Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 125.868
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

BRS.26.003543 en BRS.26.003544

Bij besluit van 27 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4491
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003543 en BRS.26.003544

BRS.26.003588

Bij besluit van 7 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 19 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4493
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003588

BRS.26.003602

Bij besluit van 28 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 8 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4490
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003602

BRS.26.003611

Bij besluit van 19 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4492
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003611

BRS.26.003625

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 9 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep, geregistreerd onder NL26.9879, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4478
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003625

202403774/1/V3

Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 22 april 2024 heeft de staatssecretaris het verzoek van betrokkene om heroverweging van het terugkeerbesluit en verwijdering van de signalering uit het SIS afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4454
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaak202403774/1/V3

202503738/7/A2

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen inhoudende dat alle lopende beslagen en executiemaatregelen die tegen hem zijn genomen per direct worden geschorst. [verzoeker] ontvangt een WIA-uitkering. Op deze uitkering heeft een gerechtsdeurwaarder beslag laten leggen. Deze gerechtsdeurwaarder treedt volgens [verzoeker] op als coördinerende gerechtsdeurwaarder namens verschillende schuldeisers. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat het ontbreekt aan een grondslag voor een groot deel van de vorderingen en er onvoldoende overzicht van alle schulden bestaat. Hierdoor komt zijn bestaanszekerheid in gevaar.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4477
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202503738/7/A2

202503807/1/V3

Bij besluit van 7 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de staatssecretaris het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4511
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaak202503807/1/V3

BRS.25.000833

De minister van Asiel en Migratie heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 juni 2025 in zaak nr. NL25.7050, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278. Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. P.H. Hillen, advocaat in Tilburg, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4471
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.000833

BRS.26.000333

Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4392
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000333

BRS.26.002068

Bij besluit van 11 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 17 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4458
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002068

BRS.26.003156

Bij besluit van 5 september 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 28 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4466
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003156

BRS.26.003323

Bij besluit van 9 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4459
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003323

BRS.26.003493

Bij besluit van 2 december 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4461
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003493

BRS.26.003636

Bij besluit van 8 april 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 9 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen gerichte beroep van verzoeker gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4388
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003636

BRS.26.003839

Bij besluit van 12 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 30 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4467
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003839

BRS.26.003897

Bij besluit van 9 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 6 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4509
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003897

BRS.26.003945

Bij besluit van 18 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4520
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003945

BRS.26.003952

Bij besluiten van 16 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hen verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4522
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003952

BRS.26.003953

Bij besluit van 5 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4523
Datum uitspraak
31 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003953

BRS.26.003439

Bij brief van 5 februari 2024 heeft de minister appellant meegedeeld dat de rechten van de Richtlijn tijdelijke bescherming voor hem op 4 maart 2024 stoppen. Bij besluit van 11 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4469
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003439

202601682/1/R4

Bij besluit van 7 mei 2026 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het verzoek om handhaving van LIMM afgewezen. LIMM is een producent van duurzame papieren drinkbekers voor eenmalig gebruik. Zij heeft op 1 en 2 april 2026 proefpakketten drinkbekers aangeboden aan de staatssecretaris. Hierbij heeft zij de staatssecretaris verzocht om handhavend op te treden tegen het op de markt brengen van drinkbekers van LIMM die mogelijk plastic bevatten, maar desondanks niet zijn voorzien van een verplichte markering op grond van artikel 15e van het Besluit beheer verpakkingen 2014 (het Besluit beheer verpakkingen). Het doel van het verzoek is om van de staatssecretaris een besluit uit te lokken om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of zij op grond van artikel 15e van het Besluit beheer verpakkingen haar drinkbekers moet voorzien van markeringen. LIMM heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, waarbij de staatssecretaris wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen op het verzoek om handhaving en daarbij inhoudelijk beoordeelt of LIMM een overtreding heeft begaan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4476
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202601682/1/R4

BRS.25.001028

Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 juli 2025 in zaak nr. NL25.23233. De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij verzoeker opgekomen proceskosten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4369
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001028

BRS.26.001490

Bij besluit van 14 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4383
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001490

BRS.26.001762

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 1 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4377
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001762

BRS.26.002314

Bij besluit van 20 april 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 6 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4381
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002314

BRS.26.002934

Bij besluit van 22 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4385
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002934

BRS.26.003316

Bij besluit van 3 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4376
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003316

BRS.26.003394

Bij besluit van 31 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4379
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003394

BRS.26.003603

Bij besluit van 19 juli 2023 en heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4384
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003603

BRS.26.003607

Bij besluit van 22 april 2025 heeft de minister van Asiel wn Migratie een aanvraag van betrokkene om verlenging van haar verblijfsdocument EU/EER, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4370
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003607

BRS.26.003739

Bij besluit van 29 mei 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 15 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven voor zover het gaat over de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4506
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003739

BRS.26.003853

Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4457
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003853

202302722/2/A3

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 10 maart 2023 in zaak nr. 20/1242. De korpschef van politie heeft de vertrouwelijke versie van twee gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken. Het betreft een vertrouwelijke toelichting op de aanvullende motivering en een aanvullende motivering van het besluit. [appellant] heeft de korpschef verzocht om inzage in zijn gegevens. In het bijzonder wil [appellant] weten of zijn gegevens zijn opgenomen in het Schengen Informatiesysteem II of voorkomen in het Opsporingssysteem. De korpschef heeft dat verzoek afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de korpschef dat mocht doen. [appellant] komt op tegen de uitspraak van de rechtbank. De korpschef heeft de documenten waar de gegevens in staan met een nadere motivering aan de Afdeling toegestuurd. Voor de documenten met gegevens die [appellant] wil inzien, gaat de Afdeling er zonder verder onderzoek van uit dat alleen zij zelf kennisneemt van de stukken. Dat staat in artikel 2.5.4, vijfde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4389
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Hoger beroep
  • Politiegegevens
  • uitspraakin de zaak202302722/2/A3

202302723/2/A3

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 10 maart 2023 in zaak nr. 20/1241. [appellant] heeft de korpschef verzocht om inzage in zijn gegevens. De korpschef heeft dat verzoek afgewezen. In het bijzonder wil [appellant] weten of zijn gegevens zijn opgenomen in het Schengen Informatiesysteem II of voorkomen in het Opsporingssysteem. De korpschef heeft dat verzoek afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de korpschef dat mocht doen. [appellant] komt op tegen de uitspraak van de rechtbank. De korpschef heeft de documenten waar de gegevens in staan met een nadere motivering aan de Afdeling toegestuurd. Voor de documenten met gegevens die [appellant] wil inzien, gaat de Afdeling er zonder verder onderzoek van uit dat alleen zij zelf kennisneemt van de stukken. Dat staat in artikel 2.5.4, vijfde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4390
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Hoger beroep
  • Politiegegevens
  • uitspraakin de zaak202302723/2/A3

202302725/2/A3

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 10 maart 2023 in zaak nr. 22/1097. De minister voor Rechtsbescherming heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk. Het betreft een advies van het Openbaar Ministerie. [appellant] heeft de minister verzocht om openbaarmaking van een aantal documenten over de landsadvocaat. De minister heeft dat verzoek afgewezen vanwege de veiligheid van de staat en omdat openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank heeft overwogen dat de minister dat mocht doen. [appellant] komt op tegen de uitspraak van de rechtbank. De minister heeft de documenten waarop het verzoek van [appellant] ziet aan de Afdeling toegestuurd. Voor deze documenten gaat de Afdeling er zonder verder onderzoek van uit dat alleen zij zelf kennisneemt van de stukken. Dat staat in artikel 2.5.4, vijfde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2026.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4391
Datum uitspraak
30 juli 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202302725/2/A3

BRS.25.001581

Bij besluit van 15 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4375
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001581

BRS.26.002930

Bij besluit van 3 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4352
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002930

BRS.26.002994

Bij besluit van 22 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4337
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002994

BRS.26.003079

Bij besluit van 27 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4346
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003079

BRS.26.003504

Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4347
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003504

BRS.26.003508

Bij besluit van 10 september 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4348
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003508

BRS.26.003515

Bij besluit van 15 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4349
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003515

BRS.26.003554

Bij besluit van 10 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4362
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003554

BRS.26.003561

Bij besluit van 21 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4365
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003561

BRS.26.003619

Bij besluit van 7 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4363
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003619

BRS.26.003651

Bij besluit van 17 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen en een verzoek van verzoeker om bestuurlijke heroverweging van de besluiten over zijn zes eerdere asielaanvragen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4361
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003651

BRS.26.003734

Bij besluit van 9 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4356
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003734

BRS.26.003817

Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 20 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4462
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003817

BRS.26.003856

Bij besluit van 3 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4378
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003856

BRS.26.003879

Bij besluit van 9 juni 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 28 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Verzoeker heeft krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bij de minister bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overdracht op 30 juli 2026 en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft dit verzoek op 28 juli 2026 ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4464
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003879

BRS.26.003895

Bij besluit van 24 september 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 16 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4465
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003895

202202275/3/R3

Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2049, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 17 januari 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "herstelbesluit Stedelijk" te herstellen. De raad heeft bij besluit van 22 februari 2022 het bestemmingsplan "Stedelijk" vastgesteld. Het plan voorziet in een actueel planologisch-juridische regeling voor het stedelijk gebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de beroepen tegen het besluit van 17 januari 2023 behandeld. Naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen heeft de Afdeling gebreken in dit besluit geconstateerd. [appellant sub 1] betoogt dat met het besluit van 8 juli 2025 niet voldaan is aan de opdracht van de tussenuitspraak. Hij wijst erop dat het perceel Liguster 202 in Leidschendam ten onrechte buiten het plangebied is gehouden. Hiermee is volgens hem nog steeds geen oplossing geboden voor hinder die omwonenden in de huidige situatie al ondervinden van het verkeer afkomstig van het winkelcentrum.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4394
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202202275/3/R3

202300680/1/R4

Bij besluit van 15 oktober 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan ProRail B.V. een last onder dwangsom opgelegd, wegens overschrijding van de geluidgrenswaarden voor het maximaal geluidsniveau die op grond van de omgevingsvergunning van 24 mei 2011 gelden voor haar inrichting aan de Atoomweg in Utrecht. ProRail heeft een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een spoorwegemplacement aan de Atoomweg op het industrieterrein Lage Weide in Utrecht. Het emplacement heeft een laad- en loskade aan de Uraniumweg. In deze procedure is van belang dat [bedrijf]. gebruik maakt van het emplacement voor de overslag van stenen. [appellant] woont aan de [locatie], tegenover de laad- en loskade, en exploiteert daar een autogarage. Hij heeft last van geluid- en stofhinder als gevolg van de overslag van stenen van treinstellen op vrachtwagens. Op 27 juli 2021 heeft hij het college verzocht om daartegen handhavend op te treden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4412
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202300680/1/R4

202302562/1/R3

Bij besluit van 25 januari 2023 hebben provinciale staten van Overijssel het inpassingsplan "Springendal en Dal van de Mosbeek" (het inpassingsplan) gewijzigd vastgesteld. Bij besluit van 4 juli 2013 is het gebied ‘Springendal en Dal van de Mosbeek’ aangewezen als Natura 2000-gebied. Dit gebied heeft een oppervlak van 1.338 ha en ligt voor het grootste deel in de gemeente Tubbergen en voor een klein deel in de gemeente Dinkelland op de stuwwal van Ootmarsum. De noordgrens van het gebied wordt gevormd door de grens met Duitsland. Om de maatregelen te kunnen treffen, is voor een deel van de gronden een bestemmingswijziging nodig. Op die gronden, die vooral buiten het Natura 2000-gebied zijn gelegen, heeft het inpassingsplan betrekking. Het plangebied van het inpassingsplan is kleiner dan dat van het inrichtingsplan. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en anderen, Textielreiniging ‘Het Springendal’ B.V. en anderen, [appellant sub 3] en maatschap [appellant sub 4] hebben gronden die deel uitmaken van het plangebied. Zij hebben beroep ingesteld tegen het inpassingsplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4436
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • RO - Overijssel
  • uitspraakin de zaak202302562/1/R3

202305502/1/R1

Bij besluit van 13 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad geweigerd aan [appellant sub 2A] een omgevingsvergunning te verlenen voor onder meer het realiseren van drie woongebouwen met in totaal 22 appartementen en een fietsenberging op het terrein aan de Noorderhoofdstraat 37a-45 in Krommenie. [appellant sub 2A] is eigenaar van het terrein dat bestaat uit drie kadastrale percelen. [appellant sub 2A] wil op het terrein appartementen voor ouderen realiseren. De bestaande opstallen op het terrein moeten daarvoor worden gesloopt. Het bouwplan voorziet aan de watergang de Durgsloot in twee woongebouwen met in totaal twintig appartementen. Verder heeft het bouwplan betrekking op een nieuw woongebouw aan de weg, waarin twee appartementen zijn voorzien. Ten tijde van het besluit gold ter plaatse het bestemmingsplan "Krommenie". Het terrein heeft de bestemming "Gemengd". Volgens het college is het bouwplan in strijd met de planregels, omdat het betrekking heeft op verschillende hoofdgebouwen op één perceel. Het college is niet bereid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo af te wijken van het bestemmingsplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4430
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202305502/1/R1

202306264/4/R3

Conclusie van staatsraad advocaat-generaal Snijders over schadevergoeding bij schending van het vertrouwensbeginsel in het bestuursrecht. Deze conclusie is een vervolg op zijn eerdere conclusie van augustus 2024. Daarin overwoog hij dat iemand recht heeft op vergoeding van zogenoemde dispositieschade als die heeft vertrouwd op een toezegging van een bestuursorgaan, maar dat bestuursorgaan dat vertrouwen niet kan honoreren en aan andere, zwaarder wegende belangen voorrang geeft. De grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak kwam in de zaak die tot de conclusie van augustus 2024 leidde, uiteindelijk tot het oordeel dat er geen sprake was van een opgewekt vertrouwen. Daarom kwam de grote kamer niet toe aan de toepassing van de aanbevelingen uit de conclusie in de concrete rechtszaak. Dat was de reden voor de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om advocaat-generaal Snijders in januari 2026 een aanvullende conclusie te vragen over het vertrouwensbeginsel en om zijn eerdere conclusie van augustus 2024 alsnog toe te passen op een andere rechtszaak. In deze nieuwe zaak gaat het om een dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft opgelegd aan een bedrijf.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4434
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Conclusie
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202306264/4/R3
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202306264/4/R3

202307404/1/R1

Bij brief van 1 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen de aan [partij] van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning op het perceel aan de [locatie 1] in Santpoort-Zuid bekend gemaakt. De omgevingsvergunning is gegeven voor de bouw van een nieuwe woning op het perceel de [locatie 1]. De woning is inmiddels gebouwd. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Santpoort-Zuid" hebben de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Wonen". Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de woning gedeeltelijk buiten het bouwvlak komt te liggen en de maximaal toegestane goothoogte wordt overschreden. Verder steekt de voor een klein deel buiten het bouwvlak liggende serre boven de vloer van de eerste verdieping uit en wordt het atelier voor een deel op gronden met de bestemming "Tuin" gebouwd. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie 2]. Zij verzetten zich tegen de gegeven omgevingsvergunning. Zij vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4401
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202307404/1/R1

202400129/1/R4 en 202400181/1/R4

Bij besluit van 15 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Houten aan [appellant B] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een overkapping en een fietsenberging met kliko-ombouw (de fietsenberging) op het adres [locatie 1] in Houten (het perceel). Het perceel is een voormalig boerenerf. Op het perceel staat een monumentale dwarshuisboerderij met de naam "De Grote Geer". Verder staat aan de voorzijde van het perceel een gebouw dat "het Bouwhuys" heet. [appellant B] is eigenaar van het perceel en heeft in De Grote Geer een gezinshuis gevestigd. Zijn aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op het realiseren van de fietsenberging aan de voorzijde van het perceel en een overkapping met zonnecollectoren in het achtererfgebied van het perceel. Volgens het bouwplan komt de overkapping aan de zuidzijde van het perceel te staan. [appellant A] woont op het adres [locatie 2]. Vanuit zijn woning kijkt hij recht op de overkapping. In bezwaar heeft hij zich verzet tegen de vergunning voor beide bouwwerken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4444
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202400129/1/R4 en 202400181/1/R4

202400874/1/R2

Het bestemmingsplan ‘XI Strijp binnen de Ring 2007 (Cederlaan 2)’ van de gemeente Eindhoven is definitief. Dit betekent dat de gemeente door kan met de plannen voor de bouw van ruim 240 woningen op het voormalige terrein van Philips Packaging aan de Cederlaan in Eindhoven. Enkele omwonenden kwamen tegen het bestemmingsplan in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Hun bezwaren gaan vooral over de hoogte en de positionering van de gebouwen. Een woontoren mag 45 meter hoog worden, wat zij veel te hoog vinden. De Afdeling bestuursrechtspraak geeft de omwonenden op dit punt geen gelijk. Op een ander punt constateert de Afdeling bestuursrechtspraak wel een gebrek in het bestemmingsplan. In het plan staat namelijk niet dat de aanleg van 8 m2 aan groenvoorzieningen per toegevoegde woning op de gronden binnen het plangebied gebeurt. De advocaat van de gemeenteraad heeft tijdens de rechtszitting bij de Afdeling bestuursrechtspraak op 8 mei verklaard dat de gemeenteraad dit wel heeft bedoeld. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de regel in het bestemmingsplan daarom aangepast en hiermee met de uitspraak van vandaag 'zelf in de zaak voorzien', zoals dat heet. Het geconstateerde gebrek is hiermee hersteld en de procedure is hiermee afgerond. Het bestemmingsplan voor de bouw van ruim 240 woningen in Eindhoven is daarmee definitief geworden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4449
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202400874/1/R2

202401262/1/R4

Bij besluit van 8 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Raalte het verzoek van [appellant] van 23 december 2021 om handhavend op te treden tegen de uitwisseling van materieel tussen de varkenshouderijen aan de [locatie 1] en aan de [locatie 2] in Raalte, afgewezen. [appellant] en zijn familie wonen aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Raalte. Op ongeveer 60 m ten zuiden daarvan ligt de varkenshouderij aan de [locatie 2] en op ongeveer 180 m ten noordoosten ligt de varkenshouderij aan de [locatie 1]. Op dit adres woont ook [gemachtigde A] en is [bedrijf] gevestigd. [appellant] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen beide varkenshouderijen, omdat hij overlast ervaart doordat tussen de bedrijven materieel wordt uitgewisseld. Volgens hem wordt dagelijks materieel dat toebehoort aan één van beide varkenshouderijen, in het bijzonder beide shovels, een verreiker, een tractor met bijbehorende werktuigen, een mestscheider en een zitmaaier, ingezet op beide bedrijven, waardoor dit materieel steeds over de weg langs de woningen van [appellant] heen en weer wordt verplaatst.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4420
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202401262/1/R4

202401400/1/R3

Bij besluit van 13 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van vijftien appartementen aan de Beuckelaerstraat 29A t/m 29R in St.-Annaparochie. De omgevingsvergunning maakt de bouw van vijftien appartementen in vier bouwlagen mogelijk. [appellant sub 1] en anderen wonen in de directe omgeving van de locatie en zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning vanwege de gevolgen daarvan voor hun woon- en leefklimaat. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de afwijking van de parkeernormen niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Volgens het college volgt uit de motivering van het besluit op bezwaar van 18 maart 2024, dat naar aanleiding van de einduitspraak is genomen, dat er in de openbare ruimte voldoende parkeerplaatsen binnen 100 mr loopafstand van de ontwikkeling beschikbaar zijn die kunnen worden aangewend voor deze ontwikkeling.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4445
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202401400/1/R3

202401438/1/R4

Bij besluit van 16 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre het wijzigingsplan "Wijzigingsplan Papenweg 6 Lievelde" vastgesteld. Het wijzigingsplan voorziet in een verandering van de bestemming van de woning aan de Papenweg 6 in Lievelde. De bestemming van die woning was "Bedrijf" en is nu "Wonen". Hierdoor wordt de woning niet meer als een bedrijfswoning aangemerkt, maar als een reguliere burgerwoning. De bevoegdheid om de bestemming te wijzigen staat in artikel 3.7 van het bestemmingsplan "Kern Lievelde 2015" (het bestemmingsplan). [appellante] is de eigenaar van het perceel aan de [locatie] in Lievelde met daarop bedrijfsgebouwen en biedt dat aan voor verhuur aan derden. In het verleden zijn de huurders steeds aannemers of bouwbedrijven geweest. [appellante] vreest dat de aanwezigheid van een burgerwoning vlakbij haar perceel de bedrijfsvoering van bouwbedrijven ernstig zal beperken en het perceel daardoor minder aantrekkelijk maakt voor de verhuur.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4421
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202401438/1/R4

202401481/1/R2

Bij brief van 28 april 2023 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht het verzoek van de vereniging om in het Natura 2000-gebied "Kolland en Overlangbroek" (het gebied) het waterpeil te laten verhogen, essenhakhoutbeheer te laten plaatsvinden en braamopslag te laten verwijderen, afgewezen. Het college van gedeputeerde staten heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om een aanschrijving in de zin van artikel 2.4, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Vereniging Natuur en Milieu komt op voor het landschap, de natuur en het leefmilieu in de omgeving van Wijk bij Duurstede. Volgens de vereniging zijn maatregelen in het gebied nodig om (verdere) verslechtering van de staat van de natuur te voorkomen. Daarom heeft zij het college van gedeputeerde staten verzocht om drie maatregelen te treffen, namelijk het laten plaatsvinden van essenhakhoutbeheer door de terreinbeheerders van het gebied, het onmiddellijk effectief verwijderen van braamopslag door de terreinbeheerders van het gebied en het onmiddellijk verhogen en actief monitoren van het waterpeil in en rondom het gebied door het college van dijkgraaf en hoogheemraden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4431
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Natuurbescherming
  • uitspraakin de zaak202401481/1/R2

202401496/1/R4

Bij twee afzonderlijke brieven van 20 september 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Raalte het verzoek van [appellant] van 25 mei 2022 om handhavend op te treden tegen de aanvoer, opslag en afvoer van CCM bij de varkenshouderijen aan de [locatie A] en de [locatie B] in Raalte gedeeltelijk toegewezen en aan [vleesvarkensbedrijf] een last onder dwangsom opgelegd wegens het vaker dan één keer per dag vullen van de sleufsilo’s aan de [locatie A]. Voor het overige is het handhavingsverzoek afgewezen. Deze twee brieven vormen samen het besluit van 20 september 2022. [appellant] en zijn familie wonen aan de [locatie C] in Raalte. Op ongeveer 60 m ten zuiden daarvan ligt de varkenshouderij aan de [locatie A] en op ongeveer 180 m ten noordoosten ligt de varkenshouderij aan de [locatie B]. Op dit adres woont ook [persoon B] en is [varkenshandel] gevestigd. Beide varkenshouderijen beschikken over sleufsilo’s voor de opslag van CCM, zetmeelrijk veevoer gemaakt van mais. [appellant] ervaart geluidsoverlast door de aanvoer van CCM naar de varkenshouderijen, het volrijden van de sleufsilo’s en het uitrijden van CCM vanuit de sleufsilo’s naar de voerkeuken. Volgens hem is de opslag van CCM aan de [locatie A] niet toegestaan en vinden er aan de [locatie B] vaker en langer activiteiten met CCM plaats dan is toegestaan. Om die reden heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden tegen beide varkenshouderijen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4422
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202401496/1/R4

202401622/1/A3

Het college van burgemeester en wethouders van Enschede hoeft de boete van € 600.000 niet te betalen die de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) had opgelegd vanwege wifitracking. Om inzicht te krijgen in de bezoekersaantallen in de binnenstad van Enschede had het college van B&W besloten om een voortdurende passantentelling te houden. De AP had de boete opgelegd omdat het college van mei 2018 tot en met april 2020 zonder grondslag persoonsgegevens heeft verwerkt van eigenaren en gebruikers van mobiele apparaten waarop de wifi stond ingeschakeld in de binnenstad. Dit is volgens de AP een overtreding van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het college van B&W kwam eerder tegen de boete in beroep bij de rechtbank. Die oordeelde dat de AP niet heeft bewezen dat het college met de door haar gebruikte methode persoonsgegevens heeft verwerkt. De rechtbank ‘herriep’ de boete, wat betekent dat het college de boete niet hoeft te betalen. De AP kwam tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij voert in hoger beroep aan dat de rechtbank had moeten ingaan op haar standpunt dat identificatie van natuurlijke personen al bij de tellingen van unieke bezoekers aan de binnenstad heeft plaatsgevonden en daarmee al sprake is van persoonsgegevens. Maar ook in hoger beroep krijgt de AP geen gelijk. Het standpunt waarop de rechtbank volgens de AP in had moeten gaan, heeft de AP niet in haar besluit ingenomen, terwijl dit volgens de Afdeling bestuursrechtspraak wel mogelijk was. Bij een bestuursrechtelijk boetebesluit geldt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak als uitgangspunt dat het bestuursorgaan het dragend bewijs van een overtreding bij de voltooiing van de bestuurlijke besluitvorming moet leveren. Dit mede in het licht van de rechtszekerheid. De AP kon niet pas in beroep bij de rechtbank met de onderbouwing komen waarom nu precies sprake is van een beboetbare overtreding, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep van de AP dan ook ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft en dat het college van B&W van Enschede de boete van zes ton niet hoeft te betalen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4403
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202401622/1/A3

202401635/1/R4

Bij besluit van 29 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Raalte het verzoek van [appellant] van 7 oktober 2021 om handhavend op te treden tegen het gebruik van de weegbrug bij de inrichting aan de [locatie A] in Raalte voor vrachtwagens die elders laden of lossen, afgewezen. [appellant] en zijn familie wonen aan de [locatie B] in Raalte. Op ongeveer 60 m ten zuiden daarvan ligt de varkenshouderij aan de [locatie C] en op ongeveer 180 m ten noordoosten ligt de varkenshouderij aan de [locatie A]. Op dit adres woont ook [persoon B] en is [varkenshandel] gevestigd. De varkenshouderij aan de [locatie A] beschikt over een weegbrug, waarvoor op 28 maart 2017 een omgevingsvergunning is verleend. De weegbrug ligt verzonken in het wegdek aan het begin van de toegangsweg van het perceel, zodat alle verkeer dat het terrein op of af rijdt over de weegbrug moet rijden. Naast de weegbrug staat een wachtershuisje waarin het logboek van de weegbrug ligt en van waaruit de weegbrug kan worden ingeschakeld om een vrachtwagen te wegen. Volgens [appellant] wordt de weegbrug ook gebruikt voor vrachtwagens die producten laden en lossen aan de [locatie C].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4423
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202401635/1/R4

202402095/1/R3

Bij besluit van 6 juni 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht aan Merwestreek Projecten B.V. (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsruimte aan de Carneool 148 in Dordrecht. Het bouwplan van Merwestreek Projecten B.V. ziet op realisatie van een bedrijfsruimte van 9 meter hoog op het perceel, waarbij voor zowel de achtergevel als de (noordelijke) zijgevel van de bedrijfsruimte wordt afgeweken van artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder c, van de planregels. [appellant] woont aan de [locatie] in Dordrecht. Zijn perceel grenst aan het perceel en hij kijkt vanuit de achterzijde van zijn woning tegen de achtergevel van de bedrijfsruimte aan, die tot op zijn perceelsgrens is voorzien.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4419
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202402095/1/R3

202402336/1/R3

Bij besluit van 9 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede aan Harcom Projectontwikkeling B.V. (Harcom) een omgevingsvergunning verleend. Op 13 juli 2021 heeft Harcom een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van drie bedrijfsverzamelgebouwen op het perceel Het Eeftink in Enschede. Het perceel grenst aan de westzijde aan Het Eeftink en aan de oostzijde aan de Gasfabriekstraat. Ten zuiden grenst het aan het perceel van [appellant] en andere, gelegen aan Eeftink-1, en aan de noordzijde aan Allglas Veldman. Het bouwplan voorziet in twee even grote gebouwen die parallel naast elkaar zijn gelegen tussen Het Eeftink en de Gasfabriekstraat (de gebouwen A en B), en een kleiner gebouw (gebouw C) dat is gesitueerd aan de kant van de Gasfabriekstraat. Tussen de gebouwen A en B is aan de kant van Het Eeftink een poort voorzien. [appellant] en andere betogen dat het college ten onrechte niet (kenbaar) heeft getoetst of aan alle in artikel 3, lid 3.4, van de planregels neergelegde zes algemene voorwaarden voor het verlenen van een vergunning voor afwijking van het aantal meters gevel dat in de gevellijn zou moeten worden gerealiseerd is voldaan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4406
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202402336/1/R3

202403009/1/A2

Bij besluit van 30 juli 2020 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellant] een vergoeding van € 18.572,66, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, voor fysieke mijnbouwschade aan zijn woning toegekend. De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over: 1. de fysieke mijnbouwschade aan de woning (onderhavige zaak 202403009/1/A2); 2. de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (zaak 202403011/1/A2); 3. de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende 4. feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het Lokaal Plan van Aanpak ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403015/1/A2). Deze uitspraak gaat over de beoordeling van de fysieke mijnbouwschade en de vraag of [appellant] recht heeft op een hogere schadevergoeding dan is toegekend door de rechtbank (€ 29.246,38). De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4414
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202403009/1/A2

202403011/1/A2

Bij besluit van 6 september 2022 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen de aanvraag van [appellant] om een vergoeding van waardedaling van zijn woning afgewezen. De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over: 1. de fysieke mijnbouwschade aan de woning (zaak 202403009/1/A2); 2. de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (onderhavige zaak 202403011/1/A2); 3. de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende 4. feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het Lokaal Plan van Aanpak ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403015/1/A2). Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om vergoeding van waardedaling van de woning van [appellant]. De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken. [appellant] is sinds 1991 eigenaar van de vrijstaande woning aan de [locatie] in Groningen. De woning is in zijn opdracht gebouwd. Hij verricht vanuit de woning ook beroepsmatig werkzaamheden. Op 2 augustus 2022 heeft het Instituut de aanvraag van [appellant] om vergoeding van de waardedaling van zijn woning ontvangen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4413
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202403011/1/A2

202403015/1/A2

Bij mutatie van 10 maart 2022 heeft de Lokale Stuurgroep (LSG) het adres van de woning van [appellant A] toegevoegd aan de werkvoorraad van het Lokaal Plan van Aanpak (LPA) van de gemeente Groningen. Bij besluit van 17 november 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant A] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over: 1. de fysieke mijnbouwschade aan de woning (zaak 202403009/1/A2); 2. de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (zaak 202403011/1/A2); 3. de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende 4. feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het LPA ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (onderhavige zaak 202403015/1/A2). Deze uitspraak gaat over de feitelijke toevoeging van de woning aan de werkvoorraad van het LPA ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm. De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4417
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202403015/1/A2

202403017/1/A2

Bij besluit van 14 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat bepaald dat de woning in aanmerking komt voor een beoordeling. De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over: 1. de fysieke mijnbouwschade aan de woning (zaak 202403009/1/A2); 2. de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (zaak 202403011/1/A2); 3. de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (onderhavige zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende 4. feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het Lokaal Plan van Aanpak ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403015/1/A2). Deze uitspraak gaat over de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm. De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken. [appellant] is sinds 1991 eigenaar van de vrijstaande woning aan de [locatie] in Groningen. De woning is in zijn opdracht gebouwd. Hij verricht vanuit de woning ook beroepsmatig werkzaamheden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4435
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202403017/1/A2

202403626/1/R3

Bij besluit van 24 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag geweigerd om aan [appellanten] een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van kunstriet op het dak van hun woning aan het [locatie A] in Den Haag. [appellanten] zijn eigenaar van de woning aan [locatie A] in Den Haag. Zij hebben op 6 juli 2021 vanwege aanhoudende lekkages een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van kunstriet op het dak van hun woning. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat de plaatsing van kunstriet niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het college heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellanten] kunnen zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en hebben hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4439
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202403626/1/R3

202404933/1/R1

Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Terneuzen het bestemmingsplan "Terneuzen Centrum, Nieuwstraat-Arsenaalstraat" vastgesteld. Het plan maakt de bouw van twee woonblokken met maximaal 77 appartementen en een hotel met 100 hotelkamers mogelijk op de locatie van het zogenaamde ‘ABC-complex’ in Terneuzen. De voorziene appartementengebouwen grenzen aan de Burgemeester Geillstraat, de Arsenaalstraat en aan de Nieuwstraat. Het voorziene hotel grenst aan de Nieuwstraat en de Noordstraat. Aannemersbedrijf Van der Poel Terneuzen B.V. is de ontwikkelaar van het project. In het plangebied was voorheen detailhandel en horeca gevestigd. Nu is er veel leegstand. Het revitaliseren en herstructureren van de Nieuwstraat en het ABC-complex is volgens de plantoelichting één van de meest urgente opgaven in de binnenstad. [appellant sub 2B] en [appellant sub 2A], RH Beheer B.V., RVK Beheer B.V., en [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] zijn het niet eens met het bestemmingsplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4405
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Zeeland
  • uitspraakin de zaak202404933/1/R1

202404953/1/R3

Bij besluit van 11 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Hardenberg het bestemmingsplan "[locatie A], Schuinesloot" vastgesteld. Het plan voorziet in de mogelijkheid om drie woningen te realiseren op het perceel [locatie A] en het daarnaast gelegen nog ongenummerde perceel in Schuinesloot. Twee woningen worden gerealiseerd in een bestaande kapel. Daarnaast voorziet het plan in de bouw van een vrijstaande nieuwbouwwoning naast de kapel op het huidige parkeerterrein. [partij] is initiatiefnemer van het plan. [appellante] woont op het aangrenzende perceel [locatie B] en kan zich niet verenigen met het bestemmingsplan, voor zover dat de bouw van een nieuwe woning op het bestaande parkeerterrein bij de kapel mogelijk maakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4418
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Overijssel
  • uitspraakin de zaak202404953/1/R3

202406199/1/R1 en 202500794/1/R1

Bij besluit van 23 december 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad het verzoek van [appellant sub 1] om handhavend op te treden tegen de dakopbouw op de [locatie A] in Zaandam, afgewezen. [appellanten sub 2] wonen aan de [locatie A] in Zaandam. [appellant sub 1] woont in de woning ernaast, aan de [locatie B]. De woningen bestaan oorspronkelijk uit twee bouwlagen, namelijk de begane grond en de eerste verdieping. Niet in geschil is dat de woningscheidende muur op de begane grond en de eerste verdieping mandelig is. Bij besluit van 7 september 2005 heeft het college aan [appellanten sub 2] een bouwvergunning verleend voor de bouw van een dakopbouw als tweede verdieping op hun woning. [appellant sub 1] woonde toen al in de woning ernaast. Deze dakopbouw is in 2006 gebouwd. [appellant sub 1] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de dakopbouw op haar perceel. Een toezichthouder van de gemeente Zaanstad heeft naar aanleiding van het handhavingsverzoek op 21 oktober 2022 een controle uitgevoerd en heeft geconstateerd dat de dakopbouw in afwijking van de verleende bouwvergunning is gebouwd. De bouwvergunning staat toe om te bouwen op de scheidende mandelige muur. De daarop gebouwde zijmuur van de dakopbouw steekt echter 3 cm over de mandelige muur uit en is in zoverre over de gehele diepte van de woning op het dak van [appellant sub 1] gebouwd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4448
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202406199/1/R1 en 202500794/1/R1

202407533/1/A2

Bij besluit van 6 juli 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd een private schuld van [appellante] over te nemen. In deze zaak gaat het over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). [appellante] is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om overname van een private schuld bij Interbank van € 22.726,21. De minister heeft geweigerd deze schuld over te nemen, omdat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Uit een e-mail van Interbank van 3 juli 2023 blijkt dat de schuld niet is opgeëist en dat er geen achterstallige betalingstermijnen zijn die in de referteperiode van de Wht vallen. De minister heeft de afwijzing van deze aanvraag in bezwaar gehandhaafd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4447
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202407533/1/A2

202407670/1/R1

Bij besluit van 22 oktober 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere het wijzigingsplan "Park Fort den Haak - wijzigingsplan Sport" vastgesteld. De Fort den Haakweg is de verbindingsweg tussen het dorp Vrouwenpolder en het strand. Het wijzigingsplan voorziet in een kwaliteitsverbetering van het sportcomplex aan het noordelijke deel van die weg. Onderdeel daarvan is de bouw van enkele nieuwe woningen. Er worden drie bouwmogelijkheden opgenomen voor vrijstaande woningen die worden georiënteerd op deze weg. [appellant] is eigenaar van de woningen aan de [locatie A] en [locatie B] (hierna: de woningen). Daarover is in de plantoelichting vermeld dat de bestaande 2-onder-1-kap woningen [locatie A] en [locatie B] in Vrouwenpolder in de toekomst wellicht worden gesloopt en vervangen door twee vrijstaande woningen. [appellant] betoogt dat het in deze zaak voorliggende wijzigingsplan voor de woningen ten onrechte niet voorziet in recreatieve verhuur aan derden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4443
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zeeland
  • uitspraakin de zaak202407670/1/R1

202407702/1/A2

Bij besluit van 14 december 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om overneming van private schulden afgewezen.In deze zaak gaat het over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). [appellante] is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister verzocht om overname van private schulden. Het gaat om een schuld van € 2.499,00 aan Quander en een schuld van € 1.250,00 aan Primeline. De minister heeft geweigerd deze schulden over te nemen, omdat beide schulden niet voldoen aan de daarvoor in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht gestelde voorwaarden. De schulden waren niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar en bij beide schulden was geen sprake van een betalingsachterstand. De minister heeft de afwijzing van deze aanvraag in bezwaar gehandhaafd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4446
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202407702/1/A2

202407843/1/R3 en 202407846/1/R3

Bij besluit van 24 september 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waadhoeke op grond van artikel 110a van de Wet geluidhinder hogere waarden vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho". Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de raad van de gemeente Waadhoeke het bestemmingsplan "Franeker-Nij Fristho" vastgesteld. Het plan maakt de bouw van 20 grondgebonden woningen en 3 woongebouwen met in totaal 52 woningen mogelijk. Het plangebied ligt in het zuidwesten van de bebouwde kom van Franeker op een terrein waar voorheen een schoonmaakbedrijf was gevestigd. Akkerman Investgroup B.V. is eigenaar van de gronden en initiatiefnemer van het plan. [appellante sub 2] en [appellant sub 1] en anderen wonen in de nabijheid van het plangebied. Ten behoeve van het bestemmingsplan heeft het college een besluit hogere waarden genomen. In dit besluit zijn voor het hele plangebied hogere waarden van 56 dB vanwege wegverkeerslawaai en 55 dB(A) vanwege industrielawaai vastgesteld. [appellante sub 2] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1 van de Verordening Romte Fryslân (verordening). Er is voor deze ontwikkeling namelijk geen woonplan opgesteld en ook de schriftelijke instemming van het college van gedeputeerde staten van Fryslân ontbreekt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4404
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Friesland
  • RO - Geluid
  • uitspraakin de zaak202407843/1/R3 en 202407846/1/R3

202500095/1/A2

Bij besluit van 16 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een aanvraag van [appellant] om verlening van een woningvormingsvergunning voor het verbouwen van de woning aan de [locatie] tot drie zelfstandige appartementen afgewezen. [appellant] is eigenaar van een oud herenhuis aan de [locatie] (hierna: de woning), waar hij zes onzelfstandige woonruimten heeft gecreëerd ten behoeve van kamerverhuur. [appellant] verhuurt deze kamers sinds 2006. Hiervoor heeft hij een gebruiksvergunning. Hij heeft bij het college een aanvraag ingediend om de woning te mogen verbouwen naar drie zelfstandige appartementen. Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat de woning in het Statenkwartier ligt en in dat gebied op grond van artikel 5:2 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 in samenhang gelezen met artikel 5:6, tweede lid, en bijlage III bij die verordening een verbod op woningvorming geldt. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de woningvormingsvergunning mocht weigeren. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college afdoende heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat om de hardheidsclausule toe te passen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4438
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202500095/1/A2

202500299/1/A3

Bij besluit van 15 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. Bij besluit van 8 juni 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4440
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie
  • uitspraakin de zaak202500299/1/A3

202500628/1/A3

Bij besluit van 26 januari 2023 heeft de burgemeester de sluitingstijd van [café] voor de duur van één maand teruggebracht met drie uur. [appellant] is de exploitant van [café], gelegen aan de [locatie] in Rotterdam. In de op 15 december 2019 verleende exploitatievergunning zijn voorschriften gesteld aan de openingstijden en geluidsnormen. Ook is in de exploitatievergunning een waarschuwing opgenomen naar aanleiding van een eerdere overtreding van de geluidsnormen. Op 20 november 2022 zijn politieagenten om 01:11 uur ter plaatse geweest naar aanleiding van een melding van geluidsoverlast. Zij constateerden dat er op dat moment zonder ontheffing livemuziek werd gespeeld. Om 02:20 uur bleek het café nog niet gesloten, ondanks de verplichte sluitingstijd van 02:00 uur, en was de muziek nog steeds buiten hoorbaar. De politie heeft de constateringen van die avond opgenomen in de bestuurlijke rapportage van 29 november 2022. De burgemeester heeft bij het besluit van 9 maart 2023 [café] geheel gesloten voor de duur van één maand, omdat geen gevolg is gegeven aan de eerder opgelegde bestuurlijke maatregel van 26 januari 2023.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4427
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202500628/1/A3

202500646/1/A3

Bij besluit van 20 januari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sluis het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2020 opnieuw ongegrond verklaard. [appellante] is in de brp opgenomen met de voornaam [voornaam A], geslachtsnaam [naam appellante], nationaliteit onbekend, geboren op [geboortedatum] 1986 in [plaats] (China). Dit is gebeurd op basis van een op 26 oktober 2000 door haar onder belofte afgelegde verklaring tijdens haar asielprocedure in Nederland. Op 13 maart 2019 heeft [appellante] een verzoek om rectificatie gedaan als bedoeld in artikel 2:58, eerste lid, van de Wet Basisregistratie personen (Wet Brp). [appellante] heeft verzocht om deze gegevens te wijzigen in de voornaam [voornaam B], geslachtsnaam [naam], Chinese nationaliteit, geboren op [geboortedatum] 1983 in [plaats], China. Zij heeft hiertoe onder andere kopieën overgelegd van een verlopen Chinees paspoort uit 1996 en een geldig Chinees paspoort uit 2018.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4332
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Persoonsgegevens
  • uitspraakin de zaak202500646/1/A3

202500724/1/A3

Bij brief van 24 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg op verzoek van [wederpartij] een dossier toegestuurd dat het college heeft opgesteld in het kader van de Wet basisregistratie personen. Bij brief van 20 januari 2023 heeft het college aan [wederpartij] laten weten dat het op grond van een adresonderzoek voornemens is om haar uit te schrijven uit de basisregistratie persoonsgegevens. Daarop heeft [wederpartij] verzocht om inzage in dat adresonderzoek. Omdat het college volgens [wederpartij] niet alle informatie over dat adresonderzoek naar haar heeft opgestuurd in de brief van 24 maart 2023, heeft zij tegen die brief bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 augustus 2023 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het volgens het college in het bezwaarschrift niet duidelijk is omschreven waartegen het bezwaar is gericht. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift een voldoende omschrijving bevat van het besluit waartegen het is gericht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4415
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie
  • uitspraakin de zaak202500724/1/A3

202500804/1/A3

Bij besluit van 28 oktober 2021 heeft de korpschef van politie de aanvraag van [appellant] om verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van verzameldoeleinden, afgewezen. [appellant] heeft op 5 januari 2021 een aanvraag ingediend bij de korpschef voor een verlof voor het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van verzameldoeleinden. De korpschef heeft deze aanvraag afgewezen. Daarna heeft de minister het administratief beroep ongegrond verklaard, omdat [appellant] niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 3.1.1. ad b, van de Circulaire wapens en munitie (Cwm). De minister heeft aan dat besluit een verklaring van 10 februari 2021 ten grondslag gelegd van de Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont (EdB). Volgens die verklaring kan zij geen positief advies geven over [appellant]. Daarnaast beschikt [appellant] niet over een goedgekeurd verzamelplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4395
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Wapens en munitie
  • uitspraakin de zaak202500804/1/A3

202501126/1/A3

Bij besluit van 21 juli 2023 heeft de burgemeester van Zeewolde de loods aan de [locatie] in Zeewolde voor zes maanden gesloten. [bedrijf] verricht (ver)bouwwerkzaamheden en verhuurt marktkramen voor dagmarkten, weekmarkten en kerstmarkten. [bedrijf] huurt een loods gelegen aan de [locatie] in Zeewolde, die gebruikt wordt als opslag voor de marktkramen. De burgemeester heeft de loods met spoed voor de duur van 6 maanden gesloten omdat hij op 20 juli 2023 een bestuurlijke rapportage heeft ontvangen van de politie waarin staat dat op 11 juli 2023 in totaal 235 kilo cocaïne is aangetroffen in de loods en in een vrachtwagen en dat de eigenaar van de loods met een vuurwapen is bedreigd. In het besluit op bezwaar van 17 januari 2024 heeft de burgemeester de sluiting drie dagen eerder opgeheven. Er waren sinds het besluit van 21 juli 2023 geen nieuwe meldingen of verdachte situaties die sluiting van de loods ten tijde van het besluit op bezwaar nog rechtvaardigde. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was de loods te sluiten en deze sluiting evenredig was, maar niet voor de duur van zes maanden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4416
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202501126/1/A3

202501189/1/R2

Gemeente Meierijstad mag voor een periode van maximaal vijftien jaar 500 arbeidsmigranten huisvesten in het Veghelse buurtschap Dorshout. Bezwaren van omwonenden tegen de omgevingsvergunning die de gemeente heeft verleend voor honderd vier- tot zespersoons logiesverblijven, zijn ongegrond. Volgens de omwonenden is geen sprake van logies, maar heeft de bewoning van de tiny houses een duurzaam karakter. Bovendien zouden er meer geschikte alternatieve locaties zijn. De grootschalige huisvesting geeft overlast in het buurtschap, aldus de bezwaarmakers. Zij kwamen eerder tegen de omgevingsvergunning in beroep bij de rechtbank Oost-Brabant, maar die verklaarde hun bezwaren ongegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt vandaag dus de eerdere uitspraak van de rechtbank op dit punt. Maar ontwikkelaar Het Knokert Kwartier die initiatiefnemer is van het project, kwam ook in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Zij is het niet eens met het moment waarop de tijdelijke vergunning ingaat. Volgens haar ziet het project op de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten voor een periode van maximaal vijftien jaar en niet alleen op het laten staan van de gebouwen voor vijftien jaar. Anders zou de exploitatie financieel niet rendabel zijn. Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat de bouwwerkzaamheden deel uitmaken van die vijftien jaar. Anders dan de rechtbank maakt de Afdeling bestuursrechtspraak uit de aanvraag voor de vergunning op dat deze is ingediend om gedurende vijftien jaar daadwerkelijk arbeidsmigranten te huisvesten: “beoogd is dus een exploitatietermijn van de short stay van vijftien jaar.” De ontwikkelaar krijgt dus gelijk van de Afdeling bestuursrechtspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4407
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202501189/1/R2

202501268/1/R1

Bij besluit van 24 september 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht een locatie op de hoek van de Mauritsstraat en de Dillenburgstraat ter hoogte van huisnummer 9 aangewezen voor het plaatsen van een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC). [appellant] en anderen wonen allen in de omgeving van het kruispunt Dillenburgstraat - Mauritsstraat. Het college heeft eerder, bij besluit van 23 juni 2021, de locatie Mauritsstraat tegenover Dillenburgstraat 11-11 bis aangewezen als locatie voor een ORAC. Het college heeft dit besluit op 4 augustus 2022 ingetrokken. De nu aangewezen locatie ligt op een afstand van ongeveer 3,5 m van de locatie die bij besluit van 23 juni 2021 was aangewezen. [appellant] en anderen betogen dat de gegrondverklaring van het bezwaar in de eerdere procedure betekent dat de locatie niet geschikt is om een ORAC te plaatsten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4442
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202501268/1/R1

202501680/1/A2

[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek aan het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland om handhavend op te treden op grond van de Monumentenverordening gemeente Smallingerland 2010. Het college heeft de Noorderbegraafplaats, gelegen aan de Stationsweg 1446 te Drachten, op 26 april 2001 aangewezen als monument. De Protestantse Gemeente te Drachten is eigenaar van de begraafplaats. De Protestantse Gemeente heeft de gedenksteen van het graf van de oma van [appellant] verwijderd van de begraafplaats op 1 januari 2023. Volgens [appellant] heeft het college de gedenksteen (mede) aangewezen als monument en mocht de Protestantse Gemeente daarom niet de gedenksteen verwijderen zonder een vergunning van het college.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4410
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Monumenten
  • uitspraakin de zaak202501680/1/A2

202502507/1/A2

Bij besluit van 20 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] heeft op 20 september 2023 een urgentieverklaring aangevraagd. Hij is in 2010 gescheiden van zijn ex-partner. Na de scheiding is hun woning aan zijn ex-partner toegewezen. Samen met zijn ex-partner heeft hij drie kinderen. De kinderen wonen bij zijn ex-partner. [appellant] heeft diabetes. In 2018 heeft hij een beroerte gehad. Verder is hij bij De Waag onder behandeling geweest voor psychische klachten. Het college heeft de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen, omdat hij niet voldoet aan de eis dat hij voorafgaand aan de aanvraag minimaal vier jaar onafgebroken in Amsterdam heeft gewoond. In de periode 13 juni 2019 tot en met 27 mei 2020 stond [appellant] namelijk niet geregistreerd in de basisregistratie personen (BRP) van Amsterdam.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4400
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202502507/1/A2

202502612/1/R1

Bij besluit, bekendgemaakt op 20 juni 2025, heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de locatie tegenover het perceel [locatie] te Rotterdam aangewezen voor het plaatsen van ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s). [appellant] woont op het adres [locatie]. De ORAC’s zijn voorzien tegenover haar woning.[appellant] betoogt dat het college de procedure niet goed heeft doorlopen aangezien het college al op 31 maart 2025 een definitief besluit genomen heeft, terwijl er eigenlijk een periode van 6 weken vanaf 5 maart 2025 stond voor het indienen van zienswijzen. Dit geeft de indruk dat het besluit van het college van tevoren definitief vaststond en zienswijzen niet relevant waren. [appellant] betoogt dat de locaties voor de ORAC’s te ver van de ingang van het appartementencomplex aan de Pampuskade zijn voorzien. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstanden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4441
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202502612/1/R1

202503012/1/A3

Per e-mail van 5 juli 2022 hebben [appellanten] een integriteitsmelding ingediend over de burgemeester en drie wethouders. De raad van de gemeente Bloemendaal heeft in de besloten vergadering van 2 februari 2023 beslist om de integriteitsmelding niet verder te behandelen. Bij afzonderlijke brieven van 17 februari 2023 heeft de burgemeester daarvan aan [appellanten] mededeling gedaan. De gemeente Bloemendaal heeft ter beëindiging van een langlopend conflict vaststellingsovereenkomsten gesloten met twee inwoners. [appellanten] hebben daarover een integriteitsmelding ingediend. Onder verwijzing naar het Protocol Integriteitsmeldingen politieke ambtsdragers 2022 heeft de burgemeester [appellanten] medegedeeld dat de raad heeft bepaald dat de melding niet verder wordt behandeld en er geen vervolgstappen zullen worden genomen. Het bezwaar dat [appellanten] daartegen hebben ingediend heeft de raad, in navolging van het advies van de bezwarencommissie, niet-ontvankelijk verklaard. De raad heeft geoordeeld dat de beslissing geen wijziging teweegbrengt in de rechtspositie van [appellanten], dan wel in de rechtspositie van andere personen. Aan de beslissing worden geen conclusies verbonden die een bevoegdheid, recht of verplichting voor één of meer anderen doen ontstaan of teniet doen. De juridische status van [appellanten] wordt ook niet (opnieuw) vastgesteld, aldus de raad. Daarom is de beslissing van 2 februari 2023 volgens de raad geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4393
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202503012/1/A3

202503143/1/A2

Bij besluit van 30 november 2022 heeft de raad van de gemeente Nijmegen het pand aan het Stationsplein 26 in Nijmegen (het pand) aangewezen als beschermd gemeentelijk monument. De commissie Beeldkwaliteit van de gemeente Nijmegen heeft op 27 januari 2022 een beschermingsprogramma besproken. De commissie heeft in een advies van dezelfde datum aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (het college) geconcludeerd dat de monumentwaarde van het pand van voldoende niveau wordt geacht om een status als gemeentelijk monument te kunnen rechtvaardigen. Het college heeft op 8 maart 2022 aan de vastgoedbeheerder van Souchong Beleggingen C.V. en Stichting Bewaarder Souchong laten weten dat de gemeente het pand als beschermd monument op de monumentenlijst wil gaan plaatsen. Het college heeft daarbij gewezen op de mogelijkheid om een zienswijze te geven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4408
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Monumenten
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202503143/1/A2

202503364/1/R4

Bij besluit van 7 januari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad zijn beslissing om op 2 januari 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2020 van de gemeente Zaanstad in samenhang met het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 210,00, voor rekening van [appellante] komen. [appellante] betoogt dat het college het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Zij voert aan dat in het besluit staat dat de doos naast de container is aangetroffen, terwijl de doos op de foto’s in een container is geplaatst. Daarmee heeft het college volgens haar bevestigd dat de doos correct is weggegooid. [appellante] betoogt dat het college haar niet als overtreder had mogen aanmerken zonder eerst onderzoek te verrichten. Het college had onderzoek moeten verrichten naar haar precieze omstandigheden en had haar zorgondersteuner, die de doos voor haar heeft weggebracht, om een verklaring moeten vragen. Dat het college [appellante] verantwoordelijk houdt voor het verkeerd aanbieden van de doos zonder dat dit onderzoek is verricht, is volgens [appellante] in strijd met het zorgvuldigheidbeginsel.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4396
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202503364/1/R4

202503490/1/A2

Bij besluit van 22 juni 2023 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een aanvraag van [appellante] om erkenning van haar beroepskwalificaties om te mogen werken als leraar voortgezet onderwijs in het vak Engels en als docent beroepsonderwijs en volwasseneneducatie afgewezen. [appellante] heeft het bezwaarschrift gedagtekend op 14 september 2023 en het op 18 september 2023 per aangetekende post verzonden. Nadat de minister het bezwaarschrift op 20 september 2023 had ontvangen, heeft hij, bij brief van 15 december 2023, aan [appellante] verzocht om uit te leggen waarom zij het bezwaarschrift na het verstrijken van de termijn van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht heeft ingediend. [appellante] heeft hierop bij brief van 28 december 2023 te kennen gegeven dat zij het besluit heeft ontvangen in de tweede helft van juli 2023 en dat zij, gerekend vanaf het moment dat het besluit bij haar bekend was, het bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn heeft ingediend. De minister heeft aan zijn besluit van 23 januari 2024 ten grondslag gelegd dat [appellante] het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na de bekendmaking van het besluit van 22 juni 2023 heeft ingediend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4433
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Onderwijs
  • uitspraakin de zaak202503490/1/A2

202503535/1/A2

Bij besluit van 5 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen de aan [appellante] verleende schuldhulp beëindigd. [appellante] is met ingang van 1 januari 2018 toegelaten tot een schuldhulpverleningstraject op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Zij had op dat moment een schuld van € 11.655,23. De tien schuldeisers zijn akkoord gegaan met het plan dat [appellante], tegen finale kwijting, in drie jaar tijd 14,88% van de schuld aflost. In het eerste jaar heeft [appellante] € 600,00 afgelost en in het tweede jaar € 612,00. Over het derde jaar zou zij nog € 477,00 moeten aflossen. De rechtbank heeft in uitspraak van 30 mei 2025 overwogen dat het college met de aanvullende motivering in de brief van 27 februari 2025 nog steeds geen objectief onderbouwd overzicht heeft overgelegd van de schulden van [appellante] per 7 juli 2020 en per 5 november 2020.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4402
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503535/1/A2

202504405/1/A2

Bij besluit van 20 september 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de aanvraag van [partij] om een vergunning voor kamerbewoning door maximaal zes personen in de woning aan de [locatie 1] ingewilligd. Het college heeft aan [partij] een vergunning verleend voor kamerbewoning door maximaal zes personen in de woning aan de [locatie 1] in Rotterdam. Er wonen zes studenten in de woning. [partij] wenst met een vergunning de bestaande kamerbewoning te legaliseren. [appellante] woont naast deze woning aan de [locatie 2]. Zij is het oneens met het verlenen van de vergunning omdat zij overlast ervaart van kamerbewoning door studenten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4432
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202504405/1/A2

202504666/1/A3 en 202504666/2/A3

Bij brief van 20 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend aan [appellant] het voornemen kenbaar gemaakt zijn adresgegevens in de basisregistratie personen (brp) te wijzigen. Het college heeft op 20 januari 2022 aan [appellant] het voornemen kenbaar gemaakt zijn adresgegevens in de brp te wijzigen in een briefadres. Uit onderzoek was het college namelijk gebleken dat [appellant] niet langer woonde op het adres [locatie 1] in Purmerend. Bij besluit van 18 februari 2022 heeft het college het woonadres van [appellant] gewijzigd in het briefadres [locatie 2] in Purmerend. Op 30 september 2022 heeft het college aan [appellant] verzocht een vragenlijst in te vullen om vast te stellen of hij nog steeds ingeschreven kan blijven staan op het briefadres. Bij het besluit van 14 maart 2023 heeft het college het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4397
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie
  • uitspraakin de zaak202504666/1/A3 en 202504666/2/A3
vorige pagina123...1.259volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon