Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202601979/1/A2 en 202601979/2/A2

Uitspraak 202601979/1/A2 en 202601979/2/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5422
Datum uitspraak
16 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 16 januari 2026 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellante] heeft bij het college om een urgentieverklaring gevraagd omdat haar huidige woonsituatie niet passend is. Zij woonde ten tijde van de aanvraag samen met haar moeder, zus en minderjarige zoon in een vierkamerwoning. De woonsituatie is volgens [appellante] instabiel en zorgt voor veel spanning. Zij wijst erop dat haar zus een drugsverslaving heeft, zij en haar zus regelmatig ruzie hebben en haar minderjarige zoon hieraan wordt blootgesteld. [appellante] heeft in de woning geen mogelijkheid om zich terug te trekken. Zij slaapt samen met haar zoon op de bank in de woonkamer. In december 2025 heeft [appellante] een dochter gekregen.
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Verordeningen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202601979/1/A2 en 202601979/2/A2.
Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Arnhem,
appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 26 mei 2026 (de rechtbank) in zaak nr. 26/2110 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2026 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 20 maart 2026 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 mei 2026 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk overgelegd.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 27 augustus 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. Y. Seyran, advocaat in Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door M.M.J. de Vries, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Inleiding

2.       [appellante] heeft bij het college om een urgentieverklaring gevraagd omdat haar huidige woonsituatie niet passend is. Zij woonde ten tijde van de aanvraag samen met haar moeder, zus en minderjarige zoon in een vierkamerwoning. De woonsituatie is volgens [appellante] instabiel en zorgt voor veel spanning. Zij wijst erop dat haar zus een drugsverslaving heeft, zij en haar zus regelmatig ruzie hebben en haar minderjarige zoon hieraan wordt blootgesteld. [appellante] heeft in de woning geen mogelijkheid om zich terug te trekken. Zij slaapt samen met haar zoon op de bank in de woonkamer. In december 2025 heeft [appellante] een dochter gekregen.

Besluitvorming

3.       Het college heeft de urgentieaanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van een woonnoodsituatie op grond waarvan [appellante] binnen vier maanden zou moeten verhuizen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft het college verwezen naar een medisch- en sociaaladvies van Bureau Leijten & Van Hoek. Uit het advies volgt dat maar twee van de drie slaapkamers in de woning worden gebruikt. De derde slaapkamer, die als opslag wordt gebruikt, kan worden leeggemaakt en ingericht als slaapkamer. De betrokken hulpverlening kan [appellante] ondersteunen bij de gezinsproblemen. Pas als alle mogelijkheden om het woonprobleem op te lossen zijn geprobeerd, kan mogelijk urgentie worden verleend. Dat is volgens het college nog niet gebeurd. Ook volgt uit het advies van Leijten & Van Hoek dat er twijfels zijn of [appellante] zelfstandig kan wonen.

4.       [appellante] heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt. Hangende bezwaar heeft zij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 12 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank dit verzoek afgewezen omdat er geen sprake is van een woonnoodsituatie en het college geen toepassing had hoeven geven aan de hardheidsclausule (ECLI:NL:RBGEL:2026:1938).

5.       Bij beslissing van 20 maart 2026 heeft het college de afwijzing van de urgentieverklaring gehandhaafd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2026 stelt het college dat er geen sprake is van een woonnoodsituatie. Daarnaast geeft het college ook geen toepassing aan de hardheidsclausule. De situatie van [appellante] en haar kinderen is volgens het college niet uniek. Niet is gebleken van medische, psychosociale of maatschappelijke redenen die maken dat de situatie onverantwoord is.

Uitspraak van de rechtbank

6.       De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft [appellante] niet gevolgd in haar standpunt dat het college geen volledige heroverweging heeft gemaakt in bezwaar. Dat het college voor de motivering heeft verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter betekent niet dat daarom kan worden gesteld dat de heroverweging niet volledig is geweest. [appellante] heeft niet concreet gemaakt welke punten in de heroverweging gemist zouden zijn.

Daarnaast is er volgens de rechtbank geen sprake van een woonnoodsituatie. Het enkele gegeven dat er sprake is van spanning en cannabisgebruik in de woning, is daarvoor niet voldoende. Het is volgens de rechtbank aan [appellante] om aannemelijk te maken dat de gevolgen daarvan leiden tot een noodsituatie. De door haar overgelegde stukken zijn daarvoor onvoldoende. Onder verwijzing naar de uitspraak van 12 maart 2026 overweegt de rechtbank dat van het gehele huishouden mag worden verwacht dat de woning zo wordt ingericht dat de woonruimte optimaal wordt benut, in die zin dat ook [appellante] beschikt over een eigen slaapkamer. De door de deskundige voorgestelde oplossing ten aanzien van de herindeling van de woning acht de rechtbank niet onredelijk.

Tot slot overweegt de rechtbank dat het college geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule. De in dit kader naar voren gebrachte factoren zijn volgens de rechtbank ook door [appellante] aangevoerd waarom er sprake zou zijn van een noodsituatie. Omdat deze factoren niet leiden tot een noodsituatie, is er geen reden om aan te nemen dat ze wel leiden tot een bijzondere hardheid.

Het beroep en de beoordeling daarvan

7.       De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Hij zal dit oordeel hierna toelichten, waarbij hij allereerst stilstaat waarom niet is gebleken van een woonnoodsituatie en daarna waarom [appellante] geen geslaagd beroep toekomt op de hardheidsclausule.

Woonnoodsituatie

8.       De voorzieningenrechter stelt voorop dat de situatie waarin [appellante] zich bevindt verre van ideaal is. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt dat er binnen het huishouden veel spanningen zijn en dat dit zijn weerslag heeft op alle betrokkenen. Bij het gezin zijn ook verschillende instanties betrokken, waaronder het Wijkteam en ambulant hulpverleners. De door de hulpverleners overgelegde verklaringen onderschrijven de door [appellante] geschetste situatie en dat het goed zou zijn als [appellante] kan beschikken over eigen woonruimte.

9.       Op grond van artikel 10, vierde lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening gemeente Arnhem 2024 kan het college een urgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt indien deze noodsituatie zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze situatie langer dan vier maanden te laten voortbestaan. Het is aan de aanvrager van de urgentieverklaring om aannemelijk te maken dat er sprake is van een woonnoodsituatie.

10.     Het college heeft ter onderbouwing van zijn besluitvorming verwezen naar een advies van Leijten & Van Hoek. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.

11.     In wat [appellante] heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet heeft mogen afgaan op het advies van de deskundige. Uit de stukken blijkt dat de deskundige een huisbezoek heeft verricht en kennis heeft genomen van de relevante stukken. De door [appellante] overgelegde verklaringen en stukken van de bij het gezin betrokken hulpverleners spreken dit advies ook niet tegen. Uit zowel het advies als de overgelegde stukken volgt dat het hier gaat om een complexe gezinssituatie waarin de hulpverleners een belangrijke rol spelen. [appellante] heeft ook na dit advies geen stukken overgelegd waaruit de noodzaak om op korte termijn te verhuizen voor haar en/of haar kinderen blijkt.

12.     Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat uit het advies van Leijten & Van Hoek volgt dat het huisvestingsprobleem mogelijk nog op een andere manier dan met een urgentieverklaring kan worden opgelost. De deskundige wijst op een andere verdeling van de slaapkamers en de mogelijkheid voor [appellante] om met haar kinderen begeleid te gaan wonen. In een nadere reactie heeft de deskundige desgevraagd aangegeven dat [appellante] volgens hem niet zelfstandig kan wonen. Op de zitting is gebleken dat [appellante] voor geen van de door de deskundige aangedragen oplossingen nadere stappen heeft ondernomen. Zij stelt zich op het standpunt dat een andere verdeling van de slaapkamers geen oplossing is voor het gehele huisvestingsprobleem en dat zij prima in staat is om zelfstandig te wonen en voor haar kinderen te zorgen. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat [appellante] liever een andere uitkomst ziet, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat van [appellante] mag worden verwacht dat zij eerst alle andere opties heeft geprobeerd om haar huisvestingsprobleem op te lossen.

Hardheidsclausule

13.     De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat er geen aanleiding was om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. In hoger beroep doet [appellante] een beroep op het Kinderrechtenverdrag en stelt zich op het standpunt dat de rechtbank onvoldoende acht heeft geslagen op de belangen van haar minderjarige kinderen. Zoals hiervoor overwogen ziet de voorzieningenrechter dat de huidige woonsituatie voor [appellante] en haar kinderen verre van ideaal is. [appellante] heeft tot nu toe echter geen stukken overgelegd waaruit objectief blijkt welke invloed de woonsituatie heeft op de kinderen of dat het op dit moment niet goed met hen gaat. Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de toepassing van de Huisvestingsverordening tot een bijzondere hardheid leidt.

Conclusie

14.     Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

15.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.

w.g. Drop
voorzieningenrechter

w.g. Rietveld
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon