Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202307486/1/R2

Uitspraak 202307486/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3671
Datum uitspraak
24 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 25 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau een omgevingsvergunning aan [appellant] verleend voor het plaatsen van een hekwerk van circa 1,5 m hoog aan [locatie] in Baarle-Nassau. [appellant] is eigenaar van de woning aan [locatie] in Baarle-Nassau en van de gronden achter zijn woning. [appellant] heeft de gronden achter zijn woning afgesloten met een hekwerk. De hoogte van het hekwerk heeft [appellant] aangepast naar aanleiding van de last onder dwangsom die het college heeft opgelegd. Dat hekwerk is op dit moment 1 m hoog. Heemkundekring Amalia van Solms en Stichting Wandelnet zijn het er niet mee eens dat [appellant] het pad dat over zijn percelen loopt heeft afgesloten, omdat het pad daardoor niet langer meer toegankelijk is voor wandelaars. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag of het afgesloten pad een openbare weg is en om die reden niet afgesloten had mogen worden.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202307486/1/R2.
Datum uitspraak: 24 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Baarle-Nassau,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West­-Brabant van 17 oktober 2023 in zaken nrs. 22/2170, 22/4340 en 23/859 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau.

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2021 heeft het college een omgevingsvergunning aan [appellant] verleend voor het plaatsen van een hekwerk van circa 1,5 m hoog aan [locatie] in Baarle-Nassau.

Bij besluit van 8 maart 2022 heeft het college het door Heemkundekring Amalia van Solms daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 25 maart 2021 herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Bij besluiten van 21 oktober 2022 heeft het college de verzoeken van Heemkundekring Amalia van Solms en Stichting Wandelnet om handhavend op te treden tegen het hekwerk aan [locatie] toegewezen en de verzoeken om handhavend op te treden tegen afsluiting van een pad afgewezen en [appellant] opgedragen om het hekwerk, hoger dan 1 m en dat niet langs de grens van het kadastrale perceel staat en dat zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan is geplaatst en aanwezig is, te verwijderen en verwijderd te houden. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom van € 5000,00 ineens betalen.

Bij uitspraak van 17 oktober 2023 heeft de rechtbank de door [appellant] ingestelde beroepen tegen het besluit van 8 maart 2022 en de besluiten van 21 oktober 2022 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van Heemkundekring Amalia van Solms en Stichting Wandelnet tegen de besluiten van 21 oktober 2022 gegrond verklaard, het besluit waarin het verzoek om handhaving wordt afgewezen herroepen en het college opgedragen om een nieuw besluit op het handhavingsverzoek te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 22 december 2023 heeft het college het handhavingsverzoek van Heemkundekring Amalia van Solms toegewezen en [appellant] opgedragen om de overtreding, het in stand laten van het hekwerk hoger dan 1 m en het belemmeren van de doorgang van het bospad in strijd met het bestemmingsplan, te beëindigen en beëindigd te houden. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom van € 5000,00 euro ineens betalen.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend en een beroepsgrond naar voren gebracht tegen het besluit van 22 december 2023.

Heemkundekring Amalia van Solms en Stichting Wandelnet hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. W. Leistra, advocaat in Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Boeren en mr. S.M.J. Janssens, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting Heemkundekring Amalia van Solms en Stichting Wandelnet, gezamenlijk vertegenwoordigd door ir. H.J.M. Benschop, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] is eigenaar van de woning aan [locatie] in Baarle-Nassau en van de gronden achter zijn woning. [appellant] heeft de gronden achter zijn woning afgesloten met een hekwerk. De hoogte van het hekwerk heeft [appellant] aangepast naar aanleiding van de last onder dwangsom die het college heeft opgelegd. Dat hekwerk is op dit moment 1 m hoog.

Heemkundekring Amalia van Solms en Stichting Wandelnet zijn het er niet mee eens dat [appellant] het pad dat over zijn percelen loopt heeft afgesloten, omdat het pad daardoor niet langer meer toegankelijk is voor wandelaars. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag of het afgesloten pad een openbare weg is en om die reden niet afgesloten had mogen worden.

1.1.    De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Is het pad een openbare weg?

2.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het pad dat over het perceel van [appellant] loopt een openbare weg is in de zin van de Wegenwet. Daarover voert [appellant] allereerst aan dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het pad een weg is in de zin van de Wegenwet omdat het een voetpad is. Volgens [appellant] is het geen weg, omdat het pad geen verkeersbaan is die naar aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dient. Ook heeft het pad uitsluitend een recreatieve functie en dient het pad niet voor de afwikkeling van openbaar verkeer. Daarnaast voert [appellant] aan dat de rechtbank ook ten onrechte heeft overwogen dat het pad een openbare weg is in de zin van artikel 4 van de Wegenwet. Volgens [appellant] is het pad niet openbaar, omdat het niet gedurende dertig jaar voor iedereen toegankelijk is geweest en voldoende duidelijk is gemaakt dat, door middel van de sinds 1986 opgehangen bordjes, het pad niet toegankelijk was of alleen ter bede.

2.1.    Als in geschil is of in een concreet geval sprake is van een weg in de zin van de Wegenwet moet volgens vaste rechtspraak worden bezien of het gaat om verkeersbanen die een functie vervullen voor het afwikkelen van het openbaar verkeer en die dus naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen. Daarbij is niet van belang wie eigenaar is van de grond waarop de weg is aangelegd. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2241, onder 10.1, en 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1652, onder 6.

2.2.    Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het pad een weg is in de zin van de Wegenwet. Het pad vervult namelijk een functie voor het afwikkelen van het openbaar verkeer. Het pad is onderdeel van een doorgaande verbinding tussen de openbare wegen Het Goordonk en de Oude Bredasebaan. Het pad wordt gebruikt door buurtbewoners en wandelaars die vanuit Baarle-Nassau richting Het Goordonk lopen. Dat het pad door bosrijk gebied loopt en voornamelijk recreatief wordt gebruikt, doet niet af aan de functie van het pad voor een grote onbepaalde publieksgroep. Ook het enkele feit dat de aansluiting van het pad op Het Goordonk in het verleden een veranderlijk verloop kende, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het pad geen weg is in de zin van de Wegenwet. Er is immers altijd een doorgaande verbinding geweest tussen de twee openbare wegen, die min of meer op de plek van het huidige pad heeft gelegen.

2.3.    Omdat het pad een weg is in de zin van de Wegenwet, is vervolgens de vraag of dat pad openbaar is. Een weg is openbaar, wanneer deze dertig achtereenvolgende jaren voor iedereen toegankelijk is geweest (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I, van de Wegenwet).

2.4.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het pad al minimaal dertig jaar voor ieder openbaar toegankelijk is en dat het pad daarom een openbare weg in de zin van de Wegenwet is. De rechtbank heeft daarbij mogen betrekken dat de openbaarheid van het pad aannemelijk is gemaakt door onder meer de verschillende topografische kaarten, waarvan de oudste uit 1938 komt, waarop het pad duidelijk is aangegeven. Daarnaast volgt uit de vele getuigenverklaringen van (voormalige) gebruikers van het pad het eenduidige beeld dat het pad in de jaren vijftig van de vorige eeuw al in gebruik was.

2.5.    [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die termijn van dertig jaar is gestuit doordat met bordjes kenbaar is gemaakt dat het pad niet vrij toegankelijk was of alleen ter bede. [appellant] heeft namelijk geen foto’s of ander bewijs overgelegd dat er vanaf 1986 bordjes met teksten als ‘verboden toegang’ of ‘eigen weg’ voor of naast het pad waren geplaatst. De enkele stelling van [appellant] dat die bordjes er waren is onvoldoende, te meer daar die stelling niet wordt ondersteund door de vele getuigenverklaringen die de Heemkundekring Amalia van Solms in het geding heeft gebracht. In die verklaringen staat namelijk dat er nooit enig verbodsbordje is gezien of andere fysieke versperring is geweest die de toegang tot het pad belemmerde. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het pad een openbare weg in de zin van de Wegenwet is en dat de besluiten van 21 oktober 2023 een gebrek bevatten, omdat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het pad geen openbare weg is.

2.6.    Het betoog slaagt niet.

Besluit van 22 december 2023

3.       In het besluit van 22 december 2023 heeft het college gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Dit besluit maakt van rechtswege deel uit van deze procedure (artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht). Het college heeft in dit besluit het handhavingsverzoek van Heemkundekring Amalia van Solms toegewezen en daarbij het oordeel en de argumentatie van de rechtbank over de Wegenwet volledig overgenomen. [appellant] heeft in het beroep tegen dat besluit dezelfde beroepsgrond aangevoerd als in hoger beroep. De Afdeling heeft dit betoog in deze uitspraak behandeld onder 2.1-2.6. Daaruit volgt dat de beroepsgrond niet slaagt.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. Het beroep tegen het besluit van 22 december 2023 is ongegrond.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II.       verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau van 22 december 2023 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Ahmady-Pikart
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026

638-1186

BIJLAGE

Wegenwet

Artikel 1

Lid 1

Deze wet is uitsluitend van toepassing op openbare wegen.

Lid 2

Onder wegen worden in deze wet mede verstaan:

I. voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik;

II. bruggen.

Artikel 4

Lid 1

Een weg is openbaar:

I.        wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

II.       wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een waterschap;

III.      wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.

Lid 2

Het onder I en II bepaalde lijdt uitzondering wanneer, loopende den termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.

Lid 3

Dit kenbaar maken kan geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kenteekenen.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon