Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202405077/1/R4

Uitspraak 202405077/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3683
Datum uitspraak
24 juni 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug aan Wildeland B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een stallencomplex op het perceel Buurtweg 12 in Doorn (het perceel) voor een paardenhouderij en voor het kappen van 26 eiken. Op het perceel was voorheen een melkrundveehouderij en paardenhouderij gevestigd, waarvoor het college op 8 juni 2016 aan Wildeland een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer (Wm) heeft verleend. In 2017 is de melkrundveehouderij beëindigd. Wildeland heeft bij het college een aanvraag ingediend om de paardenhouderij uit te breiden. Voor de omschakeling zal gebruik worden gemaakt van een bestaande stal en daarnaast zal een nieuw stallencomplex worden opgericht. De nieuwe bebouwing bestaat onder meer uit twee stallen, vier paddocks, een rijbak, en op de verdieping acht toiletten, een kantine, een zadelkamer en opslagruimte. [appellante] woont op het perceel [locatie] in Leersum. Haar perceel grenst aan de achterzijde aan het weiland achter het nieuwe stallencomplex. Voor de bouw van het stallencomplex moeten 26 eiken worden gekapt.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202405077/1/R4.
Datum uitspraak: 24 juni 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 8 juli 2024 in zaak nr. 22/4472 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2021 heeft het college aan Wildeland B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een stallencomplex op het perceel Buurtweg 12 in Doorn (het perceel) voor een paardenhouderij en voor het kappen van 26 eiken.

Bij besluit van 28 juli 2022 heeft het college naar aanleiding van het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar het besluit van 12 juli 2021 herroepen en aan Wildeland een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een stallencomplex op het perceel voor een paardenhouderij, het kappen van 26 eiken en voor het uitbreiden van de paardenhouderij.

Bij uitspraak van 8 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 februari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. D. de Jong, advocaat in Zeist, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.T.E. Kemperman, W. van der Wel, S. Eijsenga en R. Verschuure, zijn verschenen. Verder is op de zitting Wildeland B.V., vertegenwoordigd door mr. P.H.N. van Spanje, advocaat in Veenendaal, gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 24 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Op het perceel was voorheen een melkrundveehouderij en paardenhouderij gevestigd, waarvoor het college op 8 juni 2016 aan Wildeland een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer (Wm) heeft verleend. In 2017 is de melkrundveehouderij beëindigd. Wildeland heeft bij het college een aanvraag ingediend om de paardenhouderij uit te breiden. Voor de omschakeling zal gebruik worden gemaakt van een bestaande stal en daarnaast zal een nieuw stallencomplex worden opgericht. De nieuwe bebouwing bestaat onder meer uit twee stallen, vier paddocks, een rijbak, en op de verdieping acht toiletten, een kantine, een zadelkamer en opslagruimte. Voor de bouw van het stallencomplex moeten 26 eiken worden gekapt.

Bij besluit van 28 juli 2022 heeft het college aan Wildeland de benodigde omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een bouwwerk, het uitvoeren van een werk of werkzaamheden, het vellen of doen vellen van houtopstanden, en het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. Deze laatste toestemming is een zogenoemde omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). De OBM is verleend voor het houden van in totaal 99 volwassen paarden, 73 opfokpaarden en 327 stuks vrouwelijk jongvee. Het college heeft bij besluit van 23 december 2020 (mer-beoordelingsbesluit) besloten dat voor de voorgenomen omschakeling geen milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld.

[appellante] woont op het perceel [locatie] in Leersum. Haar perceel grenst aan de achterzijde aan het weiland achter het nieuwe stallencomplex.

3.       De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.

Is het beoogde gebruik in strijd met het bestemmingsplan?

4.       [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de nieuwe bebouwing zal worden gebruikt in strijd met het bestemmingsplan. Uit het feit dat de stallen verhuurd zullen worden aan professionele partijen, volgt volgens haar dat het fokken, africhten, trainen en berijden van paarden en pony’s geen ondergeschikte nevenactiviteiten zullen zijn.

4.1.    De rechtbank is gemotiveerd ingegaan op het door [appellante] aangevoerde over het antwoord op de vraag of de nieuwe bebouwing in strijd met het bestemmingsplan zal worden gebruikt. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen 10 tot en met 16 van de uitspraak van de rechtbank, waarop dat oordeel is gebaseerd. Het door [appellante] in hoger beroep aangevoerde is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd en geeft geen grond voor een ander oordeel.

Voorziet het bouwplan in voldoende parkeergelegenheid?

5.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte aan haar het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft tegengeworpen. Volgens haar volgt uit de toelichting op het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening" (het paraplubestemmingsplan) dat de regels daarin over parkeren ook strekken tot bescherming van het belang van verkeersveiligheid. Als bij het stallencomplex te weinig parkeerplaatsen aanwezig zijn, dan zullen auto’s op de smalle Buurtweg keren of in de berm parkeren, zo betoogt [appellante]. Dit leidt tot verkeersonveilige situaties op die weg. Zij stelt dat ze zich kan beroepen op de regels in het paraplubestemmingplan over parkeren, omdat zij zicht heeft op de Buurtweg en langs het stallencomplex rijdt als ze naar het dorp Doorn gaat.

5.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot vernietiging van het besluit, omdat het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb daaraan in de weg staat. In de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.5, is overwogen dat de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een woning, onder meer het belang van bewoners bij behoud en herstel van dit woon- en leefklimaat beschermt. [appellante] woont op hemelsbreed ongeveer 300 m afstand van het stallencomplex. Gemeten over de weg bedraagt de afstand ongeveer 900 m. Het door [appellante] gestelde belang van de verkeersveiligheid op de Buurtweg houdt, gezien deze afstanden, onvoldoende verband met haar woon- en leefklimaat. Wat zij hierover aanvoert kan dus niet leiden tot vernietiging van het besluit van 28 juli 2022.

Gezien het voorgaande mocht de rechtbank afzien van een inhoudelijke bespreking van het betoog over de parkeerplaatsen.

Het betoog slaagt niet.

Kleven er gebreken aan de OBM?

6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij in beroep niets tegen de "Aanmeldingsnotitie MER-beoordeling" van AR Bedrijfsontwikkeling B.V. van 21 december 2020 (aanmeldingsnotitie) heeft aangevoerd en ook anderszins niet concreet heeft gemaakt dat en waarom het mer-beoordelingsbesluit gebrekkig of onrechtmatig is.

6.1.    Bij brief van 19 juni 2024 heeft [appellante] gronden aangevoerd tegen de aanmeldingsnotitie en het mer-beoordelingsbesluit. De rechtbank is daar ten onrechte aan voorbij gegaan. Het betoog van [appellante] is in zoverre terecht voorgedragen. Dit leidt er echter niet toe dat de uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking komt. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank namelijk wel terecht tot de conclusie gekomen dat het college zich op basis van de aanmeldingsnotitie en het advies van de Omgevingsdienst Regio Utrecht van 5 februari 2021 (het advies van de ODRU) op het standpunt heeft mogen stellen dat een MER niet noodzakelijk is. De Afdeling licht dat hierna onder 7 tot en met 7.5 toe.

7.       [appellante] betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, dat het college bij zijn besluit of een MER moet worden gemaakt niet de milieugevolgen in de reeds vergunde situatie als uitgangspunt mocht nemen. In plaats daarvan had moeten worden uitgegaan van de feitelijke situatie omdat de melkrundveehouderij al in 2017 is beëindigd.

Zij betoogt verder dat het college niet mocht afgaan op de aanmeldingsnotitie en het advies van de ODRU. Volgens haar geeft de aanmeldingsnotitie een onjuist beeld, omdat daarin wordt uitgegaan van een afname van het aantal verkeersbewegingen. Dit rijmt volgens haar niet met het feit dat door de omschakeling het aantal paarden toeneemt tot 170. Zij voert verder aan dat het advies van de ODRU achterhaald is, omdat de aanvraag op 3 juli 2021 nog is gewijzigd en vanwege de aanvulling bij de aanmeldingsnotitie.

[appellante] betoogt ten slotte nog dat het besluit van 28 juli 2022 niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.17, vierde lid, van de Wm.

7.1.    De OBM is aangevraagd voor de wijziging van de inrichting. Het college moest ten aanzien van deze wijziging beoordelen of deze belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben die nopen tot het maken van een MER. Daarbij dienen de milieugevolgen vanwege de inrichting in de al vergunde situatie tot uitgangspunt genomen te worden. Als de wijzigingen er ten opzichte van de al vergunde situatie toe leiden dat de milieugevolgen afnemen, althans niet toenemen, bestaat geen ruimte voor het oordeel dat de wijzigingen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4061, onder 6.1.

7.2.    Het voorgaande betekent dat het college terecht de vergunde situatie tot uitgangspunt heeft genomen. De enkele omstandigheid dat Wildeland de melkrundveehouderij in 2017 heeft beëindigd, maakt daarom niet dat het college niet deugdelijk heeft beoordeeld of een MER moet worden gemaakt. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2017 leidt niet tot een ander oordeel.

7.3.    Zowel de aanmeldingsnotitie als het advies van de ODRU komen tot de conclusie dat de omschakeling geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu en dat het maken van een MER daarom niet nodig is. De Afdeling is van oordeel dat het college zich op die stukken mocht baseren en overweegt hiertoe als volgt.

Gelet op de in de aanmeldingsnotitie gegeven toelichting, die [appellante] ook niet heeft bestreden, geeft wat zij aanvoert geen reden om te twijfelen aan de juistheid van die aanmeldingsnotitie. Dat ten opzichte van de vergunde situatie uit wordt gegaan van een kleine vermindering van het aantal transportbewegingen, komt volgens de aanmeldingsnotitie doordat activiteiten van de melkrundveehouderij zijn vervallen en daarnaast het aantal paardenverzorgers fors daalt. Dat laatste heeft ermee te maken dat in de vergunde situatie sprake is van 19 paarden met elk een verzorger, terwijl in de gewenste situatie in totaal 9 units, waarin meerdere paarden kunnen worden ondergebracht, worden verhuurd. In totaal zal sprake zijn van 9 gebruikers van de units en elke gebruiker heeft een eigen verzorger/trainer. Het aantal transportbewegingen zal dus licht dalen ten opzichte van de vergunde situatie, zo staat in de aanmeldingsnotitie.

Verder ziet de Afdeling ook geen reden voor het oordeel dat het college nader advies had moeten inwinnen bij het ODRU omdat, nadat het advies van de ODRU is opgesteld, er nog een aanvulling op de aanmeldingsnotitie is geweest en de aanvraag is gewijzigd. Het college heeft op de zitting bevestigd dat deze stukken inderdaad niet zijn aangeleverd bij de ODRU, maar volgens het college was dat ook niet nodig, omdat nog steeds hetzelfde aantal dieren wordt gehouden en het nog steeds geen dieren zijn met een geuremissiefactor. De Afdeling stelt vast dat de aanvulling op de aanmeldingsnotitie een tabel is waarin ten opzichte van de aanmeldingsnotitie de dierenaantallen in relatie tot de daarmee gepaard gaande emissies meer gedetailleerd zijn uitgewerkt ten opzichte van de aanmeldingsnotitie en dat daarnaast ook de tekening bij de aanmeldingsnotitie van 15 oktober 2020 is geactualiseerd. De Afdeling is van oordeel dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat de informatie daarin niet relevant is voor hetgeen waarover de ODRU adviseerde. Over de gewijzigde aanvraag overweegt de Afdeling dat [appellante] niet heeft onderbouwd waarom het noodzakelijk was dat de ODRU daarover beschikte in het kader van de advisering over de OBM. Daarmee is namelijk alleen de bebouwing gewijzigd, terwijl het aantal dieren gelijk is gebleven.

7.4.    Er bestaat verder geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 28 juli 2022 niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.17, vierde lid, van de Wm. In dat besluit wordt voor de relevante criteria verwezen naar bijlage III van de mer-richtlijn. Voor de inhoudelijke kenmerken verwijst het besluit van 28 juli 2022 naar de aanmeldingsnotitie. Hoofdstuk 3 van de aanmeldingsnotitie gaat over de kenmerken van het project. Van geplande maatregelen is verder niet gebleken.

7.5.    Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college zich op basis van de aanmeldingsnotitie en het advies van ODRU op het standpunt heeft mogen stellen dat de omschakeling geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu en dat het maken van een MER daarom niet noodzakelijk is.

Het betoog slaagt niet.

Soortenbescherming

8.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat haar betoog in beroep inhield dat het besluit van 28 juli 2022 onbegrijpelijk is wat betreft het aspect soortenbescherming. De rechtbank is volgens haar ten onrechte niet op dit betoog ingegaan. Zij heeft betoogd dat het college niet voldoende heeft onderzocht of voor de kap van 26 bomen een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het aspect soortenbescherming nodig was. Zij wijst er in dat kader op dat het college zich niet mocht baseren op de Quickscan flora en fauna "Transformatie van landgoed ‘Wildeland’" van BK Bouw- en milieuadvies van 30 maart 2021 (Quickscan), omdat de aanvraag op 3 juli 2021 nog is gewijzigd waardoor meer bomen moesten worden gekapt, wat niet in de Quickscan is betrokken.

8.1.    De aanhaakplicht houdt het volgende in.

Als voor een activiteit naast een omgevingsvergunning voor bouwen, het uitvoeren van een werk of werkzaamheden, en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Wabo, ook een vergunning of ontheffing in het kader van de Wnb nodig is, kan de aanvrager kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd wil doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit over de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen Wnb-vergunning of ontheffing is aangevraagd of verleend, bestaat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht, de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteiten een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo aan te vragen.

8.2.    De Afdeling stelt vast dat het college op de zitting desgevraagd geen antwoord kon geven op de vraag of afzonderlijk een Wnb-ontheffing is aangevraagd voor de kap van 26 bomen op het perceel. Nu dit onduidelijk is gebleven, gaat de Afdeling ervan uit dat dit, als het gaat om het aspect soortenbescherming, niet is gebeurd.

8.3.    Aan het besluit van 28 juli 2022 is de Quickscan ten grondslag gelegd die betrekking heeft op het kappen van 8 bomen. Daarin staat dat het niet nodig is nader onderzoek te verrichten of een ontheffing in het kader van het aspect soortenbescherming nodig is. Wel zal, om overtreding van de Wnb voor een aantal soorten te voorkomen, bij het uitvoeren van de werkzaamheden volgens een ecologisch werkprotocol en/of onder ecologische begeleiding gewerkt moeten worden en specifiek voor vogelsoorten geldt dat buiten het broedseizoen gewerkt zal moeten worden.

De Afdeling stelt vast dat de aanvraag in eerste instantie is gedaan voor de kap van 8 bomen. Nadat de Quickscan is opgesteld is de aanvraag aangepast. De bebouwing is gewijzigd als gevolg van het welstandsadvies waardoor er 18 extra bomen moesten worden gekapt. Op de zitting is door het college toegelicht dat niet nader is onderzocht of er ook een ontheffing nodig was voor het aspect soortenbescherming voor deze 18 extra bomen. De Afdeling is van oordeel dat het college, gelet op het grote verschil in het aantal te kappen bomen, zich niet zonder nadere motivering op basis van de Quickscan op het standpunt heeft mogen stellen dat voor het kappen van in totaal 26 bomen geen aanhaakplicht bestond. Het college heeft het besluit van 28 juli 2022 dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Dat besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling komt daarom in hoger beroep tot een ander oordeel dan de rechtbank.

Het betoog slaagt.

Conclusie

9.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 28 juli 2022 ongegrond heeft verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling dat beroep gegrond verklaren. Het besluit van 28 juli 2022 komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Inmiddels zijn alle 26 bomen gekapt. Het is in dit geval niet meer mogelijk om vast te stellen of er een aanhaakplicht was en dus kan ook niet meer worden vastgesteld of ten onrechte niet is aangehaakt. Daarom en omdat de andere beroepsgronden van [appellante] niet slagen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit van 28 juli 2022 in stand te laten.

10.     Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 8 juli 2024 in zaak nr. 22/4472, voor zover de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 28 juli 2022 ongegrond heeft verklaard;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug van 28 juli 2022, met kenmerk HZ_WABO-20-2653;

V.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

VI.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld op door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Huussen, griffier.

w.g. Besselink
voorzitter

w.g. Huussen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026

776-1070

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.

Artikel 6:3

Een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

Artikel 8:72

[…]

3. De bestuursrechter kan bepalen dat:

a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of

[…]

Wet milieubeheer

Artikel 7:16

1. Indien degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, deelt hij dat voornemen schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.

[…]

4. Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, kan degene die de activiteit wil ondernemen een beschrijving verstrekken van de kenmerken van de voorgenomen activiteit en van de geplande maatregelen om waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen.

[…]

Artikel 7:17

1. Behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel 7.16, vijfde lid, neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

[…]

4. In de motivering van zijn beslissing verwijst het bevoegd gezag in ieder geval:

a. naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn.

b. indien is beslist dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt, naar de kenmerken en maatregelen, bedoeld in 7.16, vierde lid, die aan deze beslissing ten grondslag hebben gelegen of mede ten grondslag hebben gelegen en, met het oog daarop, op welk moment de maatregelen gerealiseerd dienen te zijn.

[…]

Wet algemene bepalingen

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

[…]

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

[…]

Artikel 2.2

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

[…]

g. houtopstand te vellen of te doen vellen,

[…]

Besluit Omgevingsrecht

Artikel 2.2a

1. Als categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aangewezen:

[…]

i. et houden van meer dan 100 paarden, behorend tot de diercategorieën K1 tot en met K4, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld;

[…]

Artikel 5.13b

1. Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid, onder a tot en met i, wordt geweigerd indien het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer, heeft beslist dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

[…]

Regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Doorn 2011"

Artikel 1.5 agrarische bedrijvigheid:

bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen en het houden van dieren, met inbegrip van paardenfokkerij en met uitzondering van paardenhouderij en manege;

Artikel 1:35 manege:

bedrijvigheid geheel of overwegend gericht op het houden, stallen, africhten, trainen en berijden van paarden en pony’s, het terzake lesgeven en de exploitatie van daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen een kantine of soortgelijke horecavoorziening;

Artikel 1.38 paardenhouderij:

het bedrijfsmatig, niet op agrarische productie gericht houden en stallen van paarden en pony’s, met als ondergeschikte nevenactiviteit het fokken, africhten, trainen en berijden van paarden en pony’s;

Artikel 3.1 Bestemmingsomschrijving:

De voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. agrarische bedrijvigheid, […]

c. paardenhouderij, ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij",

[…]


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon