Uitspraak BRS.26.002728 en BRS.26.002729.
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3572
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 21 februari 2024, vervangen door het besluit van 22 juli 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.002728 en BRS.26.002729.
ECLI:NL:RVS:2026:3572
Datum uitspraak: 23 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 7 mei 2026 in zaak nr. NL24.9191 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2024, vervangen door het besluit van 22 juli 2025, heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Bij uitspraak van 7 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.R. van de Water, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De grieven over schending van het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van appellant gebaseerd was op de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en dat hij de mogelijkheid heeft om terug te keren naar zijn land van herkomst, India. Omdat die mogelijkheid niet bestaat voor personen met de Oekraïense nationaliteit, is geen sprake van gelijke gevallen. Over toetsing aan het evenredigheidsbeginsel heeft de Afdeling eerder overwogen dat hiervoor in een individueel geval geen plaats is, omdat de tijdelijke bescherming van rechtswege afloopt (uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32, onder 10.3).
1.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vragen. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De grief over schending van het vertrouwensbeginsel leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De vraag of de minister het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1836, onder 6.
2.1. Uit deze uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten Cilfit, punten 13 en 14, Consorzio Italian Management, punt 36, en Remling, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Wat appellant verder in zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
4. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026
981