Uitspraak BRS.26.002678 en BRS.26.002679
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3576
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.002678 en BRS.26.002679
ECLI:NL:RVS:2026:3576
Datum uitspraak: 23 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 7 mei 2026 in zaak nr. NL24.49313 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij besluit van 3 december 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
2. De eerste, tweede, derde en vijfde grief leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen deze grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
3. De vierde grief gaat over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178, onder 8 en 13.6 tot en met 13.9, over de manier waarop de minister, de rechtbank en de Afdeling rekening moeten houden met het beginsel van non-refoulement in het geval de gevolgen van een eerder, in het kader van een asielprocedure, vastgestelde terugkeerverplichting door een reguliere procedure zijn opgeschort). In dit geval heeft de minister een geactualiseerde beoordeling van het risico op refoulement gemaakt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de door appellant overgelegde stukken niet volgt dat zij bij terugkeer naar Peru een reëel risico loopt op schending van het beginsel van non-refoulement. De grief slaagt niet.
4. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en Remling, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
5. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift ook in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
6. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026
1028