Zij is met een mes in haar hand gestoken. Zij werd ziek, kon niet meer lopen en had veel pijn in haar onderbuik. Zij dacht dat zij zwanger was. Een van de mannen zei dat hij haar naar het ziekenhuis zou brengen. Zij werd ’s avonds wakker gemaakt en naar een hokje met een bank gebracht. Dat hokje was buiten, een glashokje. Daar moest zij gaan zitten. Zij bloedde vanuit haar neus. Later kwam een mevrouw bij het hokje staan. Aan haar vroeg zij wanneer er een arts zou komen. Die mevrouw gaf aan dat daar geen arts was. Die mevrouw vertelde hoe zij naar het politiebureau moest lopen. Onderweg kwam zij een oude man tegen. Hij liep met haar mee om te laten zien waar het politiebureau was. Daar heeft zij een agent gesproken. Uiteindelijk is zij naar een ander politiebureau gebracht. Daarna werd zij naar het ziekenhuis gebracht. Zij hoorde op 3 januari 2020 van de politie dat zij in Nederland was.

3. Ter onderbouwing van haar aanvraag heeft [appellante] een proces-verbaal van haar aangifte, een verklaring van een arts van het Radboud universitair medisch centrum (Radboudumc) dat [appellante] op 3 januari 2020 opgenomen is geweest op de spoedeisende hulp en een screenshot van een telefoon, met een afbeelding van een figuur uit een horrorfilm, overgelegd.

4. De politie heeft naar aanleiding van de aangifte een opsporingsonderzoek verricht. Het Openbaar Ministerie heeft vastgesteld dat er geen aanknopingspunten zijn om tot mogelijke verdachten te komen. Daarom heeft het Openbaar Ministerie op 10 februari 2022 besloten geen nader strafrechtelijk onderzoek te doen en de zaak te beëindigen.

Besluitvorming

5. De CSG heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat [appellante] slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf in Nederland als bedoeld in artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). De CSG heeft opgemerkt dat de aangifte van [appellante] summier en weinig concreet is. De CSG stelt uit de aangifte niet te kunnen afleiden of het door [appellante] opgegeven misdrijf in Nederland heeft plaatsgevonden. Ook is er geen ondersteuning van deze verklaring gevonden tijdens het onderzoek door de politie.

Wettelijk kader

6. Artikel 3, eerste lid, van de Wsg luidt:

"1. Uitkering kan worden gedaan

a. aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf dan wel schuldverkrachting of schuldaanranding, ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen;

[…]".

Uitspraak van de rechtbank

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de CSG zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] onvoldoende objectieve en concrete informatie heeft overgelegd om aannemelijk te kunnen achten dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel en seksuele uitbuiting in Nederland. De CSG heeft het standpunt mogen innemen dat de kern van het relaas van [appellante] onduidelijk blijft, dat er tegelijkertijd contra-indicaties aanwezig zijn die het relaas van [appellante] minder aannemelijk maken en dat onduidelijk is of de gebeurtenissen in Nederland hebben plaatsgevonden. Het in beroep door [appellante] overlegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) leidt niet tot een ander oordeel. De CSG heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit dit rapport niet blijkt wat [appellante] is overkomen en waar het misbruik en de verwonding aan haar hand heeft plaatsgevonden. Het iMMO is voor de oorzaak van de door [appellante] opgegeven klachten uitgegaan van wat zij daarover heeft verteld.

Hoger beroep

8. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de CSG zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat zij in Nederland slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting. Zij voert daartoe ten eerste aan dat de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie te weinig bewijs heeft om de daders op te sporen, los staat van de vraag of zij slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting in Nederland. Het politieonderzoek omvat een ander doel en een andere maatstaf. De CSG had in de aangifte, het rapport van het iMMO en de verklaring van de arts van het Radboudumc voldoende aanleiding moeten zien om aannemelijk te achten dat zij in Nederland slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting. De CSG hanteert immers in geval van mensenhandel als beleid dat de aangifte doorslaggevend is. De CSG heeft onvoldoende draagkrachtig onderbouwd op welke punten sprake is van contra-indicaties en waarom deze raken aan de kern van haar relaas.

8.1. Niet in geschil is dat [appellante] slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting. In geschil is of de mensenhandel en de seksuele uitbuiting in Nederland hebben plaatsgevonden.

8.2. De CSG heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een uitkering als bedoeld in artikel 3 van de Wsg beslissingsruimte en heeft daaraan invulling gegeven met de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Letsellijst (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3674).

8.3. In paragraaf 1.1.2 van de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven van augustus 2021 staat dat de beoordeling van de aannemelijkheid van slachtofferschap in het geval van mensenhandel complex is, omdat dit delict bij uitstek is gericht op het isoleren van het slachtoffer. Het schadefonds werkt daarom met een apart toetsingskader voor mensenhandel. Daarover staat in de beleidsbundel het volgende: "Het toetsingskader schrijft voor dat wordt uitgegaan van de verklaring van het slachtoffer zoals deze in de aangifte is neergelegd. Medische informatie en informatie uit andere soorten bronnen kunnen worden betrokken in de toetsing om te onderzoeken of die mogelijk relevante objectieve aanwijzingen bevatten. Tegenstrijdigheden en/of vage verklaringen in de aangifte vormen alleen een basis voor contra-indicaties ten aanzien van de aannemelijkheid, indien deze zien op de kern van het relaas en voldoende onderbouwd zijn. Wanneer een aangifte ontbreekt, zal een beoordeling van de andere objectieve informatie moeten uitwijzen of mensenhandel alsnog aannemelijk te achten is." In beginsel kan dus worden uitgegaan van de verklaring van het slachtoffer.

8.4. [appellante] heeft verklaard dat een van de mannen haar ’s avonds van het huis waar zij werd vastgehouden naar een glashokje (bushalte) heeft gebracht, dat zij naar het politiebureau is gegaan en uiteindelijk naar het ziekenhuis is gebracht. [appellante] heeft eveneens verklaard dat zij op 3 januari 2020 van de politie heeft gehoord dat zij in Nederland was. Het dossier bevat een verklaring van een arts van het Radboudumc dat [appellante] op 3 januari 2020 in het ziekenhuis is opgenomen. De Afdeling overweegt dat hoewel uit de aangifte van [appellante] niet blijkt waar zij werd vastgehouden of hoe ver rijden het was van het huis naar de bushalte, gelet op hetgeen volgens [appellante] diezelfde avond nog heeft plaatsgevonden, het aannemelijk is dat [appellante] in een huis in Nederland is vastgehouden en daar seksueel is misbruikt. De objectieve verklaring van de arts van het Radboudumc ondersteunt de verklaring van [appellante]. In de Beleidsbundel staat dat tegenstrijdigheden en/of vage verklaringen in de aangifte alleen een basis voor contra-indicaties vormen ten aanzien van de aannemelijkheid, indien deze zien op de kern van het relaas en voldoende onderbouwd zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de CSG onvoldoende onderbouwd waarom sprake is van contra-indicaties. Op de zitting bij de Afdeling heeft de CSG zich slechts op het standpunt gesteld dat de verklaring van [appellante] vaag is. Dat standpunt heeft de CSG onvoldoende onderbouwd. De Afdeling overweegt dat uit de aangifte van [appellante] blijkt wat er is voorgevallen. In de aangifte staat beschreven wat er volgens [appellante] met haar is gebeurd vanaf het moment dat zij [persoon C] ontmoette totdat zij aangifte deed en naar het ziekenhuis is gebracht. Dat [appellante] niet weet wanneer zij precies in Nederland aankwam of waar het huis zich bevindt, betekent niet dat de verklaring in het geheel geen inzage geeft in wat is voorgevallen en de vraag of de mensenhandel en de seksuele uitbuiting in Nederland heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] aannemelijk gemaakt dat zij in Nederland slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting.

Het betoog slaagt.

Conclusie

9. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 april 2023 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met paragraaf 1.1.2 van de Beleidsbundel. De Afdeling voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat [appellante] een uitkering van € 10.000,00 krijgt conform categorie 4 van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Proceskosten

10. [appellante] heeft verzocht om vergoeding van kosten van door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar, beroep en hoger beroep en om vergoeding van de kosten van het iMMO-onderzoek en rapportage. Ter onderbouwing van die kosten heeft [appellante] een factuur van 8 oktober 2024 van het iMMO overgelegd en een brief van 13 mei 2026 van het iMMO.

10.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:784) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.

10.2. Vast is komen te staan dat het inroepen van het iMMO redelijk is. In de factuur is vermeld dat de kosten voor het iMMO-onderzoek en rapportage € 7.865,00 bedragen. In de brief van het iMMO van 13 mei 2026 zijn de werkzaamheden nader toegelicht en is vermeld dat het iMMO een forfaitair tarief berekent per onderzoek en dat dit in de praktijk betekent dat de vergoeding die het iMMO vraagt ongeveer de helft bedraagt van de werkelijke kostprijs van het onderzoek en de rapportage. De Afdeling acht de hoogte van de kosten redelijk. Het te vergoeden bedrag voor het opstellen van dit deskundigenrapport is derhalve € 7.865,00.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 juli 2025 in zaak nr. 23/3097;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven van 17 april 2023;

V. bepaalt dat de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellante] een uitkering toekent van € 10.000,00;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 17 april 2023;

VII. veroordeelt de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven tot vergoeding van bij [appellante] in bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 12.267,00, waarvan € 4.402,00 is toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 7.865,00 aan kosten van deskundige bijstand;

VIII. gelast dat de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 473,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.

w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Engele
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026

1033


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon