Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202408066/1/A3

Uitspraak 202408066/1/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4127
Datum uitspraak
15 juli 2026
Inhoudsindicatie
Het college van gedeputeerde staten van Overijssel heeft terecht niet handhavend opgetreden tegen het doden van een haas in een jachtveld door een drijver met een drijfstok. Dat oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak in deze uitspraak. Stichting Animal Rights had het college van GS hierom verzocht. Aanleiding voor het handhavingsverzoek was een door een getuige gemaakt filmpje van een drijver in het jachtveld. Op het filmpje is te zien hoe de drijver een aangeschoten haas met een drijfstok slaat. De haas was door een jager in het jachtveld aangeschoten. De jager was in de veronderstelling dat de haas dodelijk was getroffen. Op het moment dat de drijver bij een controle constateerde dat de haas nog leefde, heeft hij de haas met een drijfstok gedood. Volgens Animal Rights is het gebruik van een slagwapen in de jacht illegaal en is hiermee de zorgplicht van de Wet natuurbescherming geschonden, omdat de haas op deze manier onnodig zou hebben geleden. Volgens het college van GS is de wet niet overtreden. In de uitspraak van vandaag buigt de Afdeling bestuursrechtspraak zich eerst over de vraag of het doden van een aangeschoten haas onder het begrip ‘jacht’ valt. Ja, zegt Animal Rights. Nee, zegt de provincie. In de Wet natuurbescherming staat precies opgesomd met welke middelen je mag jagen. De drijfstok staat daar niet bij. Net als de rechtbank Overijssel eerder, oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak nu dat het doden van aangeschoten wild niet valt onder ‘uitoefening van de jacht’. Er was geen sprake meer van ‘jacht’ op de haas, wat betekent dat de lijst met verboden middelen in de wet niet van toepassing is en dat de wet dus niet is overtreden. De wet verplicht verder dat ‘een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt, voorkomt dat het dier onnodig lijdt’. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak ziet deze verplichting ook op het handelen van een drijver als hij direct na de jacht een aangeschoten dier aantreft en dit afmaakt. De wet regelt niet met welke middelen dat moet gebeuren. Maar het gebruik van een drijfstok levert in dit geval geen overtreding op van de wettelijke zorgplicht, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. Het alternatief waarbij de jager erbij moet komen met zijn geweer, zou de haas naar alle waarschijnlijk juist langer hebben doen lijden, gelet op de afstand die de jager moet afleggen.
  • Hoger beroep
  • Natuurbescherming

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202408066/1/A3.
Datum uitspraak: 15 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Animal Rights (SAR), gevestigd in Den Haag,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 november 2024 in zaak nr. 23/1715 in het geding tussen:

SAR

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2023 heeft het college het verzoek van SAR om handhavend op te treden tegen het doden van een haas met een slagwapen, afgewezen.

Bij besluit van 4 juli 2023 heeft college het door SAR daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2024 heeft de rechtbank het door SAR daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft SAR hoger beroep ingesteld.

[jager] en [drijver] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 juni 2026, waar SAR, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en bijgestaan door mr. M. van Duijn, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door H. Nijboer en L.I.M. Olde Daalhuis, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [jager] en [drijver], vertegenwoordigd door mr. P.C.H. van Schooten, advocaat in Rolde, gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet natuurbescherming (Wnb) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

Het verzoek om handhaving van de Wnb is gedaan op 1 december 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Wet- en regelgeving

2.       De relevante wettelijke bepalingen staan in de bijlage van deze uitspraak.

Inleiding

3.       Op 1 december 2022 heeft SAR een verzoek om handhaving gedaan bij het college op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). De aanleiding voor het verzoek was een door een getuige gemaakt filmpje van een drijver in een jachtveld. Op het filmpje is te zien hoe de drijver een aangeschoten haas met een drijfstok slaat. De haas was door een jager in het jachtveld aangeschoten. De jager was in de veronderstelling dat de haas dodelijk was getroffen. Op het moment dat de drijver bij een controle constateerde dat de haas nog leefde, heeft hij de haas met een drijfstok gedood.

Volgens SAR is het gebruik van een slagwapen in de jacht illegaal en is de zorgplicht van de Wnb geschonden, omdat de haas op deze manier onnodig heeft geleden.

Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen. Uit een controlerapport van 12 januari 2023 volgt dat er geen overtreding van de Wnb is geconstateerd. In bezwaar heeft het college het primaire besluit gehandhaafd. SAR is het niet eens met de besluitvorming.

Uitspraak van de rechtbank

4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een overtreding. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de drijfstok niet is gebruikt om de jacht mee uit te oefenen. Volgens oude maar vaste rechtspraak van de kantonrechter en de Hoge Raad valt het doden van aangeschoten wild niet onder ‘jagen’. Deze arresten zien weliswaar op het begrip ‘jagen’ uit de Jachtwet, maar de daarin gehanteerde definitie van het begrip ‘jacht’ is nagenoeg gelijk aan die uit de Wnb. Daarom is er geen sprake van een overtreding van artikel 3.21, eerste lid, van de Wnb.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van een overtreding van het verbod van artikel 3.10, van de Wnb. Het is een jachthouder toegestaan in zijn jachtveld wild te vangen en te doden als is voldaan aan de voorwaarden uit paragraaf 3.5 en 3.6 van de Wnb. De drijver heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de in artikel 3.24 van de Wnb geformuleerde plicht dat eenieder die een in het wild levend dier doodt, voorkomt dat het onnodig lijdt.

Betoog [jager] en [drijver]

5.       [jager] en [drijver], de jager en drijver die betrokken waren bij de jacht op de haas, betogen in hun schriftelijke uiteenzetting dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn eigen handhavingsmiddelen kiest en dat het college het handhavingsverzoek heeft mogen lezen als een verzoek om handhaving en daarnaast om een boete.

5.1.    De Afdeling stelt vast dat [jager] en [drijver] geen (incidenteel) hoger beroep hebben ingesteld tegen dit oordeel van de rechtbank. Dit oordeel kan in hoger beroep dan ook niet door hen aan de orde worden gesteld.

De reikwijdte van het begrip ‘jacht’ in de Wnb

6.       Volgens SAR is er, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel sprake van een overtreding van de Wnb. SAR voert daartoe aan dat het doodslaan van een aangeschoten haas, in tegenstelling tot wat de rechtbank heeft geoordeeld, onder het begrip ‘jacht’ valt. In artikel 1.1 van de Wnb wordt ‘jacht’ niet alleen omschreven als ‘het bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van wild’, maar ook als ‘het doen van pogingen daartoe’. De door de rechtbank genoemde arresten uit 1934 en 1958 maken dit niet anders. De drijver had gelet op artikel 3.21, eerste lid, van de Wnb, dan ook geen gebruik mogen maken van een drijfstok om de haas te doden.

6.1.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat wat door SAR is aangevoerd geen aanleiding geeft om af te wijken van de bestaande uitleg van het begrip ‘jacht’. Zij onderschrijft de uitspraak van de rechtbank. Uit de rechtspraak van de kantonrechter en de Hoge Raad volgt dat onder jagen in de zin van de Jachtwet niet wordt verstaan het doden van reeds aangeschoten wild. Deze uitleg van ‘jacht’ in de Jachtwet is vervolgens ook opgenomen in de wettelijke kaders van de wetten die de Jachtwet hebben opgevolgd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit de wetgevingsgeschiedenis van de Flora- en Faunawet en de daaropvolgende Wnb, dat er wat betreft de begrippen ‘jagen’ en ‘jacht’ geen inhoudelijke wijziging is beoogd ten opzichte van de Jachtwet (Kamerstukken II 1992/93, 23 147, nr. 3, p. 65 en Kamerstukken II, 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 247). De wetgever heeft hierin een bewuste afweging gemaakt. Het had op de weg van de wetgever gelegen om de definitie aan te passen, als zij daar aanleiding voor had gezien. De Afdeling ziet in dit geval ook geen concrete aanknopingspunten die ertoe moeten leiden dat het begrip ‘jacht’ anders zou moeten worden uitgelegd dan volgt uit de rechtspraak van de kantonrechter en de Hoge Raad van 8 juni 1932, ECLI:NL:KTGBRN:1932:1 en 4 maart 1958, ECLI:NL:HR:1958:74.

De conclusie van de advocaat-generaal Machielse van 15 mei 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ0281, waar de SAR op de zitting bij de Afdeling naar heeft verwezen, verandert dat oordeel niet. In deze conclusie is wat betreft de reikwijdte van het begrip ‘jacht’ slechts bevestigd dat de regelingen voor de jacht ook betrekking hebben op het bemachtigen en doden van wild in het kader van bestrijding van schade door wildsoorten.

In dit geval was er geen sprake meer van ‘jacht’ op de haas. Dat betekent dat de lijst met verboden middelen tijdens de jacht uit artikel 3.21, eerste lid, van de Wnb, niet van toepassing is.

Onnodig lijden

7.       SAR voert ook aan dat de rechtbank heeft miskend dat als het doodslaan van de haas niet in het kader van de jacht heeft plaatsgevonden, er een overtreding heeft plaatsgevonden van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wnb. Er bestaat immers geen vrijstelling of ontheffing in Overijssel voor het doden van een haas met een slagwapen. Volgens SAR is het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een overtreding van dat artikel, omdat de uitzondering uit artikel 3.20, eerste lid, van de Wnb van toepassing is, niet te volgen. Die redenering valt niet te rijmen met de eerdere overweging van de rechtbank dat het doden van de haas niet plaatsvond in het kader van de jacht. Tot slot voert SAR aan dat de haas onnodig heeft geleden, nu uit het filmpje blijkt dat de drijfstok daarvoor geen geschikt middel is.

7.1.    In dit geval was de jacht op de haas tijdens het handelen van de drijver al geëindigd. De jager had de haas immers beschoten en was in de veronderstelling dat deze dood was. Gelet op wat in rechtsoverweging 5.1 is geoordeeld, valt het daarna alsnog afmaken van de aangeschoten haas niet onder de reikwijdte van de jacht.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat ook geen sprake was van een overtreding van het algemene verbod op het doden van dieren uit artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wnb. Op grond van artikel 3.20, eerste lid, is het een jachthouder toegestaan in zijn jachtveld wild te vangen en te doden, en ingevolge het vierde lid, onder a, is die uitzondering van overeenkomstige toepassing voor degenen die zich in het gezelschap van de jachthouder bevinden. Daaronder kan ook een drijver worden verstaan. In dit geval is de haas gedood op grond van artikel 3.24, eerste lid, van de Wnb, dat bepaalt dat eenieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt. Deze verplichting sluit aan bij de systematiek van de Wnb, die onder meer gaat over het doden van soorten en dieren in het kader van overlastbestrijding, faunabeheer en jacht. De verplichting biedt, zoals SAR terecht betoogt, geen zelfstandige grondslag voor het doden van dieren, maar moet worden gezien in het licht van het doden van dieren voor zover dat in de Wnb wordt gereguleerd en toegestaan. De verplichting van het voorkomen van onnodig lijden ziet daarom ook op het handelen van een drijver indien hij direct na de jacht een aangeschoten dier aantreft en dit afmaakt.

Het klopt dat, zoals SAR terecht heeft aangevoerd, de Wnb niet voorziet in een regeling die bepaalt met welke middelen een al aangeschoten dier vervolgens mag worden afgemaakt. Desalniettemin levert het gebruik van een drijfstok door de drijver in dit geval naar het oordeel van de Afdeling geen overtreding op van artikel 3.24, eerste lid, van de Wnb. Op de zitting bij de Afdeling hebben het college en [jager] en [drijver] toegelicht dat in de praktijk van de jacht het doden van aangeschoten wild met een nekslag met een object of met de hand als de meest aangewezen manier ("best practice") wordt gezien. Dit is ook wat aspirant-jagers in hun opleiding wordt onderwezen. Dit is op de zitting ook bevestigd door de toezichthouder van het college. Het alternatief, waarbij de jager zich na het schieten van de haas, in de veronderstelling deze te hebben gedood, er eerst door de drijver op moet worden gewezen dat de haas nog leeft, waarna de jager zich naar het dier zou moeten begeven om het met een wettelijk toegestaan middel uit zijn lijden te verlossen, zou de haas naar alle waarschijnlijkheid juist langer hebben doen lijden, gelet op de afstand die de jager zou moeten overbruggen. Een nieuw schot was ook niet wenselijk, omdat er drijvers in het jachtveld aanwezig waren. Hierbij merkt de Afdeling op dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 3.24, eerste lid, van de Wnb wel volgt dat voor zover het vangen en doden van een dier in het kader van de wet is toegestaan, steeds een afweging zal moeten worden gemaakt of er andere en meer diervriendelijke methoden en middelen bestaan om het doel te bereiken. (Kamerstukken II, 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 177). Zowel de jager als de drijver dienen in dit soort gevallen dus steeds af te wegen welke methode het meest diervriendelijk, effectief en veilig is om het dier zo snel mogelijk uit zijn lijden te verlossen.

Het betoog slaagt niet.

8.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Soffner
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026

818-1166

Bijlage

Relevante wet- en regelgeving

Wet natuurbescherming

Artikel 1.1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

jacht: bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, alsmede het doen van pogingen daartoe, overeenkomstig paragraaf 3.5;

Artikel 3.10

1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:

a.       in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;

[…]

Artikel 3.20

1. In afwijking van de artikelen 3.1, eerste en vierde lid, 3.5, eerste en tweede lid, en 3.10, eerste lid, is het de jachthouder toegestaan in zijn jachtveld wild te vangen, te doden en te verontrusten, en met het oog daarop op te sporen ter uitoefening van de jacht, indien is voldaan aan het bij en krachtens deze paragraaf en paragraaf 3.6 bepaalde.

2. Wild als bedoeld in het eerste lid zijn in het wild levende dieren van de volgende soorten:

a. fazant (Phasianus colchicus);

b. wilde eend (Anas platyrhynchos);

c. houtduif (Columba palumbus);

d. haas (Lepus Europaeus);

e. konijn (Oryctolagus cuniculus).

[…]

4.  Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op:

a. degenen in het gezelschap van de jachthouder, indien de jachthouder een geldende jachtakte of valkeniersakte heeft, en

b. de jachtopzichter of anderen buiten het gezelschap van de jachthouder, indien de jachthouder aan hen daartoe een schriftelijke en gedagtekende toestemming heeft gegeven, en is voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels.

Artikel 3.21

1. Het is verboden bij de uitoefening van de jacht gebruik te maken van  andere middelen dan:

a. geweren;

b. honden, niet zijnde lange honden;

c. aantoonbaar gefokte jachtvogels van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten;

d. eendenkooien die voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels;

e. lokeenden of lokduiven, die niet blind of verminkt zijn;

f. fretten;

g. buidels, of

h. schermen.

[…]

Artikel 3.24

1. Een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.

[…]

Persaankondiging

Verzoek om handhavend op te treden tegen het doden van een haas met slagwapen

Uitspraak over de afwijzing van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van het verzoek om handhavend op te treden tegen het doden van een haas in een jachtveld door een jager met een slagwapen. Een getuige heeft gefilmd hoe een jager een haas doodslaat. Op het filmpje is te zien hoe de drijver een aangeschoten haas met een drijfstok slaat. De haas was door een jager in het jachtveld aangeschoten. De jager was in de veronderstelling dat de haas dodelijk was getroffen. Op het moment dat de drijver bij een controle constateerde dat de haas nog leefde, heeft hij de haas met een drijfstok gedood. Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen, omdat geen sprake zou zijn van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het gaat in deze rechtszaak om de vraag of het slagwapen ‘tijdens de jacht’ is gebruikt of dat het is gebruikt om een dier uit zijn lijden te verlossen ‘na de jacht’. Stichting Animal Rights is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek en kwam daartegen eerder in beroep bij de rechtbank Overijssel. Die stelde Animal Rights in het ongelijk. Animal Rights is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Volgens Animal Rights is het gebruik van een slagwapen in de jacht illegaal en is de wettelijke zorgplicht geschonden, omdat de haas op deze manier onnodig heeft geleden. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 12 juni 2026 op zitting behandeld.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon