Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 125.355
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

202207121/1/V6

Bij besluit van 3 januari 2020 (het overschrijdingsbesluit) heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant] een boete opgelegd van € 500,00 wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht en bepaald dat hij de lening voor het volgen van een inburgeringscursus moet terugbetalen. Bij brief van 20 mei 2016 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is en dat zijn inburgeringstermijn start op 4 maart 2016. [appellant] had tot en met 15 september 2019 de tijd om te voldoen aan zijn inburgeringsplicht. In het overschrijdingsbesluit heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij niet op tijd is ingeburgerd en hij daarom een boete krijgt van € 500,00. De minister heeft daarnaast bepaald dat hij de lening die [appellant] bij de Dienst Uitvoering Onderwijs heeft afgesloten niet zal kwijtschelden en [appellant] het geleende geld dus zal moeten terugbetalen. In het terugbetalingsbesluit heeft de minister [appellant] vervolgens meegedeeld dat zijn schuld € 6.590,00 bedraagt en hij maandelijks € 54,92 moet betalen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1751
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202207121/1/V6

202207489/2/R2

Bij tussenuitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3232, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Weert opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen, de daarin onder 15.3, 16.4 en 17.3 omschreven gebreken in het besluit van 16 november 2022, waarbij het bestemmingsplan "Zevensprong" is vastgesteld, te herstellen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 15.3 geoordeeld dat de raad het standpunt dat het bestemmingsplan niet zal leiden tot onevenredige verkeershinder onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij achtte de Afdeling van belang dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat de omliggende wegen de toename van de verkeersbewegingen als gevolg van het plan aankunnen. [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben in hun zienswijzen te kennen gegeven dat zij zich niet met herstelbesluit kunnen verenigen. Het is onduidelijk hoe de raad de capaciteit van de omliggende wegen heeft ingeschat. Ook is de verkeersgeneratie van het plan mogelijk onderschat.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1679
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Limburg
  • uitspraakin de zaak202207489/2/R2

202300717/2/V1

Bij verwijzingsuitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, (verwijzingsuitspraak) heeft de Afdeling het Hof van Justitie verzocht om in een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de door haar gestelde vragen over het verlengen van de beslistermijn voor verzoeken om internationale bescherming in het licht van artikel 31, derde lid, derde volzin en onder b, van de Procedurerichtlijn. Dit artikelonderdeel is geïmplementeerd in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Laatstgenoemd artikelonderdeel geeft de minister de mogelijkheid om de beslistermijn van zes maanden uit artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, met hoogstens negen maanden te verlengen. De minister mag de beslistermijn verlengen als een groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt (asielverzoek), waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is om de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. De minister heeft de beslistermijn met het Wijzigingsbesluit Vc 2000 van 21 september 2022, geldend vanaf 27 september 2022 (WBV 2022/22), met negen maanden verlengd. Dit besluit geldt voor alle asielverzoeken waarvan de wettelijke beslistermijn nog niet was verstreken op 27 september 2022 en die zijn ingediend tot 1 januari 2023. In deze einduitspraak beantwoordt de Afdeling met inachtneming van het arrest Zimir de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn voor asielzaken van zes maanden met negen maanden mocht verlengen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1749
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202300717/2/V1
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202300717/2/V1

202301323/1/R1

Bij besluit van 22 december 2022 heeft de raad van de gemeente Purmerend het bestemmingsplan "Vredenburghweg" vastgesteld. Het plan voorziet in de realisatie van drie recreatiewoningen en een beheerderswoning op een perceel dat aan de zuidzijde van het perceel [locatie 1] te Zuidoostbeemster grenst. Op het perceel staat nu nog een druivenkas, met een oppervlakte van ongeveer 360 m2. Het perceel wordt gebruikt als volkstuin. Parallel aan de oostkant van het perceel lopen een watergang en de Vredenburghweg. Ten oosten van de weg ligt het bedrijf van [appellant sub 2] met ten oosten daarvan de A7. Aan de westzijde van het perceel met de kas en de volkstuinen liggen akkers en staan diverse bosschages. Ten zuiden van het perceel liggen meer volkstuintjes, waarop enkele gebouwtjes staan en boomgaarden aanwezig zijn.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1738
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202301323/1/R1

202302333/1/A2

Bij besluit van 22 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van € 20.000,00, wegens omzetting van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte zonder vergunning. Het college heeft op basis van een inspectie op 14 oktober 2019 geconcludeerd dat de woning aan de [locatie] in Den Haag (de woning) is omgezet van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte voor vier of meer personen, zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. Dat is in strijd met het artikel 5:2, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (de Hv), in samenhang gelezen met artikel 21, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 (de Hw) en artikel 5:1, eerste lid, van de Hv (het omzettingsverbod). Het college heeft bij besluit van 19 december 2019 [appellante], eigenaar van de woning, gelast om die overtreding voor 21 januari 2020 te beëindigen en beëindigd te houden. Het college heeft daarbij bepaald dat als [appellante] niet aan de last voldoet, zij een dwangsom ter hoogte van € 5.000,00 moet betalen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1734
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202302333/1/A2

202302704/1/R1

Bij besluit van 24 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren aan [partij A] een omgevingsvergunning verleend voor een periode van tien jaar voor het gebruik van een woonboot en de aanleg van een daarbij behorende drijvende steiger, golfbreker en twee parkeerplaatsen, ter hoogte van de [locatie] in Loosdrecht. [partij A] is eigenaar van een woonboot. Die woonboot lag voorheen aan de Spinaker in Loosdrecht, maar moest daar weg vanwege ontwikkeling van dat gebied. In overleg met het college heeft [partij A] een aanvraag om omgevingsvergunning gedaan om de woonboot te mogen afmeren aan de Boegspriet in Loosdrecht, ter hoogte van [locatie], in afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorpscentrum Oud-Loosdrecht". Het gaat bij die aanvraag mede om het realiseren van een bijbehorende steiger, golfbreker en twee parkeerplaatsen. [appellant] en andere wonen alle in de omgeving, of zijn daar gevestigd. Zij zijn tegen de komst van de woonboot, met name omdat die in hun uitzicht komt te liggen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1707
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Project strijd bestemmingsplan
  • uitspraakin de zaak202302704/1/R1

202302931/1/A2

Bij besluit van 27 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] een last onder dwangsom ter hoogte van € 10.000,00 opgelegd, wegens omzetting van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte zonder vergunning. Het college heeft op basis van een inspectie op 18 februari 2020 geconcludeerd dat de woning aan de [locatie] in Den Haag (de woning) als onzelfstandige woonruimte wordt bewoond door meer dan drie personen, zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. Dat is in strijd met het artikel 5:2, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (de Hv), in samenhang gelezen met artikel 21, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 (de Hw) en artikel 5:1, eerste lid, van de Hv (het omzettingsverbod). Het college heeft bij besluit van 9 april 2020 [appellante], eigenaar van de woning, gelast om die overtreding voor 2 juni 2020 te beëindigen en beëindigd te houden. Het college heeft daarbij bepaald dat als [appellante] daaraan niet voldoet, zij een dwangsom ter hoogte van € 5.000,00 moet betalen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1729
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202302931/1/A2

202303047/1/R3 en 202404821/1/R3

Bij besluit van 1 oktober 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen aan Stichting Querido Groningen een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een appartementencomplex voor minder mobiele senioren, voorzien van een parkeerkelder, een (wijk)restaurant en (zorg)voorzieningen op het perceel Van Ketwich Verschuurlaan 92 in Groningen. Er kunnen 145 woningen worden gebouwd. Omwonenden kwamen eerder tegen de vergunning in beroep bij de rechtbank. Die vernietigde de vergunning en droeg het college van B&W opnieuw te beslissingen op de vergunningaanvraag. Tegen deze uitspraak is het college in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Ter uitvoering van de uitspraak heeft het college in juli 2024 wederom de vergunning verleend voor het appartementencomplex. Omwonenden zijn het hier nog steeds niet mee eens. Ze vrezen parkeeroverlast. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 27 november 2025 op zitting behandeld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1750
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202303047/1/R3 en 202404821/1/R3

202303293/1/R4

Bij besluit van 28 februari 2023 heeft de raad van de gemeente Beuningen besloten het bestemmingsplan "Kennedysingel - Notaris Stephanus Roesstraat Winssen" niet vast te stellen. [appellant] is eigenaar van het perceel op de hoek van de Kennedysingel en de Notaris Stephanus Roesstraat in Winssen. Hij heeft de wens het op het perceel gelegen bedrijfspand te slopen en daarvoor in de plaats drie rijwoningen en zes appartementen te realiseren, bedoeld voor de verhuur in het middenhuur segment. [appellant] wil aan de zijde van de Kennedysingel een hoofdgebouw in de vorm van een T-boerderij bouwen en aan de zijde van de Notaris Stephanus Roesstraat een notariswoning. Verder is op het perceel een bijgebouw met garageboxen voorzien. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte aan het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen onder meer ten grondslag heeft gelegd dat het bestemmingsplan niet voldoet aan het 10 punten plan, voor zover het de daarin opgenomen groennorm en de vereisten voor natuurinclusief bouwen betreft.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1692
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202303293/1/R4

202304077/1/A3

Bij besluit van 19 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, op grond van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg), op de percelen van woningbouwlocatie Pannenschuur VI een voorlopig voorkeursrecht gevestigd. [wederpartij] exploiteert een landbouwbedrijf aan [locatie 1] en [locatie 2] in Heukelom. De gemeente wil woningbouw realiseren op de gronden ten zuidoosten van het bedrijf, direct aan de andere kant van de straat Hoog Heukelom. In verband met geurhinder op kadastraal perceel H358 moet een agrarisch bedrijfsgebouw van [wederpartij] worden verplaatst. Daarover hebben [wederpartij] en de gemeente in 2018 een overeenkomst gesloten. Het gebied wordt in de overeenkomst aangeduid als ‘Pannenschuur Buiten’. De gemeente heeft ook plannen om woningbouw te realiseren op de locatie Pannenschuur VI. Dit gebied omvat de kadastrale percelen van [wederpartij] met nrs. H834, H988, waarop het agrarische bouwvlak rust, en H989, en de percelen ten noordoosten daarvan. Om Pannenschuur VI te kunnen realiseren, heeft de raad bij besluit van 2 juli 2020 op die percelen een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wvg gevestigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1733
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202304077/1/A3

202305276/1/A3

Bij besluit van 30 augustus 2021 heeft de staatssecretaris van Financiënhet verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen. Op 14 juni 2021 heeft [appellant] de staatssecretaris verzocht om openbaarmaking van alle informatie die direct of indirect betrekking heeft op wederzijdse rechtshulp tussen Nederland en Australië betreffende Nederlandse (rechts)personen in strafzaken betreffende fraude, witwassen en alle belasting- en douanedelicten gedurende de periode van 1 januari 2014 tot aan de datum van het verzoek. Het gaat hierbij onder meer om wederzijdse rechtshulpverzoeken (inkomend en uitgaand), correspondentie tussen de Nederlandse en de Australische autoriteiten, notities en andere documenten en informatie-uitwisseling zonder voorafgaand rechtshulpverzoek. Ook heeft [appellant] verzocht om openbaarmaking van de informatie die in het kader van het samenwerkingsverband "Joint Chiefs of Global Tax Enforcement" (het J5-samenwerkingsverband) tussen de Nederlandse en Australische autoriteiten is uitgewisseld, waaronder correspondentie, notities en andere documenten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1736
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202305276/1/A3

202306320/1/R2

Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda het wijzigingsplan "Buitengebied Zuid 2013, Sprundelsebaan 181" vastgesteld. Het wijzigingsplan maakt de aanleg van een paardenbak met lichtmasten mogelijk. [partij] heeft namelijk enkele paarden en wil de paardenbak hobbymatig gebruiken. De paardenbak met lichtmasten is er al en dit plan legaliseert dat. [appellant] woont daar vlakbij en ervaart overlast van de lichtmasten bij deze paardenbak. Hij wil dat de lichtmasten worden verwijderd. [appellant] betoogt dat het wijzigingsplan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. Hij voert hierover aan dat de situatie in de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3015, vergelijkbaar is met het voorliggende geval. Daar wilde het college dat de lichtmasten werden verwijderd om lichthinder in het buitengebied tegen te gaan. Daarnaast moesten de lichtmasten op het bedrijventerrein van [partij] aan de [locatie] zo worden afgesteld dat omwonenden geen overlast zouden ervaren.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1737
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202306320/1/R2

202306355/1/A3

Bij besluit van 3 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort op grond van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) verschillende percelen en perceelsgedeelten gelegen binnen de locatie "Doeldijk" in Montfoort, waaronder op een deel van de percelen van [appellant], een voorlopig voorkeursrecht gevestigd. [appellant] is eigenaar van [locatie 1] en [locatie 2] in Montfoort. Hier staan twee woningen onder één kap en verschillende bijgebouwen. Verder bestaan de percelen voor een groot deel uit grasland, dat hobbymatig wordt gebruikt voor het beweiden van schapen, koeien en geiten. Het voorkeursrecht is onder meer gevestigd op een deel van [appellant] perceel A 2910. De reden voor vestiging van het voorkeursrecht is dat het gebied volgens de raad kansrijk is voor de bouw van ongeveer 200-250 woningen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1730
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Wet voorkeursrecht gemeenten
  • uitspraakin de zaak202306355/1/A3

202306522/1/R2

Bij besluit van 6 juli 2023 heeft de raad van de gemeente Tilburg het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Spinder 2017, partiële herziening" (het bestemmingsplan) vastgesteld. De Spinder, in het noorden van Tilburg, nabij de Midden-Brabantweg. Op De Spinder vindt gespecialiseerde afvalverwerking plaats. Het bestemmingsplan voorziet in het uitsluiten van nieuwe mestbewerkingsbedrijven op De Spinder en in het uitsluiten van uitbreiding van het daar gevestigde, bestaande mestbewerkingsbedrijf. Dit is, volgens de bij het bestemmingsplan behorende toelichting, gebeurd door het opnemen van een verbod in de bestemmingsbeschrijving en een expliciet verbod bij de gebruiksregels. VBT en Deponie Zuid betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat het ten onrechte de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het perceel waarop de mestvergistingsinstallatie in aanbouw is, beperkt. Volgens hen wordt deze beslissing van de raad niet gedragen door een deugdelijke motivering.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1735
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202306522/1/R2

202306688/1/R2

Bij besluit van 17 juni 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen een overtreding van de omgevingsvergunning voor een dakopbouw aan de [locatie] in Breda, afgewezen. [appellante] heeft bij het college een verzoek tot handhaving gedaan omdat de dakopbouw van haar buren [partij A] en [partij B] niet in overeenstemming met de omgevingsvergunning is gebouwd. [partij A] en [partij B] hebben deze dakopbouw in 2022 op het dak van hun woning geplaatst. De dakopbouw is groter dan de vergunning toestaat en steekt een aantal centimeters uit over de erfgrens, waardoor er een overtreding is. Het college vindt handhaven onevenredig, omdat de aard en de omvang van de overtreding gering is. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag of de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat handhaven in dit geval onevenredig is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1731
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202306688/1/R2

202400933/1/R1

Bij besluit van 19 december 2023 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg het projectplan "Gebiedspilot Eckeltsebeek" opnieuw vastgesteld. Het projectplan is opgesteld om het beeksysteem van de Eckeltsebeek toekomstbestendig in te richten. Het dagelijks bestuur heeft daarvoor een maatregelenpakket samengesteld. Het projectgebied ligt in de gemeente Bergen (Limburg), in en rondom het Natura 2000-gebied Maasduinen. [appellant] exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [locatie] in Bergen. Hij heeft onder meer landbouwgronden in gebruik die in het beekdal van de Eckeltsebeek en de Horsterbeek liggen. Het waterschap heeft de Eckeltsebeek in 2005 heringericht. De beek is toen stroomafwaarts van de percelen van [appellant] meanderend gemaakt, waardoor de waterstand van de beek ter plaatse van zijn percelen verhoogd is. Dit heeft tot vernatting van deze landbouwpercelen geleid en daarvoor heeft [appellant] een schadevergoeding ontvangen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1693
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Waterschapszaken
  • uitspraakin de zaak202400933/1/R1

202401017/2/R4

In de tussenuitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5347, heeft de Afdeling het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vechtopgedragen om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van het college van 4 januari 2024 te herstellen, met inachtneming van wat over dat gebrek in de tussenuitspraak is overwogen. Op 30 december 2025 heeft het college het besluit van 4 januari 2024 van een aanvullende motivering voorzien. De Afdeling heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 4 januari 2024 niet berust op een deugdelijke motivering. Op grond van artikel 40.2 van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied West" mag het college namelijk de gevraagde omgevingsvergunning alleen weigeren als de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden van het gebied door de aangevraagde werkzaamheden blijvend onevenredig worden aangetast.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1696
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202401017/2/R4

202402414/1/R4

Bij besluit van 9 mei 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel aan Woningstichting Maasdriel (WSM) een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van 23 tijdelijke woningen aan de Bussenerweg in Kerkdriel. De omgevingsvergunning is aan WSM verleend voor het bouwen van 23 woningen aan de Bussenerweg in Kerkdriel voor de duur van vijftien jaar. Omdat dit niet past binnen de ter plaatse geldende agrarische bestemming van het bestemmingsplan "Kerkdriel en Hoenzadriel 2013", heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan afgeweken. De woningen zijn bedoeld als uitwijklocatie voor bewoners die tijdelijk hun huurwoning in Kerkdriel moeten verlaten, onder andere in verband met renovatie of herstructurering en voor personen met een directe woonvraag, zoals spoedzoekers en statushouders. [appellant] woont aan de [locatie] in Kerkdriel, op een afstand van ongeveer 300 m van de locatie voor de woningen. Hij vreest met name voor nadelige verkeerskundige gevolgen. Het verkeer van en naar de nieuwe woningen wordt afgewikkeld via de Paterstraat. [appellant] wil dat deze straat als 30 km/uur-weg wordt aangewezen en dat er een verbod voor vrachtverkeer komt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1676
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202402414/1/R4

202402421/1/R2

Bij besluit van 26 oktober 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe de aanvraag van HoST voor een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) afgewezen, omdat een vergunning niet nodig is. HoST heeft een natuurvergunning aangevraagd voor de bouw en exploitatie van een vergistingsinstallatie met gasopwerking tot aardgaskwaliteit, en de bouw en exploitatie van een houtgestookte verbrandingsinstallatie met productie van warmte en elektra (WKK-installatie) aan de Gantel 37 in Klazienaveen. In deze procedure gaat het over de NOx-emissie van de WKK-installatie. HoST heeft in de aanvraag kenbaar gemaakt dat de NOx-emissie van de WKK-installatie kan worden teruggebracht tot 3,5 mg NOx/Nm3 door de inzet van drie emissiereducerende technieken. De emissiereducerende technieken die HoST gaat toepassen zijn: de Selective Non-Catalytic Reduction (SNCR), Selective Catalytic Reduction (SCR) en een rookgascondensator.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1705
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Natuurbescherming
  • uitspraakin de zaak202402421/1/R2

202402790/1/A2

Bij besluit van 26 januari 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellant] om overname van zijn private schulden afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). [appellant] is een erkend gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van de hersteloperatie toeslagen verzocht om overname van zijn private schulden. Het gaat om drie schulden van in totaal € 56.000,00, die hij is aangegaan bij familieleden. De minister heeft de over te nemen schulden aangemerkt als informele schulden als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Niet is voldaan aan de voorwaarde dat die informele schulden zijn vastgelegd in een notariële akte of volgen uit een rechterlijke uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1746
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202402790/1/A2

202402983/1/A3

Bij besluit van 3 oktober 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid afgewezen. [appellant] heeft het college verzocht om openbaarmaking van een specifiek gespreksverslag en overige stukken, waaronder correspondentie, tussen het Kabinet van de commissaris van de Koning en de voormalig burgemeester van Gemert-Bakel. Het college heeft dit verzoek afgewezen omdat het gespreksverslag niet is aangetroffen en de overige stukken allemaal al openbaar zijn gemaakt naar aanleiding van eerdere procedures van [appellant]. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe naar het gespreksverslag is gezocht en dat dit onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Het is daarom niet ongeloofwaardig dat het college niet beschikt over het gespreksverslag.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1708
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202402983/1/A3

202403158/1/A3

Bij besluit van 15 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk beslist op het verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob). Op 24 april 2021 heeft [appellant] bij het college een verzoek gedaan op grond van de Wob. Het verzoek ziet op documenten over de aanwezigheid van asbesthoudende materialen in zijn huurwoning. Met het besluit van 15 november 2021 heeft het college het rapport van de melding Asbestverwijdering van 16 oktober 2018 openbaar gemaakt. In bezwaar heeft [appellant] gespecificeerd dat zijn verzoek ook ziet op documenten uit de jaren na 2018, die hebben geleid tot de (al dan niet) verwijderde asbest in 2021. In het besluit van 26 juli 2022 heeft het college nog drie documenten openbaar gemaakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1732
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202403158/1/A3

202403434/1/A3

Bij besluit van 15 februari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag van [appellante] om een bewonersparkeervergunning afgewezen. [appellante] woont aan de [locatie] in Amsterdam. Zij heeft op 2 februari 2023 voor haar adres een bewonersparkeervergunning aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Volgens het college kunnen namelijk in het gebied waarvoor de vergunning is aangevraagd geen parkeervergunningen worden verleend. Het adres van [appellante] ligt in deelvergunninggebied West-6.2 en daar is het vergunningenplafond op nul gesteld. Uit artikel 32, vierde lid, van de Parkeerverordening 2013 (hierna: Parkeerverordening) volgt volgens het college dat een parkeervergunning moet worden geweigerd als het vergunningenplafond van het vergunninggebied is bereikt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1728
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202403434/1/A3

202403922/1/A2

Bij besluit van 7 oktober 2022, kenmerk [...].T.SC.22.2, heeft de Belastingdienst/Toeslagen (thans: de Dienst Toeslagen) het kindgebonden budget van [appellant] over 2019 herzien naar € 1.150,00 en € 3.728,00 aan uitgekeerde voorschotten teruggevorderd. Deze zaak gaat over het kindgebonden budget dat [appellant] ontving voor twee van zijn kinderen. Een voorwaarde voor toekenning van het kindgebonden budget is dat [appellant] kinderbijslag ontvangt van de Sociale Verzekeringsbank. De SVB heeft bij besluit van 14 september 2022 de kinderbijslag van [appellant] met ingang van 31 maart 2019 vastgesteld op nihil. [appellant] heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen de besluiten van de SVB.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1741
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202403922/1/A2

202404373/1/A3

Bij besluiten van 15 februari 2022 heeft de burgemeester van Venlo lasten onder dwangsom opgelegd aan [appellant A] en [appellant B]. Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie worden [appellant A] en [appellant B] verdacht van drugshandel op straat. Daarop heeft de burgemeester hun beiden een last onder dwangsom opgelegd om zich te onthouden van handelen in strijd met artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: de Apv). Ingevolge dit artikel is het onder meer verboden je op straat te begeven met het kennelijke doel drugs te verhandelen. Als ze de last overtreden verbeuren ze een dwangsom van € 5.000,- per overtreding met een maximum van € 20.000,-.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1709
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202404373/1/A3

202404555/1/R3

Bij besluit van 28 juni 2022 heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd om de overtredingen op de percelen naast [locatie] in Hazerswoude-Dorp te beëindigen en beëindigd te houden. [appellant] is eigenaar van percelen naast het adres [locatie]. Hij woont daar in een tot woning verbouwde boogkas. Op de percelen staat ook een zeecontainer en zijn bedrijfsmaterialen voor een stratenmakersbedrijf opgeslagen. Omdat er geen omgevingsvergunning voor het verbouwen van de boogkas is verleend en het gebruik van de percelen plaatsvindt in strijd met de beheersverordening "Buitengebied Rijnwoude 2015" heeft het college bij besluit van 28 juni 2022 een last onder bestuursdwang opgelegd tot het beëindigen van het strijdige gebruik en het verwijderen van de woonruimte, de zeecontainer en de opgeslagen bedrijfsmaterialen. Daarbij heeft het college bepaald dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang op [appellant] zullen worden verhaald. [appellant] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarna beroep ingesteld tegen het besluit van 23 november 2022 waarin het bezwaar ongegrond is verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1740
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202404555/1/R3

202404629/1/V2

Bij besluit van 7 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Appellant is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Turkse nationaliteit. Zij heeft vóór de mislukte couppoging van 15 juli 2016, waarvoor de Turkse autoriteiten de Gülenbeweging verantwoordelijk houden, in Turkije onderwijs gevolgd aan verschillende aan die beweging verbonden scholen. Ook heeft zij religieuze bijeenkomsten van de Gülenbeweging, genaamd ‘sohbets’, bijgewoond. In 2021 is appellant met een studievisum van Turkije naar Peru gereisd, waar zij ruim een jaar en vier maanden heeft verbleven en vrijwilligerswerk in naam van de Gülenbeweging heeft verricht. Volgens appellant hebben de Turkse autoriteiten daar foto’s van haar genomen en hebben zij vervolgens in Turkije een foto van haar getoond aan de moeder van een vriendin. In 2022 is appellant naar Nederland vertrokken, waar zij inmiddels als vrijwilliger actief is voor de aan de Gülenbeweging verbonden stichting Animo. Verder is de vader van appellant in augustus 2016 in Turkije veroordeeld wegens betrokkenheid bij de Gülenbeweging en in maart 2023 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Appellant heeft over hem verklaard dat hij vóór de mislukte coup algemeen directeur was van een aantal aan de Gülenbeweging verbonden internaten en dat hij binnen die beweging de functie van ‘abi’, oftewel studentenleider, bekleedde.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1743
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202404629/1/V2
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202404629/1/V2

202404797/1/A2

Bij besluiten van 15 april en 20 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de bekostiging met betrekking tot de personele kosten voor de 222 schoolbesturen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor speciaal onderwijs over de maanden augustus tot en met december 2022 (de overgangsperiode) vastgesteld. Deze procedure gaat over de vraag of de staatssecretaris in de Overgangsregeling het juiste bekostigingspercentage voor de overgangsperiode augustus-december 2022 heeft gehanteerd. Volgens de schoolbesturen had de staatssecretaris hen voor die overgangsperiode voor een evenredig deel, dus voor 41,67% (8,33% x 5 maanden), moeten toekennen. De overgangsperiode zou derhalve als afzonderlijke periode moeten worden bekostigd. Volgens de staatssecretaris hadden de schoolbesturen over de overgangsperiode evenwel slechts aanspraak op 34,55% aan bekostiging. Over de eerste zeven maanden van kalenderjaar 2022 hadden zij immers al 65,45% aan bekostiging ontvangen, zodat tezamen met de 34,55% over augustus-december 2022 volledige bekostiging over 2022 had plaatsgevonden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1747
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Onderwijs
  • uitspraakin de zaak202404797/1/A2
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202404797/1/A2

202405234/1/A3

Bij besluit van 23 februari 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante een boete van € 900,- opgelegd vanwege overtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De minister heeft aan [appellante] een boete van € 900,- opgelegd omdat is geconstateerd dat bij een asbestsanering is gewerkt met een werkbak zonder dat daarvoor een afzonderlijke melding via het daarvoor bestemde portaal was gedaan. Volgens de minister is dit een overtreding van het bepaalde in artikel 7.23d, vierde lid, van het Arbobesluit. Het geschil dat partijen verdeeld houdt is dat [appellante] meent dat hij niet gehouden is een afzonderlijke melding te doen en dat voldoende is dat hij het werken met de werkbak meldt via hetzelfde formulier als de melding voor het verwijderen van asbest.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1710
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202405234/1/A3

202405371/1/A3

Het college van gedeputeerde staten van Fryslân heeft met het besluit van 1 februari 2005 op grond van de toen geldende Flora- en faunawet besloten dat verwilderde katten bejaagd mogen worden ter voorkoming van schade aan de fauna. Op 21 januari 2022 heeft de Stichting het college verzocht om deze opdracht in te trekken. Volgens de Stichting is de opdracht namelijk in strijd met meerdere uitgangspunten van de Nota Faunabeleid Fryslân van 26 mei 2021. Als een van de uitgangspunten geldt dat in het wild levende dieren slechts worden gedood of gevangen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt. Volgens de Stichting bestaat er een alternatief voor het bejagen van verwilderde katten, namelijk vangen, castreren, op een andere plaats terugzetten en chippen. Verder is het bejagen van verwilderde katten niet proportioneel, omdat niet bekend is hoeveel verwilderde katten er in Fryslân zijn en welke schade zij aanrichten. Tot slot stelt de Stichting dat er steeds minder maatschappelijk draagvlak is voor het afschieten van dieren. Het college heeft het verzoek van de Stichting om de opdracht in te trekken afgewezen, omdat deze opdracht uit 2005 onherroepelijk is en er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wnb. Volgens het college is er namelijk met het vaststellen van de Nota geen inhoudelijke wijziging van het beleid over het verjagen van verwilderde katten ingezet.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1748
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Flora en fauna
  • uitspraakin de zaak202405371/1/A3

202405403/1/R4

Bij besluit van 4 juli 2024 heeft de raad van de gemeente Zaltbommel het bestemmingsplan "Brakel-West" en het exploitatieplan "Brakel-West" vastgesteld. Het plan maakt de bouw van maximaal 270 woningen mogelijk. Het plangebied is gesitueerd in de gemeente Zaltbommel, ten westen van het dorp Brakel. Het plangebied wordt begrensd door de Appelweg, tuinen van de woningen langs de Molensteeg, de Groenesteeg, de Weitjesweg en de Engsteeg. Binnen het plangebied zijn momenteel nog bedrijven gevestigd. In het bestreden plan zijn de bedrijfsactiviteiten wegbestemd en zijn de bedrijfswoningen bestemd als gewone woningen. Daarnaast is er onder meer ten noorden van het plangebied een bedrijf gevestigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1695
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202405403/1/R4

202405731/1/R1

Bij besluit van 3 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Noordoostpolder geweigerd het bestemmingsplan "Landelijk gebied, [locatie] te Kraggenburg" vast te stellen. Op 31 augustus 2022 heeft [appellante B] een aanvraag ingediend voor wijziging van de agrarische bestemming op het perceel [locatie] in Kraggenburg voor de huisvesting van maximaal 150 arbeidsmigranten. [appellante C] is eigenaar van het perceel en [appellante A] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [appellante B] en [appellante C] Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college een ontwerpbestemmingsplan ten behoeve van de huisvesting van maximaal 144 arbeidsmigranten ter inzage gelegd. De raad heeft geweigerd het bestemmingsplan vast te stellen. [appellante A] en anderen voeren onder meer aan dat dit besluit onvoldoende is gemotiveerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1677
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • RO - Flevoland
  • uitspraakin de zaak202405731/1/R1

202406126/1/A3

Bij afzonderlijke besluiten van 8 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hengelo de verzoeken van [appellanten] om hen in de basisregistratie personen op het adres [locatie] in Hengelo in te schrijven afgewezen. [appellanten] zijn echtgenoten en hebben beiden de Turkse nationaliteit. [appellanten] hebben het college per brief van 21 februari 2023 onder verwijzing naar de verblijfsaantekeningen in hun paspoort verzocht hen in te schrijven in de brp op het adres [locatie] in Hengelo. Het college heeft de verzoeken van [appellanten] met de besluiten van 8 maart 2023 geweigerd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellanten] niet voldoen aan de in artikel 2.4, eerste lid van de Wet basisregistratie personen neergelegde vereisten voor inschrijving, omdat zij beiden geen rechtmatig verblijf hebben in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Het college heeft zich voor dit oordeel gebaseerd op informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Volgens het college is daarbij nagegaan of [appellanten] een verblijfsrecht kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de associatieraad EEG-Turkije en bleek dit niet het geval te zijn. Verder staat op de sticker in de paspoorten van [appellanten] slechts dat er een voorlopige voorziening loopt en dat zij niet mogen werken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1742
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie
  • uitspraakin de zaak202406126/1/A3

202406674/1/A3

Bij besluit van 16 februari 2023 heeft de burgemeester van Sittard-Geleen een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant]. Volgens een bestuurlijke rapportage heeft [appellant] op straat drugs verhandeld. De burgemeester heeft hierop aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd om te voorkomen dat hij nogmaals handelt in strijd met artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening. Ingevolge dit artikel is het verboden je op de openbare weg te begeven met de kennelijke bedoeling om in verdovende middelen te handelen. Indien de last wordt overtreden verbeurt [appellant] een dwangsom van € 5.000,- per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 20.000,-. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester uit mocht gaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportage waaruit volgt dat [appellant] door een dienstdoende agent is gezien terwijl hij op straat drugs verkocht. Deze rapportage geeft volgens de rechtbank voldoende onderbouwing om vast te stellen dat [appellant] artikel 2:74 van de Apv heeft overtreden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1706
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202406674/1/A3

202406912/1/A3

Bij afzonderlijke besluiten van 28 februari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem [appellant A] een last onder bestuursdwang opgelegd om de vaartuigen [vaartuig A] en [vaartuig B] te verwijderen en verwijderd te houden uit de Haarlemse wateren, voor zover er een ligplaats wordt ingenomen waarvoor een vergunning is vereist. De vaartuigen [vaartuig A] en [vaartuig B] lagen geruime tijd afgemeerd aan de passantensteiger aan het Spaarne. In 2018 is de ligplaatsvergunning voor het vaartuig [vaartuig A] ingetrokken. In 2020 heeft het college aan [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd om het vaartuig [vaartuig A] te verwijderen of verwijderd te houden uit de Haarlemse wateren, voor zover er een ligplaats wordt ingenomen of wordt afgemeerd zonder vergunning, ontheffing of aanwijzing van het college.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1727
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406912/1/A3

202407037/1/V2

Bij besluit van 17 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Betrokkene heeft de Turkse nationaliteit. Vóór de mislukte couppoging van 15 juli 2016 werkte hij in Turkije als leraar op een school die verbonden was aan de Gülenbeweging en vlak na de couppoging per decreet is gesloten. In 2018 zijn de Turkse autoriteiten een onderzoek naar betrokkene gestart wegens betrokkenheid bij die beweging, nadat een spijtoptant zijn naam in een verklaring had genoemd. De autoriteiten hebben betrokkene daarna langere tijd in de gaten gehouden. In 2021 is hij aangeklaagd wegens lidmaatschap van de terroristische organisatie FETÖ en is tegen hem een uitreisverbod uitgevaardigd. Betrokkene is in januari 2022 vrijgesproken wegens een gebrek aan bewijs. Toen is ook zijn uitreisverbod opgeheven. In september 2022 is betrokkene naar Georgië gereisd, waar hij vier maanden heeft verbleven. Betrokkene heeft in januari 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij niet naar Turkije kan terugkeren, omdat hij vreest dat de Turkse autoriteiten inmiddels opnieuw een onderzoek naar hem zijn gestart of nog zullen starten wegens zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1607
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202407037/1/V2
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202407037/1/V2

202407252/1/A2

Bij besluit van 5 oktober 2023 heeft de de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond een aanvraag van [appellante] voor een urgentieverklaring ingewilligd. [appellante] woont aan de [locatie] D in Rotterdam. Zij heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring, omdat haar huidige woning niet langer voldoet vanwege haar medische problemen. Een arts van het team Sociaal Medische Advisering van de gemeente Rotterdam (de arts) heeft op verzoek van de SUWR advies uitgebracht over de situatie van [appellante]. De conclusie van de arts was dat [appellante] medische beperkingen in traplopen ondervindt en op zeer korte termijn (binnen drie maanden) zou moeten verhuizen. De SUWR heeft bij besluit van 5 oktober 2023 de urgentieverklaring toegewezen op basis van 'medische noodzaak' met als zoekprofiel: gelijkvloerse flatwoning met lift met een maximale kale huurprijs van € 647,19. De urgentieregio is Hart van Rotterdam. Met het besluit van 19 februari 2024 heeft de SUWR haar besluit van 5 oktober 2023 gehandhaafd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1699
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202407252/1/A2

202500524/1/A2

Bij besluit van 26 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem besloten om in de Van Beethovenstraat in Gorinchem ter hoogte van de zijgevel van de woning aan de Hellendaelsingel 15 twee parkeerplaatsen te realiseren, waarbij het doel van parkeren is om elektrische voertuigen op te laden. [appellant] woont aan de [locatie] in Gorinchem. De beoogde locatie van de laadpaal ligt dicht bij zijn woning. Het college heeft aan het besluit van 5 juli 2023 ten grondslag gelegd dat het doen van extra feitelijk onderzoek om de parkeerdruk inzichtelijk te maken in deze situatie niet proportioneel en onvoldoende relevant is. De parkeerdruk zal licht toenemen, omdat geparkeerde auto’s aan de extra voorwaarde moeten voldoen dat zij aan het opladen zijn op de aangewezen plaats. Als zij opgeladen zijn, moeten zij een andere parkeerplaats zoeken. Omdat het parkeergedrag nagenoeg overeenkomt met het parkeergedrag bij een regulier parkeervak, is slechts sprake van een lichte verhoging van de parkeerdruk op deze locatie.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1683
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202500524/1/A2

202500580/1/A3

Bij besluit van 15 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam [appellant] vanaf 10 maart 2023 uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp). Bij besluit van 24 november 2023 heeft het college dat besluit herzien, en [appellant] vanaf 15 september 2023 uit de brp uitgeschreven. [appellant] stond sinds 7 mei 1997 ingeschreven op de [locatie] in Rotterdam. Na een melding door de buren op 25 juni 2022 over overlast van geluid en drugsgebruik op dat adres heeft de woningcorporatie een onderzoek gestart naar onderverhuur. De woningcorporatie heeft bij een huisbezoek in juli 2022 zes arbeidsmigranten aangetroffen die werkten voor een vleesverwerkingsbedrijf. De woningcorporatie heeft vervolgens het college verzocht om nader onderzoek in te stellen naar de bewoning van het adres door [appellant]. Na een adresonderzoek is het college tot de conclusie gekomen dat [appellant] niet op het adres woont, en heeft hem bij besluit van 15 november 2023 vanaf 10 maart 2023 uit de brp uitgeschreven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1716
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie
  • uitspraakin de zaak202500580/1/A3

202500657/1/A2

Bij besluit van 5 oktober 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] tot overname van haar schulden gedeeltelijk afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). De minister heeft de aanvraag tot overname van sommige schulden volledig afgewezen. Andere schulden heeft de minister slechts gedeeltelijk overgenomen. Er zijn verschillende afwijzingsgronden aan ten grondslag gelegd. Zo voldeden sommige schulden niet aan het vereiste dat (een deel van) de schuld na 31 december 2015 is ontstaan of vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Daarnaast zijn er schulden die [appellante] al (gedeeltelijk) had voldaan of niet meer openstonden op het tijdstip van de aanvraag. Ook waren er schulden waarvan niet kon worden vastgesteld dat die op naam van [appellante] staan. Tot slot waren sommige schulden geen private schulden, maar publieke schulden aan de overheid, waardoor die niet in behandeling zijn genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1684
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202500657/1/A2

202500693/1/A2

Bij besluit van 15 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellante] heeft een urgentieverklaring op grond van medische redenen aangevraagd. Zij woont met haar partner en hun - inmiddels - vier minderjarige kinderen in een tweekamerwoning in Amsterdam van 44 m². In de woning is, met name in de winter, sprake van terugkerende vocht- en schimmelvorming en lekkages. De twee middelste kinderen hebben gezondheidsklachten zoals een piepende ademhaling en hoesten, die volgens [appellante] verergeren door de vocht- en schimmelproblematiek. Zij heeft onder meer twee brieven overgelegd van een kinderarts van de polikliniek Kindergeneeskunde van het OLVG, waarin staat dat spoedig een schimmelvrije woning nodig is vanwege dreigende schade aan de gezondheid van één van de kinderen. Verder vindt [appellante] de woning ook te klein voor het gezin. De kinderen slapen in de woonkamer en zijn daardoor volgens haar overdag moe en hebben geen ruimte in de woning om - met andere kinderen - te spelen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1704
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202500693/1/A2

202501128/1/A2

Bij besluit van 12 juni 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellante] heeft een urgentieverklaring om medische redenen aangevraagd. Zij woont met haar partner en hun drie kinderen, waarvan twee minderjarig zijn, in een vierkamerwoning van 120 m² met drie bouwlagen. De jongste zoon van [appellante] heeft een autismespectrumstoornis en gaat inmiddels naar het speciaal onderwijs. [appellante] stelt dat de woning gevaarlijk voor haar zoon is, zij overbelast is door de als gevolg van de woonsituatie intensieve zorg voor haar zoon en haar medische en psychische klachten daardoor zijn toegenomen. [appellante] stelt dat zij de woning niet veilig kan maken voor haar zoon omdat zij de benodigde maatregelen, zoals het aan de muur bevestigen van hoge traphekjes, het aanbrengen van sloten op ramen en deuren en het plaatsen van een afsluitbare keukendeur, van de verhuurder niet mag uitvoeren. Een kleinere gelijkvloerse benedenwoning met een afgesloten keuken en een omheinde tuin, zal volgens haar veiliger zijn voor haar zoon.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1702
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202501128/1/A2

202501248/1/R1

Bij besluit van 11 december 2024 heeft de raad van de gemeente Echt-Susteren het bestemmingsplan "Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren" vastgesteld. [appellant] heeft agrarische percelen nabij [locatie] in Susteren. [appellant] kan zich niet vinden in de toekenning van een bouwvlak op het perceel [locatie]. [appellant] vreest voor een beperking in zijn bedrijfsvoering, aangezien hij gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Op 4 juni 2024 is een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfswoning aan de [locatie] waar eveneens door [appellant] tegen is opgekomen en die tot op heden nog niet onherroepelijk is. [maatschap] is gevestigd op het perceel en tevens vergunninghouder van de omgevingsvergunning van 4 juni 2024. Zowel de raad als [maatschap] voeren aan dat [appellant] niet-ontvankelijk is in het beroep aangezien hij zijn beroepschrift te laat heeft ingediend. Volgens de raad is geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding, omdat de vergunning expliciet is benoemd in de Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen en [appellant] het vastgestelde plan had moeten raadplegen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1726
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Limburg
  • uitspraakin de zaak202501248/1/R1

202501259/1/A2

Bij drie afzonderlijke besluiten van 14 december 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant sub 2] drie boetes opgelegd van elk € 20.000,00 voor het in gebruik geven van drie woningen aan personen die niet over een huisvestingsvergunning beschikten. [appellant sub 2] is eigenaar en verhuurder van de woningen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Den Haag. Inspecteurs van de Haagse Pandbrigade hebben op 8 november 2022 geconstateerd dat deze woningen in gebruik zijn gegeven zonder dat een huisvestingsvergunning aan de huurders was verleend. Volgens het college was een huisvestingsvergunning vereist omdat de woningen elk minder dan 185 huurpunten hebben. Op basis van de resultaten van de inspectie van de Haagse Pandbrigade heeft het college geconcludeerd dat [appellant sub 2] de woningen in strijd met artikel 8, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 (Hw) en artikel 2.2 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (Hv 2019) aan personen in gebruik heeft gegeven zonder de daarvoor benodigde huisvestingsvergunning.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1713
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202501259/1/A2

202501500/1/A3

Bij besluit van 30 januari 2024 (de Afdeling leest: 2025) heeft de burgemeester van Amsterdam opnieuw een besluit genomen op het bezwaar van [appellant]. [appellant] is eigenaar van het bedrijfspand aan de [locatie 1]-[locatie 2] in Amsterdam. Daarnaast was [appellant] bestuurder en enig aandeelhouder van Schoonmaak- en Uitzendorganisatie HBS B.V. (HBS) die in het bedrijfspand was gevestigd. Op 14 augustus 2018 is vanaf de openbare weg met een op een AK47 gelijkend automatisch vuurwapen enige tientallen keren op het bedrijfspand geschoten. Op dezelfde dag heeft de politie bij onderzoek aan de achterzijde van het bedrijfspand, eveneens aan de openbare weg, een op scherp staande handgranaat aangetroffen. De burgemeester heeft naar aanleiding hiervan het bedrijfspand bij besluit van 15 augustus 2018 vanaf 14 augustus 2018 voor onbepaalde tijd gesloten op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Bij besluit van 20 december 2018 heeft de burgemeester het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1725
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202501500/1/A3

202501555/1/A2

Bij besluit van 24 juli 2023 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven de aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldmisdrijven (Schadefonds) afgewezen. [appellante] is tussen 1990 en 1994 slachtoffer geworden van huiselijk geweld, bestaande uit mishandelingen, seksueel misbruik en bedreigingen met geweld, gepleegd door haar ex-partner. Daarvoor heeft zij verzocht om een uitkering uit het Schadefonds. De CSG heeft, ter uitvoering van de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1385, bij besluit van 1 oktober 2021 op grond van letselcategorie 4 een uitkering van € 10.000,00 toegekend. [appellante] heeft de CSG verzocht om een aanvullende uitkering uit het Schadefonds, te weten een uitkering behorende bij letselcategorie 5. Zij stelt dat haar psychische klachten sinds 1 oktober 2021 zijn verergerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1724
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202501555/1/A2

202501574/1/V2

Bij besluit van 11 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Appellant heeft de Turkse nationaliteit. Hij was vóór de mislukte couppoging van 15 juli 2016, waarvoor de Turkse autoriteiten de Gülenbeweging verantwoordelijk houden, in Turkije actief voor die beweging. Om die reden is hij in 2019 gearresteerd en strafrechtelijk vervolgd. Appellant is in 2021 vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Nadat appellant had vernomen dat tijdens een verhoor van een vriend door de Turkse autoriteiten zijn naam ter sprake was gekomen, heeft hij in mei 2023 Turkije verlaten en op 18 mei 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij vreest dat hij bij terugkeer naar Turkije opnieuw zal worden gearresteerd en strafrechtelijk zal worden vervolgd. Tijdens zijn verblijf in Nederland is appellant erachter gekomen dat ook tijdens het verhoor van een andere vriend zijn naam is genoemd. De minister heeft geloofwaardig geacht dat appellant in Turkije strafrechtelijk is vervolgd wegens zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Appellant valt daarmee onder de groep "(toegedichte) Gülenaanhangers" waarvoor een risicoprofiel geldt. De minister heeft zich echter op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije opnieuw zal worden vervolgd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1739
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202501574/1/V2
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202501574/1/V2

202501753/1/A2

Bij besluit van 11 januari 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd om een private schuld van [appellante] over te nemen. [appellante] is gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om overname van een schuld aan [schuldeiser] (schuldeiser en thans haar echtgenoot) van € 95.000,00. De minister heeft geweigerd deze schuld over te nemen, omdat sprake is van een informele schuld en niet aan de voorwaarden voor overname daarvan is voldaan. De afwijzing van deze aanvraag is in bezwaar gehandhaafd, omdat de informele schuld aan de schuldeiser niet is vastgelegd in een notariële akte of blijkt uit een rechterlijke uitspraak, zodat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 4.1, derde lid onder b, van de Wht. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat volgens de minister de huwelijkse voorwaarden van 2020 prevaleren boven de geldleningsovereenkomst van 2018, omdat deze later zijn opgesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1703
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202501753/1/A2

202501758/1/A2

Bij besluit van 9 april 2023 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen een aanvraag van [appellant] om vergoeding van waardedaling van een woning afgewezen. [appellant] is sinds 20 juli 1994 voor 100% eigenaar van de woning aan [locatie] in Annerveenschekanaal (postcodegebied [...]). Op 5 maart 2023 heeft het Instituut de aanvraag van [appellant] om vergoeding van waardedaling ontvangen. Het Instituut heeft de aanvraag afgewezen, omdat de woning valt buiten het gebied waarvan is vastgesteld dat de waardedaling door gaswinning uit het Groningenveld of de gasopslag Norg wordt veroorzaakt. Dit besluit van 9 april 2023 is gehandhaafd bij besluit van 19 maart 2024. De rechtbank is van oordeel dat de keuze van het Instituut voor het op abstracte (modelmatige) wijze berekenen van waardedaling van woningen in het aardbevingsgebied en de daarmee samenhangende bepaling van de omvang van het waardedalingsgebied volgens de methode van Atlas redelijk en aanvaardbaar is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1687
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202501758/1/A2

202501829/1/A2

Bij besluit van 8 januari 2022 heeft de Dienst Toeslagen de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag over 2019 vastgesteld op € 976,00 aan zorgtoeslag voor [appellant B] en € 3.168,00 aan huurtoeslag voor [appellant A] en [appellant B], en daarbij € 209,00 aan te veel ontvangen zorgtoeslag en € 356,00 aan te veel ontvangen huurtoeslag teruggevorderd. De zaak gaat over de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag van [appellant A] en [appellant B] over 2019 en de terugvordering van in totaal € 565,00 aan te veel ontvangen toeslagen. [appellant A] en [appellant B] ontvangen een Wajong-uitkering, aangevuld met toeslagen en een bijstandsaanvulling tot het niveau van een echtpaar. Naar aanleiding van wijzigingen in de aangifte inkomstenbelasting heeft de Dienst Toeslagen meerdere malen, uiteindelijk vier keer, besluiten genomen over de hoogte van de zorg- en huurtoeslag over 2019. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de terugvorderingen waar deze zaak over gaat. De Dienst Toeslagen heeft de toeslagen herzien naar aanleiding van het definitief hoger vastgestelde gezamenlijke toetsingsinkomen van [appellant A] en [appellant B].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1722
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202501829/1/A2

202501843/1/A2

Bij besluit van 5 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] voor het jaar 2023 een voorschot zorgtoeslag € 777,00, een voorschot kindgebonden budget van € 4.988,00 en een voorschot huurtoeslag van € 310,00 toegekend. Daarbij heeft de Dienst Toeslagen € 1.301,00, € 818,00 en € 371,00 aan te veel uitbetaalde voorschotten teruggevorderd. [appellant] ontving toeslagen ter aanvulling op haar inkomen. Naar aanleiding van wijzigingen in het vastgestelde toetsingsinkomen heeft de Dienst Toeslagen de eerder toegekende voorschotten herzien, wat heeft geleid tot terugvorderingen. De zaak gaat over de vraag of de Dienst Toeslagen de voorschotten zorg- en huurtoeslag en kindgebonden budget 2023 op goede gronden heeft herzien naar € 777,00 respectievelijk € 4.988,00 en € 310,00 en het te veel aan betaalde voorschotten heeft teruggevorderd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1753
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202501843/1/A2

202502082/1/A2

Bij besluit van 21 februari 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] tot overname van haar private schulden afgewezen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de schuld bij de vader een informele schuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak. Daardoor kan niet worden vastgesteld of de schuld (nog) bestaat en wat daarvan de betalingsafspraken zijn. De door [appellante] overgelegde stukken zijn daartoe onvoldoende. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan kan worden afgeweken van het vereiste dat een informele schuld in een notariële akte moet zijn vastgelegd. [appellante] betoogt dat het tegenwerpen van het ontbreken van een notariële akte in strijd is met het doel van het herstelproces. Daarnaast heeft [appellante] wel een onderhandse akte overgelegd waaruit de schuld blijkt. Op grond van artikel 157, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is dit dwingend bewijs.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1685
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202502082/1/A2

202502121/1/V6

Bij besluit van 3 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. [appellant] heeft de Tunesische nationaliteit. De minister van Asiel en Migratie heeft hem met ingang van 25 mei 2017 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn partner. Bij besluit van 29 juni 2021 heeft de minister van Asiel en Migratie deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 21 december 2020, de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is opgesteld en [appellant] niet meer aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning voldeed. In hetzelfde besluit heeft de minister van Asiel en Migratie een verzoek van [appellant] tot wijziging van de beperking naar verblijf bij zijn kind afgewezen. De minister van Asiel en Migratie heeft het bezwaar van [appellant] tegen dit besluit op 6 mei 2022 gegrond verklaard en heeft in hetzelfde besluit op bezwaar met terugwerkende kracht vanaf 11 april 2022 hem de gevraagde wijziging verleend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1691
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Nederlanderschap
  • uitspraakin de zaak202502121/1/V6

202502212/1/A3

Bij besluiten van 2 augustus 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] een bestuurlijke boete van € 16.000,00 en een waarschuwing preventieve stillegging van werk opgelegd vanwege overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. [appellante] is een Roemeens uitzendbureau. Bij het Nederlandse bedrijf [Boomkwekerij] werken Roemeense werknemers die door de boomkwekerij worden ingeleend van [appellante]. Op 9 maart 2021 hebben inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie een werkplekcontrole uitgevoerd bij de boomkwekerij. Naar aanleiding van de controle hebben de inspecteurs een onderzoek ingesteld bij [appellante]. De inspecteurs hebben voor tien werknemers over de periode van 7 september 2020 tot en met 28 februari 2021 stukken opgevraagd. De inspecteurs konden op grond van de stukken voor acht werknemers niet vaststellen of zij conform de Wml waren uitbetaald. Daarom hebben de inspecteurs acht overtredingen vastgesteld op grond van artikel 18b, tweede lid, van de Wml. Dit is vastgelegd in het boeterapport van 31 maart 2022.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1721
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202502212/1/A3

202502459/1/A2

Bij besluit van 5 april 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd. De politie, eenheid Noord-Holland, heeft het CBR op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (de Wvw 1994) medegedeeld dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Volgens het bij die mededeling gevoegde proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2024 heeft [appellant] op diezelfde datum om 8:15 uur op de A7 met zijn auto met een gecorrigeerde snelheid van 165 km/u gereden, waar 100 km/u is toegestaan. [appellant] betoogt dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, door niet op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) te beoordelen of toepassing van de Regeling in dit geval tot onevenredige gevolgen leidt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1686
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202502459/1/A2

202502496/1/A2

Bij besluit van 12 januari 2024 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] tot overname van haar private schuld afgewezen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de schuld bij [persoon] een informele schuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak. De informele schuld voldoet daarmee niet aan de voorwaarde, bepaald in artikel 4.1, tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, onder b, van de Wht. Het rekeningoverzicht is niet met een notariële akte vergelijkbaar. Verder heeft [appellante] geen officiële stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de schuld aan [persoon] opeisbaar is geworden en wat de hoogte is van de schuld. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen bijzondere of schrijnende omstandigheden zijn op grond waarvan moet worden aangenomen dat toepassing moet worden geven aan de hardheidsclausule. Dat [appellante] ten tijde van het aangaan van de schuld bij [persoon] niet wist dat een notariële akte noodzakelijk was voor het overnemen van de schuld, maakt dit niet anders.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1682
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202502496/1/A2

202502593/1/A3

Bij besluit van 24 februari 2023 heeft de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit de exploitatievergunning van [appellant] voor het exploiteren van speelautomaten, ingetrokken. [appellant] handelt onder de naam [bedrijf] en exploiteert een bedrijf dat speelautomaten koopt, verkoopt en verhuurt. Hij beschikte hiervoor over een exploitatievergunning van 8 juni 2015. De Ksa heeft de exploitatievergunning ingetrokken op grond van artikel 30l van de Wet op de kansspelen (hierna: de Wok). Volgens de Ksa is er sprake van slecht levensgedrag zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Speelautomatenbesluit 2000. [appellant] heeft namelijk tussen 1 november 2016 en 13 augustus 2018 in een café in Spakenburg een zogenoemd cash-center geëxploiteerd. In verband met de exploitatie heeft hij een overeenkomst gesloten met Point of Sales B.V. en met de uitbater van het café. In het cash-center konden bezoekers van het café contant geld storten. Na storting ontvingen zij een ticket (met een bepaald tegoed) waarmee zij vervolgens via internet anoniem gebruik konden maken van diensten van bedrijven die zich hadden verbonden aan het systeem van betaling via deze cash-centers.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1720
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202502593/1/A3

202502802/1/A2

Bij besluit van 7 juni 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] meegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie over het jaar 2014. [appellant] heeft zich op 24 oktober 2020 gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2014. De Dienst Toeslagen heeft dit verzoek voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: de CvW). De CvW is in haar advies van 14 april 2022 tot de conclusie gekomen geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. De Dienst Toeslagen heeft onder verwijzing naar dit advies het verzoek om compensatie van [appellant] afgewezen. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft de Dienst Toeslagen onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie ongegrond verklaard. Omdat [appellant] minder opvanguren heeft afgenomen en een hoger gezinstoetsingsinkomen had, dan waar in de berekening van de voorschotten van was uitgegaan, is het recht op kinderopvangtoeslag bij definitieve beschikking verlaagd vastgesteld en is de teveel ontvangen kinderopvangtoeslag teruggevorderd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1701
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202502802/1/A2

202502907/1/A3

Bij besluit van 14 september 2023 heeft de burgemeester van Vijfheerenlanden aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het op een openbare plaats vervoeren of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen. [appellant] is door de politie staande gehouden op [datum] 2023, omstreeks 03:15 uur, omdat de kentekenplaat van zijn motorscooter vermoedelijk vals was. Bij controle in de politiesystemen bleek dat [appellant] een groot aantal registraties met betrekking tot vermogensdelicten op zijn naam heeft staan. Vanwege deze registraties en het tijdstip van de controle heeft de politie besloten om de buddyseat van de motorscooter van [appellant] te controleren. Daarin heeft de politie drie schroevendraaiers, een combinatietang, een waterpomptang, een nijptang, een zaklamp en een "Hidden Camera Finder" aangetroffen. Een Hidden Camera Finder wordt volgens de politie gebruikt voor het opsporen van verborgen camera’s. De politie heeft hiervan op 29 augustus 2023 een bestuurlijke rapportage opgemaakt. Daarin staat ook dat de burgemeester van Nieuwegein op 25 mei 2023 aan [appellant] een last onder dwangsom heeft opgelegd voor het aanwezig hebben van inbrekerswerktuigen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1719
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202502907/1/A3

202503077/1/A2

Bij besluiten van 26 juli 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] meegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 en 2011. [appellant] heeft zich op 12 februari 2021 gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2010 en 2011. De Dienst Toeslagen heeft dit verzoek voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW). De CvW is in haar advies van 7 juni 2022 tot de conclusie gekomen dat [appellant] geen recht heeft op compensatie. De Dienst Toeslagen heeft onder verwijzing naar dit advies het verzoek om compensatie van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie aan [appellant] heeft toegekend voor het jaar 2010. Omdat de tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau wettelijk verplicht was om aanspraak te kunnen maken op kinderopvangtoeslag en [appellant] destijds in de gelegenheid is gesteld om aannemelijk te maken dat aan deze eis werd voldaan, heeft de Dienst Toeslagen bij een gebrek aan bewijs van de registratie van het gastouderbureau in het Landelijk Register Kinderopvang kunnen aannemen dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1700
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503077/1/A2

202503121/1/A2

Bij besluit van 13 juli 2023 heeft de minister van Financiën geweigerd een private schuld van [appellant] over te nemen. [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft verzocht om overname van een schuld van € 20.000,00. Deze schuld komt voort uit een overeenkomst van geldlening die hij op 2 december 2011 is aangegaan. De minister heeft de schuld niet overgenomen, omdat sprake is van een privé-schuld die niet is vastgelegd in een notariële akte. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister op juiste gronden de schuld niet heeft overgenomen. Omdat de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte is niet aan het vereiste van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) voldaan. Verder blijkt uit de parlementaire stukken dat de wetgever de eis van een notariële akte bewust heeft gesteld, waardoor er voor de rechter gelet op het toetsingsverbod geen ruimte bestaat om artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht aan algemene rechtsbeginselen te toetsen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1698
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503121/1/A2

202503679/1/A2

Bij besluit van 28 april 2023 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen een aanvraag van [appellant] om vergoeding van waardedaling van een woning afgewezen. [appellant] was tot 22 november 2019 voor 100% eigenaar van de woning aan de [locatie] te Oldehove (postcodegebied [...]). Op 24 maart 2023 heeft het Instituut de aanvraag van [appellant] om vergoeding van waardedaling ontvangen. Het Instituut heeft de aanvraag afgewezen, omdat de woning valt buiten het gebied waarvan is vastgesteld dat de waardedaling door gaswinning uit het Groningenveld of de gasopslag Norg wordt veroorzaakt. Dit besluit van 28 april 2023 is gehandhaafd bij besluit van 1 december 2023. Het Instituut heeft Atlas gevraagd het waardedalingsonderzoek te actualiseren. De afbakening van het waardedalingsgebied is minder bruikbaar geworden door de verdubbeling van het aantal toegekende schadevergoedingen, onder meer op basis van de Stuwmeerregeling.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1689
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202503679/1/A2

202503817/1/A2

Bij besluit van 1 juni 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat geweigerd om aan [wederpartij] een medisch certificaat klasse 3 te verlenen. In geschil is of de minister op grond van artikel ATCO.MED.B.001 in bijlage IV, subdeel B, afdeling 1, van de Verordening (ATCO.MED.B.001) moet beoordelen of aan [wederpartij] ondanks dat hij niet normaal trichromatisch ziet toch een medisch certificaat kan worden afgegeven. Volgens [wederpartij] kan het luchtvaartgeneeskundig centrum of de luchtvaartgeneeskundige keuringsarts beoordelen of hij ondanks zijn kleurenzienstoornis de vergunde taken veilig kan uitvoeren (zie artikel ATCO.MED.B.001, onder a sub 1, onder ii, in bijlage IV, subdeel B, afdeling 1, van de Verordening (ATCO.MED.B.001, onder a sub 1, onder ii)). Volgens de minister bestaat die mogelijkheid niet.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1712
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Luchtvaart
  • uitspraakin de zaak202503817/1/A2

202504391/1/A2

Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) de aanvraag van [appellant] om een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen. [appellant] heeft een uitkering aangevraagd uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Hij heeft in 2014 lichamelijk en psychisch letsel opgelopen door een aanhouding door de politie. De aanhouding bleek achteraf te berusten op een valse aangifte van zijn ex-partner. [appellant] heeft vervolgens aangifte gedaan van (zware) mishandeling door één of meer politieambten(a)r(en). De CSG heeft de aanvraag van [appellant] afgewezen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij slachtoffer is geweest van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Dat de politie handelde naar aanleiding van een aangifte die later vals bleek, maakt niet dat het optreden van de politie daarom een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf is. Verder is niet gebleken dat de politie bij de aanhouding disproportioneel geweld heeft gebruikt. Ook volgt uit de beschikbare informatie niet dat de ex-partner met het doen van de valse aangifte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [appellant] letsel zou oplopen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1718
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202504391/1/A2

202504921/1/R4

Bij besluit van 8 mei 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 28 april 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een grote kartonnen doos die op 28 april 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel van de doos staan. [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar stelt dat zij de doos wel juist heeft aangeboden en in de ondergrondse papiercontainer heeft gedaan. Zij vermoedt dat de doos er vervolgens uit is gehaald door derden en naast de ondergrondse papiercontainer is beland.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1717
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202504921/1/R4

202505024/1/R4

Bij besluit van 23 mei 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 13 mei 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 13 mei 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) ter hoogte van de [locatie 1] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel van de doos staan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1715
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202505024/1/R4

202505032/1/A2

Bij uitspraak van 16 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4381, heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:88 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:91 van deze wet het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over een verzoek van [verzoeker] om schadevergoeding. [verzoeker] heeft de Eritrese nationaliteit. Bij de indiening van zijn asielaanvraag, op 5 november 2022, heeft hij gesteld dat hij is geboren op [geboortedatum A] 2007. De minister van Asiel en Migratie heeft naar aanleiding van een treffer in Eurodac de registratie van de geboortedatum van [verzoeker] op 29 november 2022 gewijzigd in [geboortedatum B] 1998. Volgens de minister was [verzoeker] daarom meerderjarig op het moment van zijn asielaanvraag. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers heeft hem vervolgens op 13 maart 2023 overgeplaatst van de minderjarigenopvang naar de meerderjarigenopvang. [verzoeker] heeft vervolgens op 24 mei 2023 verzocht om terugplaatsing naar een opvangvoorziening voor minderjarigen. Het COa heeft dit verzoek afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1697
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202505032/1/A2

202505188/1/A2

Bij uitspraak van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4240, heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2024 in zaak nr. 23/2079 ongegrond verklaard. [verzoeker] heeft de minister van Financiën gevraagd om schulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). De minister heeft geweigerd om een aantal van die schulden over te nemen, waaronder een schuld aan de gemeente Den Haag die voorkomt uit de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (de Tozo-schuld), een schuld aan ING Bank N.V. Incasso (de ING-schuld) en vier privéschulden. De minister heeft daarbij toegelicht dat de Tozo-schuld een publieke en geen private schuld is, waardoor hij niet bevoegd is deze op grond van artikel 4.1 van de Wht over te nemen. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de ING-schuld niet opeisbaar was voor 1 juni 2021 en dat de privéschulden niet zijn vastgelegd in notariële akten, waardoor deze schulden niet voldoen aan de eisen die voor het overnemen zijn gesteld in respectievelijk artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, en artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1694
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Herziening
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202505188/1/A2

202505569/1/R4

Bij besluit van 21 augustus 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad zijn beslissing om op 19 augustus 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 210,00, voor rekening van [appellante] komen. [appellante] stelt vanwege verhuizing vanuit Voorburg naar Zaandam niet tijdig voldoende informatie te hebben ontvangen over hoe het afvalinzamelsysteem functioneert in Zaandam en hoe de afvalpas moet worden gebruikt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1711
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202505569/1/R4

202505786/1/R4

Bij besluit van 27 juli 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 18 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een stuk karton dat op 18 juli 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] het stuk karton verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op het stuk karton staan. [appellant] betwist niet dat het stuk karton van hem afkomstig is, maar hij stelt dat niet hij, maar zijn minderjarige zoon het stuk karton naast de ORAC heeft gezet.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1714
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202505786/1/R4

202600017/1/A2

Bij beslissing van 15 november 2024 heeft de studentendecaan, namens het College van Bestuur (CvB) van de Universiteit van Amsterdam, de aanvraag van [appellant] om een bestuursbeurs afgewezen. [appellant] is in het studiejaar 2024-2025 gestart met de masteropleiding Information Studies aan de UvA. Hij heeft een bestuursbeurs aangevraagd vanwege zijn functie als algemeen lid van de Facultaire Studentenraad Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatie. De studentendecaan heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellant] niet als voltijdstudent, maar als deeltijdstudent voor de masteropleiding ingeschreven staat en daarmee niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor financiële ondersteuning. Het CvB heeft, onder verwijzing van het advies van de Geschillenadviescommissie Studentenbezwaren van 29 augustus 2025, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1680
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600017/1/A2

202600035/1/A2

Bij beslissing van 14 juli 2025 heeft de directeur van het domein Business, Finance & Law een negatief bindend studieadvies (NBSA) aan [appellante] gegeven. [appellante] is in het studiejaar 2022-2023 begonnen met de voltijds opleiding Bachelor Finance & Control aan Hogeschool Inholland. Omdat zij niet voldeed aan de norm voor het bindend studieadvies voor het eerste jaar van 50 studiepunten (EC’s) en persoonlijke omstandigheden hiervan de oorzaak waren, heeft [appellante] op 17 juli 2023 uitstel gekregen met de termijnstelling dat zij vóór 31 juli 2024 het volledige eerstejaarsprogramma van 60 EC’s moest hebben afgerond. Aan het einde van het studiejaar 2023-2024 had zij 37 EC’s behaald. Daarmee voldeed zij niet aan de termijnstelling. Vanwege haar persoonlijke omstandigheden heeft zij op 29 augustus 2024 opnieuw uitstel gekregen met de termijnstelling dat zij vóór 31 juli 2025 de 60 EC’s van het eerste jaar moest hebben behaald. In het studiejaar 2024-2025 heeft [appellante] 13 EC’s behaald. Daarmee heeft zij in totaal 50 EC’s van het eerstejaarsprogramma behaald en niet voldaan aan de tweede termijnstelling.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1688
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600035/1/A2

202600153/1/A2

Bij beslissing van 15 augustus 2025 heeft de BSA-commissie, namens de decaan van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit van Amsterdam, het verzoek van [appellant] om uitstel van het bindend studieadvies (BSA) afgewezen en aan hem een negatief BSA gegeven. [appellant] is in het studiejaar 2023-2024 gestart met de bacheloropleiding Economics and Business Economics aan de UvA. Voor deze opleiding geldt in het eerste jaar een BSA-norm van 48 studiepunten. In het studiejaar 2023-2024 heeft [appellant] 42 studiepunten gehaald en daarmee niet aan deze norm voldaan. Aan hem is toen uitstel verleend onder de voorwaarde dat hij in het studiejaar 2024-2025 de drie nog openstaande eerstejaarsvakken (totaal 18 studiepunten) moet behalen. [appellant] heeft in dat studiejaar twee eerstejaarsvakken (totaal 12 studiepunten) behaald en daarmee niet aan deze voorwaarde voldaan. Hij heeft verzocht om uitstel op grond van persoonlijke omstandigheden bestaande uit het bestuurslidmaatschap van de Marketing Association Amsterdam (MAA). De BSA-commissie heeft dit verzoek afgewezen en een negatief BSA uitgebracht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1681
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600153/1/A2

202600157/1/A2

Bij beslissing van 25 augustus 2025 heeft de directeur van het departement Farmaceutische Wetenschappen, faculteit Bètawetenschappen, een definitief negatief bindend studieadvies (NBSA) aan [appellante] gegeven. [appellante] is in september 2024 gestart met de bacheloropleiding Farmacie. Zij heeft in het studiejaar 2024-2025 7,5 studiepunten (EC’s) behaald. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de norm voor het bindend studieadvies (BSA) voor het eerste jaar van 45 EC’s. In het voorlopig studieadvies van 17 januari 2025 heeft de directeur [appellante] uitgenodigd om contact op te nemen met één van de studieadviseurs en daarbij opgemerkt dat als er bijzondere omstandigheden zijn die de studievoortgang negatief beïnvloeden, zoals langdurige ziekte, het belangrijk is om die zo snel mogelijk bij de studieadviseur te melden, zodat daar bij het BSA rekening mee kan worden gehouden. [appellante] heeft op 29 april 2025 en eind juli 2025 contact opgenomen met de studieadviseur over haar persoonlijke omstandigheden en op 20 augustus 2025 heeft zij daarover een toelichting gegeven bij de BSA-commissie.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1678
Datum uitspraak
25 maart 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600157/1/A2

202600451/1/R3 en 202600451/2/R3

Bij besluit van 21 juni 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht aan Stichting Rhiant (Rhiant) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een gebouw voor zorgappartementen (de zorgappartementen) op de Gerard Alewijnsstraat 19A-1 t/m 19A-11, 19B-1 t/m 19B-12 en 19C-1 t/m 19C-10 in Hendrik-Ido-Ambacht. De omgevingsvergunning maakt de bouw van een gebouw met zorgappartementen mogelijk. Op het terrein waar het gebouw is voorzien stond in het verleden een school. De school is ongeveer 10 jaar geleden gesloopt. Sindsdien is het terrein onbebouwd. Het vergunde gebouw wijkt op een aantal punten af van de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan "Centrum". Er wordt namelijk voor een deel gebouwd buiten het bouwvlak. Met de omgevingsvergunning worden deze afwijkingen van het bestemmingsplan vergund. [verzoeker] woont op de [locatie 1] in Hendrik-Ido-Ambacht. Het perceel van deze woning ligt op minder dan 10 m van het terrein waarop het gebouw mogelijk wordt gemaakt. [verzoeker] is daarnaast eigenaar van de garage op de [locatie 2]. Deze ligt op ongeveer 7 m van de parkeerplaatsen die bij het gebouw voor de zorgappartementen zijn voorzien. Zij kan zich niet vinden in de verleende omgevingsvergunning omdat zij onder meer vreest voor aantasting van haar woon- en leefklimaat. Daarnaast kan zij zich niet vinden in de manier waarop het college is omgegaan met een brief die door een buurtcomité aan het college is verzonden in reactie op de verleende omgevingsvergunning.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1652
Datum uitspraak
24 maart 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202600451/1/R3 en 202600451/2/R3

BRS.26.000834

Bij besluit van 22 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1629
Datum uitspraak
24 maart 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000834

BRS.26.001254

Bij besluit van 2 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1628
Datum uitspraak
24 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001254

BRS.26.001374

Bij besluit van 9 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1669
Datum uitspraak
24 maart 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001374

202404909/1/V3

Bij besluit van 3 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij tussenuitspraak van 26 januari 2024 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen. Bij uitspraak van 9 juli 2024 heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak en de tussenuitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1632
Datum uitspraak
23 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202404909/1/V3

202503468/1/V1

Bij besluit van 21 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en geweigerd om betrokkene een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 21 juli 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1633
Datum uitspraak
23 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaak202503468/1/V1

BRS.26.000362 en BRS.26.000690

Bij besluit van 11 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat appellant met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De staatssecretaris heeft appellant ook opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 5 maart 2024 te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1662
Datum uitspraak
23 maart 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Vreemdelingenkamer - Overige
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000362 en BRS.26.000690

BRS.26.000472

Bij besluit van 13 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1582
Datum uitspraak
23 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000472

BRS.26.000879

Bij besluit van 3 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1610
Datum uitspraak
23 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000879

BRS.26.000973

Bij besluit van 18 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1613
Datum uitspraak
23 maart 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000973

BRS.26.001133

Bij besluiten van 27 mei 2025 heeft de minister vn Asiel en Migratie een aanvraag van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1614
Datum uitspraak
23 maart 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001133

202501372/1/A2

Bij besluit van 31 mei 2023 heeft Sociale Banken Nederland (SBN) namens de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de minister van Financiën) geweigerd om een al betaalde private schuld van [appellant] terug te betalen. [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft verzocht om compensatie voor de door hem inmiddels afgeloste geldschuld van € 6.821,50 aan ABN Amro. De minister heeft geweigerd de schuld te compenseren. De afgeloste schuld is een flexibel krediet bij een bank dat met ingang van 1 januari 2022 is geblokkeerd. Volgens de productvoorwaarden die onderdeel uitmaken van de kredietovereenkomst is de hoofdsom opeisbaar als sprake is van een betalingsachterstand van twee maanden en betaling ondanks een ingebrekestelling uitblijft. Volgens de minister is niet gebleken dat de afgeloste schuld eerder dan de blokkering ervan, en in ieder geval vóór 1 juni 2021, opeisbaar is geworden. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor het overnemen van een schuld, opgenomen in artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). Aan deze voorwaarden moet ook zijn voldaan als om compensatie van een al afgeloste schuld wordt verzocht. Dat staat in artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1788
Datum uitspraak
23 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202501372/1/A2

202503387/1/A2

Bij besluiten van 3 april 2024 en 14 mei 2024 heeft Sociale Banken Nederland namens de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de minister van Financiën) verzoeken van [appellante] om een geldschuld en daarop gedane rentebetalingen over te nemen, afgewezen. De minister heeft de afwijzing van de verzoeken gehandhaafd, omdat de schuld en de rentebetalingen niet voldoen aan de voorwaarden voor overname en compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht schrijft namelijk voor dat het moet gaan om geldschulden die voor 1 juni 2021 opeisbaar waren. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is, omdat op grond van de overeenkomst de verplichting tot terugbetaling van de lening pas begint op 1 oktober 2025. Ook heeft [appellante] op 21 februari 2024 verklaard dat er geen achterstand in de rentebetaling bestaat en bovendien heeft de rente betrekking op de maanden na mei 2021, aldus de minister.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1791
Datum uitspraak
23 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503387/1/A2

202305183/1/V1

Bij besluit van 10 oktober 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1617
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige
  • uitspraakin de zaak202305183/1/V1

202501692/1/V1

Bij besluit van 3 oktober 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 (artikel 9-document), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Bij besluit van 15 maart 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1631
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaak202501692/1/V1

202501999/1/V1

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1616
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige
  • uitspraakin de zaak202501999/1/V1

202600463/2/R4

Bij besluit van 7 november 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist aan Stedin Netbeheer B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ‘bouwwerken’ voor het plaatsen van een verdeelstation op het parkeerterrein ter hoogte van Tulpstraat 14 in Zeist. Bij besluit van 7 november 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Volgens het college is het bouwplan in strijd met de regels van het bestemmingsplan "Zeist Centrum e.o.". Dat bestemmingsplan maakt deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Zeist. Het bouwplan voldoet niet aan de regels van dt bestemmingsplan, omdat een verdeelstation niet valt onder de toegestane bouwwerken zoals genoemd in artikel 17.2.1, aanhef en onder a, en omdat de op grond van artikel 17.2.2, aanhef en onder b, toegestane oppervlakte en bouwhoogte worden overschreden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1615
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202600463/2/R4

BRS.25.001044

Bij brief van 20 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in kennis gesteld van zijn besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen (het verlengingsbesluit).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1514
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001044

BRS.25.001643

Bij besluit van 19 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1597
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001643

BRS.25.002153

Bij besluit van 10 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1595
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002153

BRS.25.002709

Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1507
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002709

BRS.26.000420

Bij besluit van 22 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1509
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000420

BRS.26.001087 en BRS.26.001088

Bij besluiten van 6 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1581
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001087 en BRS.26.001088

BRS.26.001110

Bij besluit van 13 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgehouden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1511
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001110

BRS.26.001136 en BRS.26.001137

Bij besluit van 16 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1515
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001136 en BRS.26.001137

BRS.26.001186

Bij besluit van 29 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1594
Datum uitspraak
20 maart 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001186
vorige pagina1...171819...1.254volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon