Uitspraak 202505174/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5491
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 maart 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete van in totaal € 18.900,- opgelegd aan [appellante] wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit. Het ongeval is op 12 april 2022 door een derde bij de Arbeidsinspectie gemeld, waarna een onderzoek is ingesteld. De inspecteur heeft in een boeterapport van 14 oktober 2022 en een aanvullend boeterapport van 6 maart 2023 overtredingen van de Arbowet geconstateerd. Het gaat om overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, in samenhang met artikel 7:26, eerste lid, van het Arbobesluit, omdat de stuwwerkzaamheden verband houdende met het laden van staalplaten op een schip niet op veilige en ordelijke wijze zijn uitgevoerd. Hiervoor is een boete van € 16.200,- opgelegd. Daarnaast gaat het om overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet, omdat [appellante] het ongeval niet heeft gemeld bij de Arbeidsinspectie. Hiervoor is een boete van € 2.700,- opgelegd.
- Hoger beroep
- Boete
Toon inhoud
202505174/1/A3.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 augustus 2025 in zaak nr. 23/6397 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2023 heeft de minister een boete van in totaal € 18.900,- opgelegd aan [appellante] wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit).
Bij besluit van 11 augustus 2023, heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 augustus 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 augustus 2023 vernietigd, het besluit van 27 maart 2023 herroepen en de hoogte van de boete vastgesteld op € 17.955,-.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. D. Tilburg, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C. Banen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 4 februari 2022 heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij een werknemer van [appellante] van een stapel staalplaten is gevallen. Als gevolg van dit ongeval heeft de werknemer een verbrijzelde linkerhiel opgelopen, waaraan hij op 23 februari 2022 is geopereerd.
Het ongeval is op 12 april 2022 door een derde bij de Arbeidsinspectie gemeld, waarna een onderzoek is ingesteld. De inspecteur heeft in een boeterapport van 14 oktober 2022 en een aanvullend boeterapport van 6 maart 2023 overtredingen van de Arbowet geconstateerd. Het gaat om overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, in samenhang met artikel 7:26, eerste lid, van het Arbobesluit, omdat de stuwwerkzaamheden verband houdende met het laden van staalplaten op een schip niet op veilige en ordelijke wijze zijn uitgevoerd. Hiervoor is een boete van € 16.200,- opgelegd. Daarnaast gaat het om overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Arbowet, omdat [appellante] het ongeval niet heeft gemeld bij de Arbeidsinspectie. Hiervoor is een boete van € 2.700,- opgelegd.
De aangevallen uitspraak
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht deze overtredingen heeft vastgesteld. Hierbij heeft zij geoordeeld dat de minister goed heeft gemotiveerd waarom, anders dan [appellante] heeft betoogd, geen sprake was van een veilige en ordelijke werkwijze. In dit geval werden op een hoogte van 2 tot 5 meter staalplaten gehesen, terwijl werknemers zonder beschermende maatregelen op deze platen stonden. Hierbij liften de werknemers een stukje mee op de te hijsen plaat, om vervolgens over te stappen op de plaat daaronder. Dit is in strijd met de werkinstructie ‘werken met een hijskraan’, waarin staat dat het verboden is mee te liften met de kraan of hijs. De methode uit de werkinstructie is echter tijdrovender omdat daarbij alle werknemers eerst met een ladder van de plaat af moeten voordat kan worden gehesen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat geen grond aanwezig is voor matiging van de boete wegens ‘het verrichten van inspanningen gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval’, zoals bedoeld in artikel 1, elfde lid, van de beleidsregels. Niet gebleken is dat de risico’s voldoende zijn geïnventariseerd en geëvalueerd en ook van de ontwikkeling van een eenduidige werkwijze is niet gebleken. Bovendien wordt geen voorlichting gegeven over het valgevaar en was geen valbescherming aanwezig. Het enkele feit dat de werknemer met de benen over de ketting is gaan staan, terwijl hij had moeten weten dat dit gevaarlijk is, is niet van belang, omdat de hele werkwijze niet veilig of conform de werkinstructie is.
De rechtbank heeft de boete wel gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3. Over het schenden van de meldingsplicht heeft de rechtbank geoordeeld dat de werkgever in elk geval vanaf 18 februari 2022 op de hoogte had behoren te zijn van een ziekenhuisopname dan wel van (mogelijk) blijvend letsel, omdat de werkgever op die datum per mail door de gemachtigde van de werknemer aansprakelijk is gesteld voor ‘een verbrijzelde hiel naar aanleiding van het ongeval’. Daarbij komt dat in een telefoonnotitie van deze gemachtigde van die datum staat dat de werkgever wordt geadviseerd om melding te doen bij de Arbeidsinspectie omdat de werknemer ook in het ziekenhuis heeft verbleven. Als de werkgever dit al niet voldoende zou vinden voor het doen van een melding dan had het in ieder geval moeten leiden tot een onderzoek of sprake was van een meldingsplicht.
Het hoger beroep
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de overtredingen zijn begaan. Zij voert aan dat de methode waarbij wordt meegelift op de plaat een in de praktijk beproefde en in de kern veilige methode is. Zij wijst daarvoor op de verklaring van de toezichthouder dat deze methode zelfs veiliger is dan telkens met zes personen op en af een ladder klimmen, omdat dat kans geeft op wegglijden van de ladder. Het ongeval kon dan ook alleen gebeuren omdat de werknemer in strijd heeft gehandeld met de bij iedereen bekende veiligheidsinstructie dat het strikt verboden is met de benen over de hijsketting te staan. In de ochtend voorafgaand aan de werkzaamheden was deze instructie nog eens herhaald in een ‘toolbox-meeting’. Desondanks heeft de werknemer bij het aanhoeken van de bovenste plaat aan de hijskraan zijn benen over de hijsketting geplaatst. De toezichthouder heeft pas opdracht gegeven tot hijsen toen hij de bevestiging van alle zes de werknemers op de plaat had gekregen dat zij klaar waren met aanhoeken.
Als deze overtreding al zou zijn begaan, dan is de boete ten onrechte niet gematigd. Er is een risico-inventarisatie en een veilige werkwijze aanwezig waarbij het risico op vallen, struikelen, uitglijden en bekneld raken bij het werken op lading expliciet is benoemd. Verder is ook in het concrete geval een veilige werkwijze ontwikkeld, bestaande uit een combinatie van werkinstructies en situationele keuzes door ervaren toezichthouders. Ook was alle materiaal gekeurd en werd gewerkt met een ervaren en bevoegde ploeg. De instructie over de plaatsing van de benen over de hijsketting is gegeven en er was permanent een ervaren toezichthouder aanwezig.
Ook de meldingsplicht is niet overtreden. Op de dag van het ongeval is een manager van [appellante] met de werknemer naar het ziekenhuis gegaan waar gips is gezet voor een gebroken hiel, waarna hij weer naar huis mocht. De rechtbank heeft ten onrechte veel waarde toegekend aan de contacten met de gemachtigde van de werknemer op 18 februari 2022. Het telefoongesprek herinnert de manager zich anders dan uit de telefoonnotitie van de gemachtigde volgt. Nadat de manager in dat gesprek had gesteld dat hem geen ziekenhuisopname bekend was, zou de gemachtigde dit bij de werknemer verifiëren maar daar is nooit meer navolging aan gegeven. Bovendien is een telefoonnotitie van een direct belanghebbende partij geen bewijs. Uit de woorden ‘verbrijzelde hiel’ uit de mail van de gemachtigde hoefde [appellante] ook geen blijvend letsel of ziekenhuisopname af te leiden.
De beoordeling
5. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.2. -6.4. en 6.8.-6.11. opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt hieraan nog toe dat de kern is dat het volgens de eigen werkinstructie van [appellante] expliciet en zonder voorbehoud verboden is mee te liften met de kraan of hijs. De door de toezichthouder in de praktijk gehanteerde methode wijkt hiervan af, staat nergens beschreven en niet is gebleken of en door wie deze methode op veiligheidsaspecten is getoetst. De op de zitting naar voren gebrachte stelling van [appellante] dat het ongeval heeft plaatsgevonden bij het strak zetten van de kettingen op een moment dat de platen nog niet daadwerkelijk werden gelift doet aan het voorgaande niet af, reeds omdat het strak zetten van de kettingen onderdeel uitmaakt van de genoemde methode. Deze handeling, die volgens de toelichting op de zitting erin voorziet dat de medewerker de ketting van de eigen haak begeleidt tijdens het strak zetten, is evenmin beschreven of op veiligheid getoetst. Bovendien werd gewerkt op een hoogte van meer dan 2,5 meter zonder valbescherming, wat in strijd is met de werkinstructie "Werken op hoogte".
Verder is [appellante] als werkgever ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Arbowet, verantwoordelijk om alle arbeidsongevallen die leiden tot de dood, blijvend letsel of een ziekenhuisopname direct te melden aan de Arbeidsinspectie. De minister stelt terecht dat bij deze verantwoordelijkheid geen afwachtende houding van de werkgever past. [appellante] had dan ook, zeker nadat op 18 februari 2022 contact met haar was gezocht door de gemachtigde van de werknemer, zich op hoogte moeten stellen van de gevolgen van het arbeidsongeval. Anders dan [appellante] stelt, is niet alleen uitgegaan van niet onderbouwde stellingen van de gemachtigde van de werknemer, maar ook van de telefoonnotitie en mail van deze gemachtigde en verklaringen vanuit [appellante] Uit de eigen verklaring van een manager van [appellante] en de beantwoording van schriftelijke vragen van de inspecteur, beide opgenomen in het boeterapport, volgt ook dat de gemachtigde telefonisch tegen [appellante] heeft gesproken over een ziekenhuisopname en het melden van het ongeval bij de Arbeidsinspectie.
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
7. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
317