Uitspraak 202500785/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3656
- Datum uitspraak
- 24 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 14 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan de Haagsche Investeringsmaatschap een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van de woning aan [locatie 1] in Den Haag naar drie woningen. De Haagsche Investeringsmaatschap heeft op 16 december 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen en vergroten van de woning aan [locatie 1] in drie woningen, door het maken van een extra bouwlaag (kapverdieping), het wijzigen van de indeling en het plaatsen en veranderen van kozijnen. Volgens het college is het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan "Stationsbuurt", het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren", de Bouwverordening, het Bouwbesluit 2012 en de Welstandsnota. Bij besluit van 14 maart 2022 heeft het college de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend. In hoger beroep ligt uitsluitend de vraag voor of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren".
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202500785/1/R3.
Datum uitspraak: 24 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend in Den Haag,
2. het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
3. De Haagsche Investeringsmaatschap, gevestigd in Amsterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2024 in zaken nrs. 22/6225 en 22/6229 in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A],
2. [appellant sub 1B]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2022 heeft het college aan de Haagsche Investeringsmaatschap een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van de woning aan [locatie 1] in Den Haag naar drie woningen.
Bij besluiten van 20 september 2022 heeft het college de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 december 2024 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hoger beroep ingesteld.
Het college en de Haagsche Investeringsmaatschap hebben incidenteel hoger beroepen ingesteld.
Het college en de Haagsche Investeringsmaatschap hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben een zienswijze op het incidenteel hoger beroep van het college naar voren gebracht.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 april 2026, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], bijgestaan door mr. E.M. Prins, advocaat in Den Haag, vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.V. Benjamin, en de Haagsche Investeringsmaatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland, advocaat in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht Inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. De Haagsche Investeringsmaatschap heeft op 16 december 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen en vergroten van de woning aan [locatie 1] in drie woningen, door het maken van een extra bouwlaag (kapverdieping), het wijzigen van de indeling en het plaatsen en veranderen van kozijnen. Volgens het college is het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan "Stationsbuurt", het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren", de Bouwverordening, het Bouwbesluit 2012 en de Welstandsnota. Bij besluit van 14 maart 2022 heeft het college de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo verleend.
In hoger beroep ligt uitsluitend de vraag voor of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren"
Incidenteel hoger beroepen college en De Haagsche Investeringsmaatschap
3. Het college en De Haagsche Investeringsmaatschap betogen dat de rechtbank bij de vraag of is voorzien in voldoende parkeergelegenheid in de zin van artikel 5.1 van het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren", ten onrechte is uitgegaan van een maximale loopafstand van 500 m. Volgens het college moet niet worden uitgegaan van de Nota parkeernormen Den Haag 2021, maar van de Nota parkeernormen CID en Binckhorst Den Haag 2020. Daarin is alleen bepaald dat de parkeervoorziening in of nabij het ontwikkelgebied moet liggen en zijn geen loopafstanden opgenomen. Als de Nota parkeernormen Den Haag 2021 wel het toetsingskader is, dan moet volgens het college en De Haagsche Investeringsmaatschap worden uitgegaan van het gebied "Centrum", waarvoor een maximale loopafstand van 800 m geldt.
Daarnaast betoogt De Haagsche Investeringsmaatschap dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een parkeereis van één parkeerplaats, omdat zij op grond van artikel 2:2 de Nota parkeernormen Den Haag 2021 is vrijgesteld van een parkeereis.
3.1. Artikel 5.1 van de planregels luidt:
"[…]
b. of sprake is van voldoende (fiets)parkeergelegenheid, zoals genoemd onder a wordt bepaald op basis van de (fiets)parkeernormen, (fiets)parkeereisen en berekeningsmethode, zoals opgenomen in: 1. voor motorvoertuigen: de Nota parkeernormen Den Haag, met dien verstande dat indien voornoemde nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; […]
c. burgemeester en wethouders passen de Nota parkeernormen Den Haag en beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016 toe zoals deze geldt op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning;"
3.2. Op grond van artikel 5.1, onder c, van de planregels zijn de op het moment van de indiening van de aanvraag geldende beleidsregels van toepassing. De Afdeling stelt vast dat op het moment van de indiening van de aanvraag om de omgevingsvergunning op 16 december 2021 de Nota parkeernormen Den Haag 2021 het op dat moment geldende parkeerbeleid was. Deze nota is op 7 oktober 2021 vastgesteld en op 19 oktober 2021 in werking getreden. De Afdeling volgt het college niet in het standpunt dat toch voor het gebied CID en Binckhorst, de eerder vastgestelde Nota parkeernormen CID en Binckhorst Den Haag 2020 van toepassing zou zijn. Deze nota is op 7 oktober 2020 vastgesteld en op 7 oktober 2020 in werking getreden. Daarvoor is naast het bepaalde in artikel 5.1, onder b en c, van de planregels van belang dat in de Nota parkeernormen Den Haag 2021 staat dat deze van toepassing is bij de beoordeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning. Uit de artikelen van de nota zelf of uit het besluit tot vaststelling daarvan volgt niet dat daarop een uitzondering geldt voor het gebied CID en Binckhorst. Dat in de inleiding van het raadsbesluit wordt opgemerkt dat deze nota niet geldt voor het gebied CID en Binckhorst en dat een vergelijkbare tekst voorkomt in een artikelsgewijze toelichting, is daarvoor onvoldoende.
Gelet hierop oordeelt de Afdeling met de rechtbank dat de Nota parkeernormen Den Haag 2021 van toepassing is.
3.3. De Afdeling overweegt verder dat, omdat de Nota parkeernormen Den Haag 2021 van toepassing is, het gebied waar [locatie 1] is gelegen bepalend is voor de geldende maximale loopafstand tot de parkeervoorziening. De Afdeling volgt het college en De Haagsche Investeringsmaatschap in hun standpunt dat [locatie 1] ligt in het gebied "Centrum" en niet in het gebied "Vooroorlogs" waarvan de rechtbank is uitgegaan. Dit betekent dat, anders dan de rechtbank heeft geconcludeerd, op grond van bijlage 6 van de Nota parkeernormen Den Haag 2021 een maximale loopafstand van 800 m geldt in plaats van 500 m.
Het betoog slaagt in zoverre.
3.4. Over het betoog van De Haagsche Investeringsmaatschap over de parkeereis, overweegt de Afdeling als volgt. In beroep was uitsluitend in geschil of werd voldaan aan de voorwaarden die gelden voor het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waaronder de maximale loopafstand. De parkeereis als zodanig was in beroep niet in geschil en de rechtbank hoefde ook niet ambtshalve te beoordelen of hier een parkeereis van één parkeerplaats gold. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een parkeereis van één parkeerplaats.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
Hoger beroep [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]
Ingetrokken hoger beroepsgrond
4. Op de zitting hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hun hoger beroepsgrond over de beschikbaarheid van de parkeerplaats ingetrokken.
Toetsingskader parkeren
5. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat is voldaan aan artikel 5.1 van het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren". Volgens hen is het juist dat de rechtbank heeft getoetst aan de Nota parkeernormen Den Haag 2021, maar wordt er anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet voldaan aan de 500 m loopafstand van [locatie 1] naar de door de Haagsche Investeringsmaatschap gehuurde parkeerplek aan [locatie 2] in Den Haag. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben wijzen in dat verband op het door hen overgelegde metingsonderzoek van SOCOTEC van 5 maart 2025. Hieruit volgt dat de kortste afstand tussen [locatie 1] en de gehuurde parkeerplaats 508,7 meter is.
5.1. Artikel 4:2 van de Nota parkeernormen Den Haag 2021 luidt:
"Het college kan geheel of gedeeltelijk besluiten dat elders op andermans eigen terrein wordt voorzien in de autoparkeereis, indien: […] b. structureel, dat wil zeggen voor minimaal 10 jaar, middels een overeenkomst aan te tonen, een alternatieve parkeervoorziening beschikbaar is binnen een loopafstand opgenomen in bijlage 6 […]"
5.2. Zoals onder 3.2 is overwogen, geldt hier een maximale loopafstand van 800 m. Tussen partijen is niet in geschil is dat de feitelijke loopafstand tussen de woning aan [locatie 1] en de gehuurde parkeerplaats minder bedraagt dan 800 m. Gelet daarop is voldaan aan de parkeernorm uit de Nota parkeernormen Den Haag 2021. Het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat de afstand groter is dan 500 m, wat alleen relevant zou zijn als de woning in het gebied "Vooroorlogs" zou liggen, hoeft daarom geen verdere bespreking.
Dit betoog slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
6. Het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] is ongegrond.
De incidenteel hoger beroepen van het college en De Haagsche Investeringsmaatschap zijn gegrond.
7. Het college moet de proceskosten van De Haagsche Investeringsmaatschap vergoeden.
Daarnaast ziet de Afdeling in dit geval aanleiding om het college te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], voor zover het gaat om de kosten van het metingsonderzoek van SOCOTEC van 5 maart 2025. Daarvoor is van belang dat het college in de procedure tot en met de rechtbank het standpunt heeft ingenomen dat er een loopafstand van 500 m geldt. Zo heeft het college in de bezwaarfase naar aanleiding van de stelling van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat de loopafstand meer dan 500 m bedraagt, nader onderzoek laten doen. Ook heeft het college op de zitting bij de rechtbank herhaald dat er een loopafstand van 500 m geldt. Na de uitspraak van de rechtbank hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] zelf een onderzoek laten doen naar de feitelijke loopafstand. Het college heeft voor het eerst in hoger beroep het standpunt ingenomen dat er een loopafstand van 800 m geldt. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben op de zitting bevestigd dat aan die afstand zonder meer wordt voldaan, zodat een deskundigenrapport pas achteraf gezien niet nodig was.
7.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.
7.2. De kosten van het metingsonderzoek komen voor vergoeding in aanmerking. Op de zitting hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] desgevraagd vermeld dat het aantal gedeclareerde uren acht bedraagt. De Afdeling vindt acht bestede uren redelijk. Gelet op het totaal gefactureerde bedrag van € 1.270,50, bedraagt het uurtarief € 158,82. Ook dit bedrag vindt de Afdeling redelijk. Om die reden komen de gemaakte kosten voor het metingsonderzoek volledig voor vergoeding in aanmerking. Dit betekent dat voor de door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gedeclareerde kosten voor het laten opstellen van het metingsonderzoek van 5 maart 2025 een bedrag wordt vergoed van € 1.270,50.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ongegrond;
II. verklaart de incidenteel hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag en De Haagsche Investeringsmaatschap gegrond;
III. bevestigt de aangevallen uitspraak;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij De Haagsche Investeringsmaatschap in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.270,50, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buskermolen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026
896-1195