Uitspraak 202503751/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3697
- Datum uitspraak
- 24 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de minister een verzoek om opheffing van het tegen appellant uitgevaardigde inreisverbod, afgewezen.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
202503751/1/V3.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 5 juni 2025 in zaak nr. 24/19949 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de minister een verzoek om opheffing van het tegen appellant uitgevaardigde inreisverbod, afgewezen.
Bij uitspraak van 5 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G.J. van der Graaf, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Wat appellant in zijn derde en vierde grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 13 januari 2004, Kühne&Heitz NV, ECLI:EU:C:2004:17, vier cumulatieve voorwaarden volgen waaronder een bestuursorgaan moet terugkomen op een eerder definitief besluit. Het betoog van appellant dat uit dit arrest niet volgt dat slechts aanleiding kan bestaan om een besluit te herzien als aan alle vier de voorwaarden is voldaan, slaagt niet. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4090, onder 3.2 en 3.3.
1.1. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Wat appellant in zijn eerste, tweede en vijfde grief heeft aangevoerd, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen deze grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
1017