Uitspraak 202500249/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3682
- Datum uitspraak
- 24 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 8 augustus 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant sub 2] op grond van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming (Wnb) een ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren en beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor de gewone dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis, voor de realisering van een bouwplan op de locatie [locatie A] in Rijsbergen. [appellant sub 2] wil een woning met bijgebouw, een dierenverblijf en dierenwei realiseren aan [locatie A] in Rijsbergen. Voor dat plan moet een paardenstal worden gesloopt en moeten naaldbomen worden gekapt. Door de uitvoering van het plan zullen een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en een kraamverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis worden vernield en worden vleermuizen verstoord. Voor deze overtredingen van artikel 3.5, tweede en vierde lid, van de Wnb heeft [appellant sub 2] een ontheffing gevraagd.
- Hoger beroep
- Natuurbescherming
Toon inhoud
202500249/1/R2.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellanten sub 1], wonend in Rijsbergen, gemeente Zundert,
2. [appellant sub 2], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 december 2024 in zaak nr. 23/1615 in het geding tussen:
[appellanten sub 1]
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.
Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2022 heeft het college aan [appellant sub 2] op grond van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming (Wnb) een ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren en beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor de gewone dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis, voor de realisering van een bouwplan op de locatie [locatie A] in Rijsbergen (de ontheffing).
Bij besluit van 3 januari 2023 heeft het college de ontheffing op verzoek van [appellant sub 2] gedeeltelijk gewijzigd (het wijzigingsbesluit).
Bij besluit van 15 mei 2023 heeft het college de bezwaren van [appellanten sub 1] tegen deze besluiten gegrond verklaard en de ontheffing in stand gelaten.
Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover het college de ontheffing in stand heeft gelaten en gegrond verklaard voor zover het college het verzoek om proceskosten heeft afgewezen. De rechtbank heeft het college veroordeeld tot betaling van de proceskosten in bezwaar en heeft ambtshalve aan [appellanten sub 1] een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 2] en [appellanten sub 1] hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellanten sub 1], [appellant sub 2] en het college hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 24 december 2025 heeft het college enkele voorschriften aan de ontheffing toegevoegd en gewijzigd en de geldigheid van de ontheffing verlengd tot en met 31 december 2028.
[appellanten sub 1] hebben gronden ingediend tegen het besluit van 24 december 2025.
De Afdeling heeft de zaak op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Daar zijn [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door [appellanten sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A. Azarkan en mr. R.M. Königel, beiden advocaat in Etten-Leur, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Box en A.W. van Zeeburg, verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een Wnb-ontheffing is ingediend op 17 februari 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant sub 2] wil een woning met bijgebouw, een dierenverblijf en dierenwei realiseren aan [locatie A] in Rijsbergen. Voor dat plan moet een paardenstal worden gesloopt en moeten naaldbomen worden gekapt. Door de uitvoering van het plan zullen een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en een kraamverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis worden vernield en worden vleermuizen verstoord. Voor deze overtredingen van artikel 3.5, tweede en vierde lid, van de Wnb heeft [appellant sub 2] een ontheffing gevraagd.
2.1. Het college heeft de ontheffing verleend. Aan de ontheffing zijn voorschriften verbonden om de effecten voor de gewone dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis in de periode waarin het bouwplan wordt gerealiseerd en na realisering van het bouwplan zoveel mogelijk te voorkomen en te compenseren. De voorschriften hebben betrekking op de wijze waarop de werkzaamheden uitgevoerd moeten worden, op het realiseren van tijdelijke en permanente vleermuisvoorzieningen en op de inrichting van het perceel.
De te treffen mitigerende en compenserende maatregelen zijn uitgewerkt in het rapport "Onheffingsaanvraag en Activiteitenplan [locatie A] in Rijsbergen", van 17 februari 2022, en het rapport "Aanvullend activiteitenplan" van 29 november 2022, beide opgesteld door RSK.
2.2. [appellanten sub 1] wonen aan [locatie B] in Rijsbergen. Zij vrezen dat de ontheffing zal leiden tot een afname van vleermuizen. De voorgeschreven maatregelen om verstoring te voorkomen zijn volgens hen ontoereikend, onduidelijk of onuitvoerbaar. Ook hebben zij bezwaar tegen de aanleg van een beukenhaag tegen de perceelsgrens, omdat beuken giftig zijn voor hun dieren.
De uitspraak van de rechtbank
De ontheffing
3. De rechtbank is van oordeel dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de maatregelen die in de ontheffing zijn voorgeschreven voldoende zijn om negatieve effecten voor de gewone dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis te voorkomen. De voorschriften zijn volgens de rechtbank ook voldoende duidelijk.
De proceskosten
3.1. De rechtbank is van oordeel dat het college ten onrechte het verzoek om toekenning van een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase heeft afgewezen. Die kosten komen voor vergoeding in aanmerking, met uitzondering van de verzochte vergoeding van de verletkosten. De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van de reiskosten van [appellanten sub 1].
De rechtbank kent ook een vergoeding van de proceskosten in beroep toe met uitzondering van de verzochte vergoeding voor de verletkosten.
De overschrijding van de redelijke termijn
3.2. De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met 3 maanden. Daarom kent de rechtbank aan [appellanten sub 1] een schadevergoeding toe van € 500,00.
Goede procesorde
4. [appellanten sub 1] hebben verzocht om de verweerschriften van [appellant sub 2] van 8 mei 2026 en van het college van 11 mei 2026 op de gronden van [appellanten sub 1] tegen het nadere besluit buiten beschouwing te laten wegens strijd met een goede procesorde. De Afdeling ziet daar geen aanleiding voor. Beide stukken bevatten een reactie op vragen die de Afdeling bij brief van 6 mei 2026 stelde. De inhoud en omvang van deze stukken is zodanig dat er voor [appellanten sub 1] genoeg tijd resteerde om daar adequaat op te reageren.
De ontheffing
Zijn [appellanten sub 1] belanghebbende?
5. [appellant sub 2] betoogt dat [appellanten sub 1] niet belanghebbend zijn bij de ontheffing. De verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis bevinden zich in een kapschuur op een afstand van ongeveer 51 en 40 meter van de woning van [appellanten sub 1]. Hoewel zij enig zicht hebben op de kapschuur, hebben zij geen zicht op de verblijfplaatsen in de kapschuur. Daarom zijn zij volgens [appellant sub 2] niet belanghebbend.
5.1. Bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een Wnb-ontheffing is bepalend of de handelingen waarvoor de ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van de betrokkene. De ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval een woning met bijgebouw en dierenverblijf- is bij die beoordeling niet van belang (vergelijk de uitspraak van 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2226, onder 3.4).
In dit geval is de ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis.
Het perceel [locatie B] grenst aan het perceel [locatie A] waarvoor de ontheffing voor het opzettelijk verstoren van de vleermuizen door de realisering van het bouwplan is verleend. De schuur met de verblijfplaatsen van de vleermuizen staat op ongeveer 23 meter van de woning [locatie B] en de verblijfplaatsen bevinden zich op 40 tot 51 meter van de woning in die schuur. Verder strekt de ontheffing tot het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen op het perceel Verhul 18a, waaronder de aanleg van beplanting tegen de perceelsgrens met [locatie B]. Het treffen van deze maatregelen is een rechtstreeks feitelijk gevolg van de vergunde handelingen en zijn daarom ook van belang voor de beoordeling van de belanghebbendheid. Gelet op de hiervoor genoemde afstanden acht de Afdeling aannemelijk dat het gebruikmaken van de ontheffing ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van [appellanten sub 1]. [appellanten sub 1] zijn daarom belanghebbende bij de ontheffing.
Relativiteit
6. [appellant sub 2] betoogt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de vernietiging van de ontheffing. Volgens [appellant sub 2] is er in dit geval geen verwevenheid tussen het algemeen belang van natuurbescherming en het belang van het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Weliswaar bevinden de verblijfplaatsen zich binnen 100 meter van de woning van [appellanten sub 1], maar aan die afstand komt volgens [appellant sub 2] geen betekenis toe omdat [appellanten sub 1] geen zicht hebben op de verblijfplaatsen in de schuur.
6.1. In artikel 8:69a van de Awb staat dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
6.2. De bepalingen over soortenbescherming waarop [appellanten sub 1] zich beroepen strekken ter bescherming van planten- en diersoorten. Dit zijn algemene belangen. Maar individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving kunnen zo verweven zijn met die algemene belangen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. In zijn algemeenheid wordt deze verwevenheid niet aangenomen als de woning van de betrokkene tot de handelingen waarvoor de ontheffing is verleend hemelsbreed meer dan 100 meter is (vergelijk de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.67).
Gelet op de in 5.1 vermelde afstanden van de woning tot de plaatsen waar de handelingen die met de ontheffing zijn toegestaan plaatsvinden, is er in dit geval verwevenheid van de algemene belangen met de individuele belangen. [appellanten sub 1] kunnen zich in deze procedure dus beroepen op de soortenbeschermingsbepalingen uit de Wnb.
De geleidende groenelementen en bestaande groenstructuren
7. [appellanten sub 1] voeren aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun bezwaar tegen het aanplanten van een beukenhaag en beuken op of nabij hun perceelsgrens. Volgens hen volgt uit voorschrift 6 van het wijzigingsbesluit dat op of nabij de perceelgrens een beukenhaag en twee beuken moeten worden aangeplant voor de geleiding van vleermuizen naar de vleermuiszolder. Zij vinden dat bezwaarlijk omdat zij paarden houden en beuken(nootjes) giftig zijn voor paarden. Volgens hen is voorschrift 6 ook niet uitvoerbaar, omdat zij geen toestemming zullen geven voor de aanplant van beuken op de perceelsgrens.
[appellanten sub 1] voeren verder aan dat figuur 2 uit het aanvullende activiteitenplan aanvulling behoeft omdat daarop, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, niet alle bestaande groenstructuren zijn weergegeven.
7.1. De voorschriften 6 en 14 van de ontheffing zijn bij het wijzigingsbesluit gewijzigd. De voorschriften luiden:
"6. De ontheffinghouder dient, met inachtneming van de hier genoemde voorschriften, de mitigerende maatregelen uit te voeren zoals beschreven in de oorspronkelijke aanvraag, het activiteitenplan van 17 februari 2022 (hoofdstuk 7), en het aanvullend activiteitenplan van 29 november 2022".
"14. Geleidende elementen: Er dienen geleidende elementen aanwezig te zijn in het plangebied welke de vleermuizen vanaf de vliegroute buiten het plangebied naar de tijdelijke kapschuur en permanente vleermuiszolder leiden. Deze geleidende elementen dienen te voldoen aan de eisen die worden gesteld in het Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis en het kennisdocument Gewone dwergvleermuis met betrekking tot vliegroutes en het onderhoud van deze vliegroutes".
7.2. [appellanten sub 1] leiden uit figuur 2 van het aanvullende activiteitenplan af dat een beukenhaag en beuken deel uit moeten maken van het geleidende groenelement dat wordt aangelegd om de vleermuizen in de permanente situatie naar de vleermuiszolder te geleiden.
7.3. Het college heeft toegelicht dat voorschrift 14 ertoe strekt dat geleidende voorzieningen worden aangebracht die voldoen aan de eisen die daaraan in de Kennisdocumenten worden gesteld. Voor de permanente situatie betekent dit dat moet worden voorzien in geleidende groenelementen, die voldoen aan de eisen die de Kennisdocumenten daaraan stellen. De Kennisdocumenten schrijven niet voor dat een beukenhaag of beuken daar onderdeel van uitmaken. De ontheffing verplicht volgens het college daarom niet tot de aanplant van een beukenhaag en beuken. Figuur 2 van het aanvullende activiteitenplan geeft een impressie van de ligging van de bestaande groenstructuren en de locaties en een invulling van de aan te leggen geleidende groenelementen. Figuur 2 is niet bindend. Voor de eisen die aan de geleidende groenelementen worden gesteld, geldt voorschrift 14. Dit voorschrift, dat onder het kopje ‘specifieke voorschriften’ staat, gaat voor op voorschrift 6 dat onder het kopje ‘algemene voorschriften’ staat, aldus het college.
7.4. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat voorschrift 14 leidend is voor de eisen die aan de geleidende voorzieningen worden gesteld en niet figuur 2 uit het aanvullend activiteitenplan. Figuur 2 geeft geen bindende maar een mogelijke invulling van de geleidende groenelementen weer, die past binnen de voorwaarden die uit voorschrift 14 volgen. Dat betekent, zoals het college terecht stelt, dat de aanplant van een beukenhaag of beuken niet dwingend is voorgeschreven in de ontheffing. Het betoog van [appellanten sub 1] mist op dit punt feitelijke grondslag. Een invulling met lindes zoals [appellanten sub 1] voorstaan en waartegen [appellant sub 2] geen bezwaar heeft, is mogelijk als die invulling voldoet aan de eisen die de Kennisdocumenten daaraan stellen. Dat is inmiddels ook verduidelijkt bij het nadere besluit van 24 december 2025, waarin voorschrift 14 opnieuw is gewijzigd.
Ook heeft de rechtbank in wat [appellanten sub 1] aanvoeren terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de weergave van de groenstructuren op en rond het perceel [locatie A] op figuur 2 van het aanvullende activiteitenplan aanvulling behoeft. Zoals hiervoor is overwogen is figuur 2 niet bindend.
Het betoog slaagt niet.
Maatregelen ter voorkoming van geluidverstoring
8. [appellanten sub 1] betwisten het oordeel van de rechtbank dat het voorschrift dat het gebruik van (zware) machines in en direct rondom de kapschuur niet is toegestaan vanaf de gewenningsperiode, voldoende duidelijk is geformuleerd om op de naleving daarvan toe te kunnen zien. Het voorschrift is volgens hen rechtsonzeker omdat onduidelijk is wat exact met (zware) machines wordt bedoeld. Ook zijn tijdens de werkzaamheden die al zijn uitgevoerd verschillende luidruchtige werktuigen gebruikt. Dat, en ook het gebruik van andere geluidsbronnen, zoals muziek, moet worden voorkomen door het opnemen van een concreter, meetbaar en beter controleerbaar voorschrift waarin een maximaal aantal decibels wordt opgenomen. Verder betogen [appellanten sub 1] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun beroepsgrond dat in de voorschriften moet worden bepaald dat het gebied van 15 meter rondom de kapschuur wordt afgezet om te voorkomen dat onbevoegden de kapschuur betreden.
8.1. Voorschrift 6 van het wijzigingsbesluit bepaalt onder meer dat de maatregelen die in hoofdstuk 7 van het activiteitenplan van 17 februari 2022 zijn beschreven moeten worden uitgevoerd. In hoofdstuk 7 is beschreven welke maatregelen getroffen worden om de effecten voor de gewone dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis zoveel mogelijk te voorkomen. De richtlijnen uit het Kennisdocument gewone dwergvleermuis (2017) en het Kennisdocument gewone grootoorvleermuis (2017), van BIJ12 zijn daarbij volgens het activiteitenplan leidend geweest.
In hoofdstuk 7 van het activiteitenplan zijn tijdelijke en permanente vleermuisvoorzieningen beschreven. Als tijdelijke voorziening wordt een half open kapschuur gebouwd met een afmeting van 10 meter lang, 3 meter breed en 4 meter hoog. In de nok van deze tijdelijke kapschuur worden wegkruipvoorzieningen voor vleermuizen gecreëerd.
Om significante verstoring van de gewone grootoorvleermuis in de tijdelijke voorziening te voorkomen is in hoofdstuk 7 bepaald dat gebruik van (zware) machines in en direct rondom de kapschuur niet is toegestaan, vanaf het moment dat de gewenningsperiode ingaat.
8.2. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat de maatregelen voldoende duidelijk zijn omschreven. Om significante verstoring van gewone grootoorvleermuizen tijdens de werkzaamheden te voorkomen is het gebruik van machines en zware machines in en direct rondom de kapschuur niet toegestaan. Een nadere omschrijving van wat zware machines zijn is niet nodig omdat het voorschrift ook op het gebruik van machines betrekking heeft. Verder heeft het college toegelicht waarom het opnemen van een afstand of aantal decibels uit ecologisch oogpunt niet zinvol is. Vleermuizen horen in een ander frequentiebereik dan mensen, waardoor een op het menselijk gehoor afgestemde norm zoals een dB(A)-norm of aantal decibels niets zegt over de verstoring van de gewone grootoorvleermuis. Het opnemen van een afstand waarbinnen niet met machines mag worden gewerkt is niet zinvol omdat de verstoringsdrempel van de gewone grootoorvleermuis per seizoen en activiteit (geluid, trillingen, licht, menselijke activiteit) varieert. Een werkzaamheid op enkele meters afstand kan buiten de winter- en kraamperiode geen enkele verstoring veroorzaken, terwijl diezelfde werkzaamheid op grotere afstand in de kraamperiode wel verstorend zou kunnen zijn. De Afdeling neemt verder bij haar oordeel dat de maatregel voldoende duidelijk is omschreven in aanmerking dat in voorschrift 7 van de ontheffing is bepaald dat de activiteiten en voorschriften moeten worden uitgevoerd onder begeleiding van een ecologisch deskundige op het gebied van de soorten waarvoor de ontheffing is verleend en dat in voorschrift 9 is bepaald dat een ecologisch werkprotocol moet worden opgesteld voorafgaand aan de werkzaamheden. [appellanten sub 1] hebben hun betoog dat verdergaande maatregelen nodig zijn niet nader onderbouwd. Dat de rechtbank het argument over het afzetten van een gebied rond de kapschuur in de overwegingen 32 tot 34 niet expliciet heeft benoemd betekent niet dat de rechtbank dit argument niet bij haar oordeel heeft betrokken.
Het betoog slaagt niet.
De proceskosten
9. [appellanten sub 1] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet in aanmerking komen voor een vergoeding van de verletkosten van [appellant sub 1A], omdat [appellant sub 1A] in loondienst is en het salaris tijdens het verlet is doorbetaald. Daarbij wijzen zij erop dat in artikel 1, onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet is bepaald dat verletkosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen van personen die als zelfstandige beroeps- of bedrijfsmatig actief zijn. De verletkosten in bezwaar van € 160,48 en in beroep van € 240,72 moeten volgens hen dan ook alsnog vergoed worden.
9.1. Artikel 1, aanhef en onder e van het Besluit proceskosten bestuursrecht luidt:
"Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:
[…]
e. verletkosten van een partij of een belanghebbende".
9.2. Verletkosten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn kosten van tijdverzuim die een partij moet maken om een (hoor)zitting te kunnen bijwonen in een procedure. Daarbij maakt het, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, niet uit of een partij in loondienst is, of beroeps- of bedrijfsmatig als zelfstandige werkt. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de verletkosten voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar (4 uur x € 40,12 = € 160,48) en het bijwonen van de zitting bij de rechtbank (6 uur x € 40,12 = € 240,72) niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Het betoog slaagt.
De overschrijding van de redelijke termijn
10. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ook aan hem een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn had moeten toekennen.
10.1. Het betoog slaagt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn later dan zes weken na het sluiten van het onderzoek is overschreden. Daarom moest de rechtbank ambtshalve beoordelen of aan partijen, waaronder ook [appellant sub 2], een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1602, onder 16).
Voor [appellant sub 2] is de redelijke termijn aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift van [appellanten sub 1] door het college op 16 september 2022. De rechtbank heeft op 10 december 2024 uitspraak gedaan. Dat betekent dat de redelijke termijn van twee jaar met afgerond drie maanden is overschreden. Deze overschrijding moet geheel aan het college worden toegerekend. Uitgaande van een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, betekent dit dat de rechtbank aan [appellant sub 2] een schadevergoeding van € 500,00 had moeten toekennen.
Conclusie hoger beroepen
11. De hoger beroepen van [appellanten sub 1] en van [appellant sub 2] zijn gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover (1) de rechtbank het college niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de verletkosten van [appellanten sub 1] voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar en de zitting bij de rechtbank, en (2) de rechtbank aan [appellant sub 2] geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend.
De Afdeling zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het college veroordelen tot betaling (1) van de verletkosten voor de hoorzitting en de zitting van € 160,48 + € 240,72 = € 401,20 aan [appellanten sub 1] en (2) van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500,00, aan [appellant sub 2].
11.1. Het college moet de proceskosten van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] vergoeden. De door [appellanten sub 1] verzochte vergoeding voor reiskosten komt, anders dan zij hebben verzocht, voor één persoon voor vergoeding in aanmerking.
Het nadere besluit van 24 december 2025
12. Het college heeft op 24 december 2025 enkele voorschriften van de ontheffing zoals die luidde na het wijzigingsbesluit, gewijzigd en nieuwe voorschriften daaraan toegevoegd. De looptijd van de ontheffing is verlengd tot 31 december 2028. De aanpassing van de voorschriften is volgens het college nodig en houdt verband met de actualisatie van de Kennisdocumenten gewone grootoorvleermuis (BIJ12, 2025) en gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2024).
12.1. Het besluit van 24 december 2025 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Tegen dit besluit is een beroep van rechtswege voor [appellanten sub 1] ontstaan. Zij hebben gronden tegen dit besluit naar voren gebracht. Voor [appellant sub 2] is geen beroep van rechtswege ontstaan, omdat hij heeft aangegeven dat hij zich met het besluit kan verenigen.
Belanghebbendheid en relativiteit
13. [appellant sub 2] betoogt dat [appellanten sub 1] niet belanghebbend zijn bij het nadere besluit en als zij wel belanghebbend zijn dat hun beroepsgronden vanwege het relativiteitsvereiste niet kunnen leiden tot vernietiging van het nadere besluit. De Afdeling deelt dit standpunt niet. Zij verwijst hiervoor naar wat onder 5.1 en 6.2 is overwogen.
Voorschrift 20
14. [appellanten sub 1] stellen dat het toegevoegde voorschrift 20 onvoldoende concreet en rechtsonzeker is, omdat niet duidelijk is wat exact bedoeld wordt met ‘nabijheid’. Het voorschrift zou een controleerbare afstand in meters moeten vermelden in combinatie met een maximale decibelgrens. De tijdelijke voorzieningen zouden afgezet kunnen worden om betreding te voorkomen. Voor de permanente voorzieningen is het voorschrift niet uitvoerbaar, omdat die gesitueerd zijn in het dierenverblijf dat naast de inrit met parkeerplaatsen en kort bij de weg wordt opgericht. Verstoring door mensen is daardoor onvermijdelijk. Het dierenverblijf is daarom ongeschikt als permanente voorziening voor de gewone grootoorvleermuizen.
14.1. Het nieuw toegevoegde voorschrift 20 luidt: "De tijdelijke en permanente voorzieningen voor de gewone grootoorvleermuis dienen vrij te zijn van verstoring. Dit betekent dat er, zoals genoemd bij de voorgestelde maatregelen, tijdens het gehele jaar geen significante verstoring mag optreden bij de verblijfplaats. Daarnaast betekent dit dat mensen de voorzieningen niet mogen betreden tijdens het kraamseizoen van de gewone grootoorvleermuis (1 april tot en met 31 augustus) en de winterperiode (15 oktober tot en met 31 maart). Ook betekent dit dat werkzaamheden in de nabijheid van de voorzieningen zo dienen te worden uitgevoerd dat geen verstoring optreedt tijdens het kraam- en winterseizoen. Een uitzondering hierop vormen controles van de verblijfplaats, uitsluitend om te beoordelen of de verblijfplaats in gebruik is en of onderhoud nodig is. Spoedonderhoud mag alleen worden uitgevoerd wanneer dit strikt noodzakelijk is en dient waar mogelijk buiten de kwetsbare kraam- en winterperiode te worden uitgevoerd".
14.2. De Afdeling ziet in wat [appellanten sub 1] aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat het voorschrift onvoldoende concreet of rechtsonzeker is. Het voorschrift verplicht tot het voorkomen van verstoring van de tijdelijke en permanente voorzieningen voor de gewone grootoorvleermuis. Zoals hiervoor onder 8.2 is overwogen, is het daarvoor uit ecologisch oogpunt niet zinvol om vaste afstanden of decibels in het voorschrift op te nemen. Verder volgt de Afdeling [appellanten sub 1] niet waar zij stellen dat het voorschrift voor de permanente voorziening onuitvoerbaar is. Het voorschrift strekt er niet toe dat het dierenverblijf niet betreden mag worden, maar dat de vleermuiszolder niet betreden mag worden. Verder heeft het college toegelicht dat menselijke aanwezigheid niet direct verstorend is. De aanwezigheid van mensen in of rond het dierenverblijf betekent dus niet dat dat de vleermuiszolder in het dierenverblijf geen geschikte vleermuisvoorziening kan zijn. Dat geldt ook voor de verlichting die het gevolg zal zijn van het gebruik van het perceel. Het voorkomen van verstoring door licht is mogelijk door afscherming van armaturen.
Het betoog slaagt niet.
Locatie tweede permanente verblijfplaats
15. [appellanten sub 1] stellen dat het toegevoegde voorschrift 21 onduidelijk is omdat de locatie van de tweede permanente verblijfplaats daarin niet is vermeld.
15.1. Het nieuw toegevoegde voorschrift 21 luidt: "In aanvulling op de vleermuiszolder dient een tweede permanente verblijfplaats voor de gewone grootoorvleermuis te worden gerealiseerd. In het logboek dient te worden vastgelegd waar en hoe de tweede permanente voorziening is gerealiseerd. De tweede permanente voorziening dient te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in het Kennisdocument Gewone Grootoorvleermuis (BIJ12, 2025) en in voorschriften 13, 14 en 15".
15.2. De Afdeling ziet in wat [appellanten sub 1] aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat voorschrift 21 onduidelijk is. Door de verwijzing naar het Kennisdocument is duidelijk aan welke eisen de tweede permanente verblijfplaats moet voldoen. Het plan van [appellant sub 2] biedt ook mogelijkheden voor de realisering van een tweede permanente verblijfplaats die aan de eisen uit het Kennisdocument voldoet. Dat de locatie van de tweede permanente verblijfplaats niet in voorschrift 21 is opgenomen, maar in het logboek dient te worden vastgelegd, acht de Afdeling, mede gelet op wat in voorschrift 8 over het logboek is bepaald, niet bezwaarlijk.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroep van rechtswege
16. Het beroep tegen het besluit van 24 december 2025 is ongegrond.
17. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de hoger beroepen gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank het college niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de verletkosten van [appellanten sub 1] voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar en de zitting bij de rechtbank, en voor zover de rechtbank aan [appellant sub 2] geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend;
III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige;
IV. verklaart het beroep tegen het besluit van 24 december 2025 ongegrond;
V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 450,13;
VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot betaling aan [appellant sub 2] van een schadevergoeding van € 500,00;
VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G.J.T.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
388