Uitspraak 202401993/1/R2
- Datum uitspraak
- 24 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 7 januari 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe het verzoek van MOB en Leefmilieu om de natuurvergunning van 7 mei 2019 van de [appellante sub 1] voor het in werking hebben en exploiteren van een geitenhouderij aan de [locatie] in Borger in te trekken, afgewezen. Aan [appellante sub 1] is op 7 mei 2019 een natuurvergunning verleend voor het uitbreiden van de veestapel van 620 volwassen en 250 opfokgeiten met een ammoniakemissie van 1378 kg/jaar naar 1235 volwassen geiten met een ammoniakemissie van 2346,50 kg/jr. MOB en Leefmilieu hebben verzocht om intrekking van deze natuurvergunning op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, en het tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Volgens MOB en Leefmilieu ligt aan de vergunning geen toereikende passende beoordeling ten grondslag. Ook worden volgens MOB en Leefmilieu onvoldoende passende maatregelen genomen om verslechtering of verstoring te voorkomen van de natuurwaarden in onder meer het Natura 2000-gebied Drouwenerzand. Het college heeft bij het besluit van 2 juni 2022 de afwijzing van het verzoek om intrekking van de natuurvergunning gehandhaafd. Volgens het college is de intrekking van de natuurvergunning niet nodig en ook onevenredig, omdat de verwachting is dat op termijn de instandhoudingsdoelen in de betrokken Natura 2000-gebieden zullen worden gehaald.
- Hoger beroep
- Natuurbescherming
- Vee e.a. dieren
Toon inhoud
Weigering om natuurvergunning in te trekken voor geitenhouderij in Borger
Uitspraak over de afwijzing van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van een verzoek van Mobilisation for the Environment (MOB) en Vereniging Leefmilieu om de natuurvergunning in te trekken van een geitenhouderij in Borger. Tegen de afwijzing kwamen MOB en Vereniging Leefmilieu eerder in beroep bij de rechtbank Noord-Nederland. Die oordeelde dat het college zijn besluit onvoldoende gemotiveerd had. De rechtbank overwoog dat intrekking een zogenoemde ‘passende maatregel’ kan zijn die bijdraagt aan het herstel van Natura-2000 gebieden, maar dat andere maatregelen ook denkbaar zijn. Het college van gedeputeerde staten heeft hierbij beoordelingsruimte en moet bij zijn beslissing inzicht geven hoe het hieraan invulling heeft gegeven. Die afweging voldoet niet, aldus de rechtbank. Tegen deze uitspraak zijn zowel het college als de geitenhouderij in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank nam het college een nieuw besluit, maar daar kunnen MOB en Vereniging Leefmilieu zich niet in vinden. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 21 mei 2026 op zitting behandeld.