Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202301278/1/R1

Uitspraak 202301278/1/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3670
Datum uitspraak
24 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 9 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heiloo aan [appellant A] een omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van een uitweg voor de ontsluiting van het ongenummerde perceel aan de Zanderslootweg in Heiloo, ten zuidwesten van het perceel aan de [locatie]. Op 16 februari 2021 heeft [appellant] een aanvraag om omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg ingediend. Bij besluit van 9 april 2021 heeft het college geweigerd om de omgevingsvergunning te verlenen. Naar aanleiding van het door [appellant] gemaakte bezwaar, heeft het college de weigering ingetrokken en de omgevingsvergunning alsnog verleend bij besluit van 9 juni 2021. Tegen dit besluit hebben, voor zover van belang, [partij A] en de bewonersvereniging bezwaar gemaakt. Het college heeft deze bezwaren bij besluit van 9 november 2021 gegrond verklaard, het besluit van 9 juni 2021 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. [appellant] is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202301278/1/R1.
Datum uitspraak: 24 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (samen en in enkelvoud: [appellant]), wonend in Heiloo,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 13 januari 2023 in zaak nr. 21/6565 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heiloo.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2021 heeft het college aan [appellant A] een omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van een uitweg voor de ontsluiting van het ongenummerde perceel aan de Zanderslootweg in Heiloo, ten zuidwesten van het perceel aan de [locatie].

Bij besluit van 9 november 2021 heeft het college, voor zover van belang, besloten op de bezwaren van [partij A] en [partij B] (samen en in enkelvoud: [partij A]) en Bewonersvereniging Blockhovepark en Omgeving. Het college heeft het besluit van 9 juni 2021 herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 13 januari 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 november 2021 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[partij A], de bewonersvereniging en het college hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

[partij A] en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 december 2025, waar [appellanten] zijn verschenen en het college, via een videoverbinding vertegenwoordigd door mr. A.D.P. Guarracino, is verschenen. Verder zijn de bewonersvereniging, via een videoverbinding vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [partij A] als partijen gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Op 16 februari 2021 heeft [appellant] een aanvraag om omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg ingediend. Bij besluit van 9 april 2021 heeft het college geweigerd om de omgevingsvergunning te verlenen. Naar aanleiding van het door [appellant] gemaakte bezwaar, heeft het college de weigering ingetrokken en de omgevingsvergunning alsnog verleend bij besluit van 9 juni 2021. Tegen dit besluit hebben, voor zover van belang, [partij A] en de bewonersvereniging bezwaar gemaakt. Het college heeft deze bezwaren bij besluit van 9 november 2021 gegrond verklaard, het besluit van 9 juni 2021 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. [appellant] is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard, omdat het college in beroep een andere motivering ten grondslag heeft gelegd aan de weigering. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de gevraagde omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. Daarom heeft zij het besluit van 9 november 2021 vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. [appellant] is het hier niet mee eens en komt in hoger beroep.

Het hoger beroep

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de aanvraag om een vergunning moest weigeren op grond van artikel 2:12, derde lid, aanhef en onder f, van de Algemene plaatselijke verordening Heiloo 2017 (hierna: de APV). Daartoe stelt hij dat de uitweg niet ten koste gaat van openbaar groen. Tussen het perceel van [appellant] en de Zanderslootweg ligt weliswaar een smal strookje grond dat eigendom is van de gemeente, maar dit strookje grond is volgens [appellant] al vanaf 1978 in gebruik als grinduitweg. Daarom is volgens [appellant] geen sprake van openbaar groen. Bovendien kan de uitweg gezien worden als een eerste uitweg voor het perceel dat kadastraal bekend is als A 8241. Ook daarom is de weigeringsgrond uit artikel 2:12, derde lid, aanhef en onder f, van de APV niet van toepassing, aldus [appellant].

3.1.    Artikel 2:12, eerste en derde lid, aanhef en onder f, van de APV luidt als volgt:

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

[…]

3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

[…]

f. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen;

[…]

3.2.    De uitweg waarvoor vergunning is aangevraagd, ontsluit het kadastrale perceel A 8241. Bij de toetsing aan artikel 2.12, derde lid, van de APV heeft het college dit perceel samen met het kadastrale perceel A 8240 aangemerkt als één perceel. Omdat het kadastrale perceel A 8240 al door een uitweg wordt ontsloten, heeft het college de aangevraagde uitweg aangemerkt als een tweede uitweg.

Voor de vraag of beide kadastrale percelen samen een perceel vormen, is de kadastrale indeling niet bepalend. Daarvoor is de feitelijke actuele situatie, waaronder de inrichting en wijze van gebruik van de gronden, van belang. Het kadastrale perceel A 8241 grenst in de lengte voor het grootste gedeelte aan het kadastrale perceel A 8240 en is visueel niet gescheiden van dat perceel. De percelen zijn dus als één perceel ingericht. Op de zitting heeft [appellant] verder toegelicht dat de aangevraagde uitweg nodig is voor het onderhoud van de bomen en de vijver op het perceel. De vijver bevindt zich echter op het kadastrale perceel A 8240. Dit wijst erop dat de percelen als één perceel worden gebruikt. Gelet op deze inrichting en dit gebruik heeft het college zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de twee kadastrale percelen samen één perceel vormen, als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, van de APV en dat daarom sprake is van een tweede uitweg.

Op de plek van de beoogde uitweg naar de Zanderslootweg, ligt een grasstrook. Uit de kadastrale kaart blijkt dat een gedeelte van die grasstrook eigendom is van de gemeente Heiloo. Uit de foto’s die [appellant] heeft overgelegd blijkt niet dat de grasstrook in feite een grinduitweg is. Op die foto’s is weliswaar enig steenachtig materiaal zichtbaar, maar dit was slechts zichtbaar omdat een laag gras en grond was verwijderd. Daarom is het college terecht tot de conclusie gekomen dat de grasstrook ‘openbaar groen’ is, als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, van de APV.

Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een tweede uitweg op een perceel en dat de aanleg daarvan ten koste gaat van openbaar groen. Omdat dat betekent dat de weigeringsgrond uit artikel 2.12, derde lid, aanhef en onder f, van de APV, van toepassing is, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd.

Het betoog slaagt niet.

Overige gronden

4.       De overige gronden, over het toestaan van parkeren op groenstroken, het overgangsrecht en een uitzonderlijke situatie vanwege de grootte van het perceel en de bereikbaarheid van de woning, veronderstellen dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing om een uitwegvergunning te verlenen. Gelet op de bewoordingen van artikel 2:12, derde lid, aanhef en onder f, van de APV heeft de rechtbank echter terecht geoordeeld dat het college bij een aanvraag om een vergunning voor een tweede uitweg die ten koste gaat van openbaar groen geen ruimte heeft voor een belangenafweging. De overige gronden kunnen er daarom niet toe leiden dat het college desondanks de vergunning moet verlenen. Deze gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Brink, griffier.

w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van den Brink
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026

776-1069


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon