Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.001104

Uitspraak BRS.26.001104

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5431
Datum uitspraak
16 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 12 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.001104
ECLI:NL:RVS:2026:5431
Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 februari 2026 in zaak nr. 24/8904 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 1 mei 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. G.P. Dayala, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Betrokkene heeft nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1.        Betrokkene heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij heeft een aanvraag ingediend om haar een gvva te verlenen, omdat zij als assistent-accountant wil werken bij referent. De minister heeft deze aanvraag afgewezen en hieraan het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) van 17 april 2024 ten grondslag gelegd. In dit advies heeft het UWV de minister geadviseerd om de aanvraag af te wijzen, omdat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

2.        De rechtbank heeft geoordeeld dat waar het gaat om de weigeringsgronden ‘prioriteitgenietend aanbod’ en inspanningen van de werkgever, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a en c, van de Wav, en de gestelde functie-eisen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f, van de Wav, het advies van het UWV onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en niet concludent en inzichtelijk is. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat referent niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 8, eerste lid, onder b, van de Wav, om ten minste vijf weken vóór het indienen van de aanvraag aan het UWV te melden dat de vacature beschikbaar is voor vervulling. De rechtbank heeft overwogen dat dit een dwingende weigeringsgrond is, maar zij heeft ook opgemerkt dat de minister op de zitting heeft laten weten dat hij aan dwingende weigeringsgronden niet altijd vasthoudt. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat deze grond de afwijzing van de aanvraag niet zelfstandig kan dragen.

3.        Partijen zijn het er ook in hoger beroep over eens dat referent de beschikbaarheid van de arbeidsplaats niet ten minste vijf weken voor het indienen van de aanvraag heeft gemeld bij het UWV. De minister betoogt in de vierde grief echter terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij de aanvraag alleen al daarom terecht heeft afgewezen. De Afdeling licht dit hieronder toe.

3.1.        Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wav is dwingend geformuleerd. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR5076, onder 2.4.2. En ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wav blijkt dat de wetgever heeft beoogd om in artikel 8 van de Wav dwingende weigeringsgronden te formuleren (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 16, en Kamerstukken II 2012/13, 33 475, nr. 3, blz. 14). Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, laat de minister dus geen ruimte om een vreemdeling een gvva te verlenen, als de werkgever het bestaan van de arbeidsplaats niet ten minste vijf weken voor het indienen van de aanvraag heeft gemeld bij het UWV. De rechtbank heeft weliswaar overwogen dat de minister op de zitting heeft laten weten dat bij krapte op de arbeidsmarkt geldt dat, hoe meer wervingsinspanningen er verricht zijn, hoe minder dwingend de weigeringsgrond ‘prioriteitgenietend aanbod’ is. Maar wat daar ook van zij, er zijn geen aanwijzingen dat de minister de weigeringsgrond uit artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wav niet onverkort toepast. Dat kan in ieder geval niet worden afgeleid uit wat de minister op de zitting heeft laten weten, want dat ging over de verhouding tussen de weigeringsgronden onder a en c. Hij wijkt van dit artikel, onder b, alleen af als een uitzondering, neergelegd in het tweede of derde lid van artikel 8 van de Wav, van toepassing is, en dat is niet gebleken.

3.2.        In dit licht betoogt de minister terecht dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot een weging van de feiten en omstandigheden in het kader van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wav. De rechtbank is er met dit oordeel namelijk aan voorbijgegaan dat dit artikelonderdeel die ruimte niet biedt.

3.3.        De grief slaagt.

4.        Omdat de omstandigheid dat betrokkene niet voldoet aan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wav verplicht tot het afwijzen van een aanvraag om een gvva te verlenen, is het hoger beroep alleen al hierom gegrond. Het is niet nodig om de andere grieven van de minister te bespreken, die gaan over de vraag of het rapport van het UWV, waar het gaat om de weigeringsgronden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 9, eerste lid, onder f, van de Wav, zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en of de conclusies daarop aansluiten.

Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen beroepsgronden die de Afdeling na de overwegingen in hoger beroep nog moet bespreken. Het beroep is alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 9 februari 2026 in zaak nr. 24/8904;

III.        verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. Van Breda
voorzitter

w.g. Schuurrman
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

282-1162


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon