Uitspraak 202601641/1/R4
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5499
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Inhoudsindicatie
- De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een afvalzak met daarin een papierstuk, die op 2 februari 2026 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de afvalzak met daarin een papierstuk verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het papierstuk staan.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Afval
Toon inhoud
202601641/1/R4.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[appellante], wonend in Den Haag,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2026 heeft het college zijn beslissing om op 2 februari 2026 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 en de daarop gebaseerde uitvoeringsregeling van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 13 mei 2026 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een afvalzak met daarin een papierstuk, die op 2 februari 2026 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de afvalzak met daarin een papierstuk verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het papierstuk staan.
2. [appellante] betoogt dat zij de afvalzak niet op de voorgeschreven kon aanbieden. Zij voert aan dat zich sinds de plaatsing van de ondergrondse afvalcontainer, problemen voordoen met de inzameling van afval. [appellante] stelt dat de dichtstbijzijnde containers zich bevinden op ongeveer 500 meter van haar woning en deze regelmatig vol zijn. Ook op de dag van de overtreding waren de containers volgens haar ook vol.
Verder voert [appellante] aan dat bij de ondergrondse afvalcontainers geen waarschuwingsborden aanwezig waren waarop staat dat het verboden is om afval naast de containers te plaatsen en dat daarvoor een boete kan worden opgelegd. Volgens haar zijn dergelijke waarschuwingsborden op andere locaties wel aanwezig. [appellante] stelt dat de bewoners daardoor onvoldoende worden geïnformeerd over de gevolgen van het verkeerd aanbieden van afval. Daarbij wijst zij erop dat de containers regelmatig vol zijn en dat bewoners contact opnemen met de gemeente met het verzoek deze te legen.
Tot slot stelt [appellante] dat andere bewoners die ook afval naast de ondergrondse afvalcontainer hebben geplaatst, de kosten van de toepassing van bestuursdwang niet meer hoefden te betalen. Zij verzoekt in dit verband om een toelichting op het verschil in de besluitvorming.
3. Artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 houdt in dat het de gebruiker van een perceel voor wie een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden is huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel, de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.
4. Een toezichthouder heeft op 2 februari 2026 een afvalzak met daarin een papierstuk aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer. Volgens vaste rechtspraak mag in zo’n geval worden aangenomen dat degene tot wie het afval is te herleiden, dit afval op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden en dus de overtreder is, tenzij zij het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
Op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten rederlijkwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
4.1. De Afdeling stelt voorop dat het bedrag van € 199,57 dat het college voor rekening van [appellante] heeft gebracht, geen boete is maar een gedeelte van de kosten betreft die het college heeft gemaakt voor het verwijderen van de afvalzak.
4.2. Door het adreslabel is de afvalzak met daarin het papierstuk te herleiden tot [appellante]. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij door wat zij aanvoert voldoende twijfel ontstaat of zij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de afvalzak. Dat is hier niet het geval.
Het college heeft in zijn verweerschrift vermeld dat er voor [appellante] meerdere alternatieve containers binnen een afstand van 75 tot 150 meter beschikbaar zijn, wat een aanzienlijk geringere afstand is dan 500 meter. Het college heeft dit geïllustreerd aan de hand van een plattegrond waarop de locaties van de diverse inzamelvoorzieningen in de wijk zijn aangeduid. Wat [appellante] aanvoert geeft geen grond om aan te nemen dat de dichtstbijzijnde containers zich niettemin op ongeveer 500 meter van haar woning bevinden, nog daargelaten dat op grond van de geldende regelingen ook dan geen afval buiten de containers geplaatst zou mogen worden. Als de door [appellante] gebruikte container op dat moment vol was, had zij de afvalzak weer terug kunnen meenemen naar huis of naar een andere container kunnen gaan. Deze omstandigheden maken daarom niet dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang redelijkerwijs niet voor haar rekening behoren te komen.
Ook het betoog dat bij de container geen waarschuwingsbord aanwezig was, slaagt niet. Het college heeft met foto’s aannemelijk gemaakt dat, zoals [appellante] ook erkent, inzamelvoorzieningen in Den Haag in het algemeen voorzien zijn van instructies, informatie en verwijzingen van op welke manier huisvuil aangeboden dient te worden en wat de gevolgen zijn indien het afval verkeerd wordt aangeboden. Voor zover een dergelijke aanduiding op het moment van het plaatsen van de afvalzak ontbrak op de container ter hoogte van de [locatie], betekent dit niet dat [appellante] niet kon weten dat het niet was toegestaan de afvalzak naast de container achter te laten.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. [appellante] heeft niet geconcretiseerd in welke andere gevallen het college heeft afgezien van het verhalen de kosten van bestuursdwang. Zonder nadere informatie kan niet worden vastgesteld of sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
195