Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.004670

Uitspraak BRS.26.004670

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5539
Datum uitspraak
16 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 13 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.004670 en BRS.26.004671
ECLI:NL:RVS:2026:5539
Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 20 augustus 2026 in zaak nr. NL26.40654 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 20 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.R. van de Water, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. In deze zaak kan in het midden blijven of de rechtbank terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 43, eerste lid, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening, en daarom terecht geen oordeel heeft gegeven over wat appellant over de discretionaire bepaling heeft aangevoerd. Dat maakt voor de uitkomst van deze zaak namelijk niet uit. De minister is in de besluitvorming op alle door appellant aangedragen omstandigheden ingegaan. Weliswaar heeft hij dat niet expliciet gedaan in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening, maar het is duidelijk dat de minister geen aanleiding ziet om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen. De minister heeft zich onder andere op het standpunt gesteld dat appellant haar medische situatie niet met stukken heeft onderbouwd, dat er in Oostenrijk vergelijkbare medische voorzieningen zijn als in Nederland en dat appellant niet afhankelijk is van haar in Nederland verblijvende zoon en schoondochter. Appellant stelt daar in hoger beroep te weinig tegenover. Ze bestrijdt niet dat de medische voorzieningen in Oostenrijk vergelijkbaar zijn. Verder overlegt ze geen medische stukken en maakt ze de gestelde afhankelijkheid van haar zoon en schoondochter ook opnieuw niet aannemelijk. De minister heeft gelet daarop terecht geen aanleiding gezien om de asielaanvraag van appellant inhoudelijk te behandelen.

1.1.        Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

2.        Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.        wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.

w.g. Sevenster
voorzieningenrechter

w.g. Van Driesten
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

1048


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon