Uitspraak BRS.26.002869 en BRS.26.002872
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3615
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.002869 en BRS.26.002872
ECLI:NL:RVS:2026:3615
Datum uitspraak: 23 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 9 juni 2026 in zaak nr. NL25.32754 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 9 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. W. Boelens, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. In de uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, heeft de Afdeling overwogen dat afvalligheid betekent dat een vreemdeling zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid, dat hij eerder heeft aangehangen of waarbij hij in de ogen van zijn sociale omgeving of de overheid aangesloten behoort te zijn. Ook een vreemdeling die nooit heeft geloofd in het geloof waarmee hij is opgegroeid, kan dus afvallig zijn. Appellant betoogt daarom terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister in dit geval de geloofwaardigheid van de gestelde afvalligheid ten onrechte niet deugdelijk heeft onderzocht en beoordeeld. De eerste grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het besluit van 15 juli 2025. Het is niet nodig wat appellanten verder in beroep en hoger beroep hebben aangevoerd te bespreken. De minister moet namelijk een nieuw besluit nemen waarbij hij onderzoek moet doen naar de door appellant gestelde afvalligheid en deugdelijk moet motiveren waarom hij deze al dan niet geloofwaardig acht. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 9 juni 2026 in zaak nr. NL25.32754;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 15 juli 2025, V-[…] en V-[…];
V. wijst het verzoek af;
VI. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Stoové
voorzieningenrechter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026
853-1169