Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202306464/1/R4

Uitspraak 202306464/1/R4

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5521
Datum uitspraak
16 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij afzonderlijke besluiten van 8 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland de verzoeken van [appellanten sub 1] en van [appellanten sub 2] om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast van het bedrijf [bedrijf] gedeeltelijk afgewezen. [bedrijf] exploiteert op het adres [locatie 1] in Colijnsplaat een onderneming. Zij ontwerpt, vervaardigt en verwerkt betonwapening. Bij haar werkzaamheden maakt zij onder meer gebruik van een in de buitenlucht geplaatste stavencarrousel. Daarin liggen op maat gesorteerde staven, waarbij door het draaien van de carrousel de gewenste staven bereikbaar zijn om uit de carrousel te kunnen halen. Ook wordt gebruik gemaakt van een hydraulische knipper voor het op maat maken van stalen staven. [appellanten sub 1] wonen op het adres [locatie 2] en [appellanten sub 2] wonen op het adres [locatie 3] in Colijnsplaat. Dit is in de directe nabijheid van [bedrijf]. Zij ervaren geluidsoverlast van onder meer het gebruik van de stavencarrousel en zijn van mening dat het bedrijf volgens het bestemmingsplan niet op die locatie gevestigd mag zijn. Daarom hebben ze beiden een handhavingsverzoek ingediend.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202306464/1/R4.
Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend in Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend in Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 8 september 2023 in zaken nrs. 21/5284 en 21/5286 in het geding tussen:

[appellanten sub 1], [appellanten sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 8 april 2021 heeft het college de verzoeken van [appellanten sub 1] en van [appellanten sub 2] om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast van het bedrijf [bedrijf] gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 25 januari 2022 heeft het college de door [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en de handhavingsverzoeken afgewezen.

Bij uitspraak van 8 september 2023 heeft de rechtbank het door [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2026, waar [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], allen vertegenwoordigd door mr. P.I.M. Houniet, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Al-Zubaidi, advocaat in Breda, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

De verzoeken om handhaving van de Wabo zijn gedaan op 15 juli 2020 en 26 juli 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       [bedrijf] exploiteert op het adres [locatie 1] in Colijnsplaat een onderneming. Zij ontwerpt, vervaardigt en verwerkt betonwapening. Bij haar werkzaamheden maakt zij onder meer gebruik van een in de buitenlucht geplaatste stavencarrousel. Daarin liggen op maat gesorteerde staven, waarbij door het draaien van de carrousel de gewenste staven bereikbaar zijn om uit de carrousel te kunnen halen. Ook wordt gebruik gemaakt van een hydraulische knipper voor het op maat maken van stalen staven. [appellanten sub 1] wonen op het adres [locatie 2] en [appellanten sub 2] wonen op het adres [locatie 3] in Colijnsplaat. Dit is in de directe nabijheid van [bedrijf]. Zij ervaren geluidsoverlast van onder meer het gebruik van de stavencarrousel en zijn van mening dat het bedrijf volgens het bestemmingsplan niet op die locatie gevestigd mag zijn. Daarom hebben ze beiden een handhavingsverzoek ingediend.

3.       Met de besluiten van 8 april 2021 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan [bedrijf] voor het laten horen van radiogeluid. Met het besluit van 25 januari 2022 is het college hierop teruggekomen. In dat besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er geen strijd is met het bestemmingsplan. Het geldende bestemmingsplan is "Bebouwde Kom Colijnsplaat 2008". Een groot deel van de gronden waar het bedrijf is gevestigd heeft de aanduiding "Bmf". Dat betekent dat een machinefabriek/constructiewerkplaats is toegestaan. Het bedrijf van [bedrijf] is zo’n bedrijf. De stavencarrousel en hydraulische knipper staan op een deel van het perceel dat de bestemming "Agrarische doeleinden" heeft. Het college heeft op 25 juni 2019 een omgevingsvergunning verleend waarmee in afwijking van deze bestemming opslag ten behoeve van [bedrijf] wordt toegestaan. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er geen geluidsnormen worden overtreden. Daarom zijn de handhavingsverzoeken alsnog afgewezen.

Uitspraak van de rechtbank

4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het verzoek om handhaving met betrekking tot de geluidsnormen en met betrekking tot het bestemmingsplan terecht heeft afgewezen. De stavencarrousel en de hydraulische knipper zijn in strijd met de bestemming "Agrarische doeleinden". Maar deze zijn volgens de rechtbank vergund met de vergunning van 25 juni 2019. Het college heeft, gezien de tekst van de omgevingsvergunning, vergund conform de aanvraag. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vergunning is aangevraagd voor het gebruik van het bedrijfsterrein ten behoeve van betonbewapening zoals dat ten tijde van de aanvraag al was gerealiseerd. Uit het rapport van een akoestisch onderzoek van Vliex van 19 november 2018 blijkt dat ten tijde van de aanvraag de stavencarrousel en knipper al op hun plaats stonden en in gebruik waren. Dat betekent volgens de rechtbank dat het college met het verlenen van de vergunning op 25 juni 2019 de situatie zoals die was ten tijde van de aanvraag heeft vergund en gelegaliseerd, inclusief de stavencarrousel en de hydraulische knipper. De rechtbank heeft opgemerkt dat de woordkeuze dat afwijkend gebruik is toegestaan voor "opslag" mogelijk wat onzorgvuldig is geweest, maar dat de zorgvuldigheid bij die besluitvorming uit 2019 geen onderdeel is van het geschil dat nu moet worden beoordeeld.

Hoger beroep

5.       [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] kunnen zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank over de vergunning. Zij betogen dat met de vergunning van 25 juni 2019 niet de stavencarrousel in combinatie met de hydraulische knipper zijn vergund. Deze zijn dus niet toegestaan.

Zij voeren aan dat in het aanvraagformulier voor de locatieaanduiding wordt verwezen naar een kadastraal perceel Kortgene, sectie N, nummer 434. Vermoedelijk is dit een onjuiste aanduiding, want dit perceel valt voor een groot deel buiten het terrein van [bedrijf]. Aan de hand van de vergunning en de daaraan ten grondslag liggende stukken is niet na te gaan voor welke gronden de vergunning geldt.

Als de stavencarrousel en de hydraulische knipper al deel uitmaken van de aanvraag, kan niet worden vastgesteld dat deze ook vergund zijn. De vergunning is niet voorzien van een situatietekening. Uit de tekst van de vergunning blijkt dat de vergunning uitsluitend is verleend ten behoeve van opslagdoeleinden. Dat het college heeft beoogd slechts een vergunning te verlenen ten behoeve van opslagdoeleinden blijkt ook uit het toetsingsformulier bouwplangegevens van de omgevingsvergunning van 25 juni 2019 en uit het ambtelijk advies over die omgevingsvergunning.

5.1.    Op het aanvraagformulier staat, voor zover relevant, het volgende. Als vestigingsadres van het bedrijf is [locatie 1] genoemd. Als kadastraal perceelnummer is genoemd N434 in Kortgene. Op het formulier staat daarnaast dat het achterste deel van het terrein voorheen opslag was, maar dat het beoogde gebruik "Bedrijfsterrein t.b.v. betonwapening" is. Ook staat er dat het terrein al in gebruik is zoals beoogd. Voor de beschrijving van het beoogde gebruik van de gronden of bouwwerken wordt verwezen naar het "akoestisch rapport RUD", wat het hiervoor genoemde rapport van Vliex is. Een situatietekening is niet bijgevoegd.

5.2.    In het besluit van 25 juni 2019 staat dat het volgende is besloten:

"I. Af te wijken van artikel 18 lid 18.1 en artikel 30 van het geldende bestemmingsplan "Bebouwde kom Colijnsplaat 2008", op grond van het bepaalde in artikel 2.12 eerste lid sub a 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en toe te staan dat het beoogde terrein wordt gebruikt voor opslagdoeleinden.

II. De gevraagde vergunning te verlenen overeenkomstig de ingediende aanvraag en de overgelegde bescheiden, voor zover deze niet afwijken van de voornoemde voorschriften van het Bouwbesluit, de Bouwverordening en het bestemmingsplan, tenzij daartoe ontheffing is verleend.

III. Aan deze vergunning, op grond van het bepaalde in het Bouwbesluit en de Bouwverordening, de volgende voorwaarden te verbinden:

A. Het terrein dient vanwege gevaar en/of hinder op een doeltreffende wijze afgescheiden te zijn;

[…]."

Als locatie is genoemd het perceel [locatie 1] in Colijnsplaat, kadastraal bekend Kortgene, sectie N, nummer 435.

5.3.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college de aanwezigheid en het gebruik van de stavencarrousel en de hydraulische knipper heeft vergund en dus terecht de handhavingsverzoeken op dit punt heeft afgewezen. Uit het aanvraagformulier en het daarbij behorende rapport van Vliex blijkt duidelijk dat de aanvraag is gedaan voor het destijds bestaande gebruik van het bedrijfsterrein ten behoeve van betonwapening. In het rapport van Vliex is uitdrukkelijk ook het gebruik van de stavencarrousel en de hydraulische knipper beschreven en is beoordeeld welke geluidhinder het gebruik daarvan veroorzaakt voor de omgeving. De vergunning is verleend overeenkomstig de ingediende aanvraag en de overgelegde bescheiden. In de vergunning is geen uitzondering gemaakt voor de aanwezigheid en het gebruik van de stavencarrousel en de hydraulische knipper. Uit het toetsingsformulier bouwplangegevens en het ambtelijk advies kan die uitzondering ook niet worden afgeleid. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de vergunning ook is verleend voor de stavencarrousel en de hydraulische knipper. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat de woordkeuze dat afwijkend gebruik is toegestaan voor "opslag" mogelijk onzorgvuldig is geweest, maar dat dit er niet aan afdoet dat de vergunning mede is verleend voor de stavencarrousel en de hydraulische knipper.

[appellanten sub 1], [appellanten sub 2] merken terecht op dat in de aanvraag een kadastraal nummer is genoemd dat onjuist is. Maar het adres is wel juist genoemd. Bij het college bestond geen twijfel over de locatie. In de vergunning is het juiste adres en het juiste kadastrale nummer genoemd. Er bestaat dus geen onduidelijkheid over de gronden waarvoor de vergunning geldt.

Het betoog slaagt niet.

Verzoek om schadevergoeding overschrijding redelijke termijn

6.       [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] hebben op de zitting een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

6.1.    De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.

6.2.    Het college heeft het bezwaarschrift van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] ontvangen op 21 mei 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met een jaar en vier maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan het college, de rechtbank en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 1/8 deel aan het college, voor 1/8 deel aan de rechtbank en voor 6/8 deel aan de Afdeling worden toegerekend.

6.3.    De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gelet op de wijze van procederen gezamenlijk procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Dat betekent dat aan hen samen in totaal een bedrag van € 1.500,00 wordt toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lange procedure.

Slotsom

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

8.       Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen. Het college en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten de proceskosten van het verzoek vergoeden, alle voor 1/3 deel. De Afdeling rekent daarvoor 1 punt met een wegingsfactor van 0,5.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

III.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland om aan [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een schadevergoeding van € 187,50 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn verplichting heeft voldaan;

IV.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een schadevergoeding van € 1.312,50 te betalen (€ 187,50 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 1.125,00 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;

V.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland tot vergoeding van bij [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 155,66, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 311,32 (€ 155,66 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 155,66 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Greben, griffier.

w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Greben
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

1210


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon