Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202600842/1/A2

Uitspraak 202600842/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5477
Datum uitspraak
16 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij beslissing van 30 juni 2025 hebben examinatoren van de masteropleiding Rechtsgeleerdheid (afdeling Civiel Recht) van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden de masterscriptie van [appellant] beoordeeld met het cijfer 8,0. [appellant] heeft aan het voorjaarstraject van de masterscriptie Civiel Recht 2024-2025 deelgenomen. Deze scriptie moest uiterlijk op 6 juni 2025, om 12:00 uur, zijn ingeleverd. [appellant] heeft op die dag een voorlopige scriptie ingeleverd en daarbij te kennen gegeven dat hij verder zal werken aan de definitieve scriptie en die vóór het einde van het Pinksterweekend zal inleveren. De eerste lezer van de scriptie heeft op diezelfde dag in reactie daarop per e-mail medegedeeld dat hij ertoe is geneigd om [appellant] de scriptie tijdens het Pinksterweekend te laten afmaken en vervolgens de definitieve versie te beoordelen. [appellant] heeft de definitieve versie ingeleverd op 9 juni 2025.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202600842/1/A2.
Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (CBE),
verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 30 juni 2025 hebben examinatoren van de masteropleiding Rechtsgeleerdheid (afdeling Civiel Recht) van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden de masterscriptie van [appellant] beoordeeld met het cijfer 8,0.

Bij beslissing van 6 februari 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 juli 2026, waar [appellant] en het CBE, vertegenwoordigd door mr. R.C.P. van Uden en mr. E.A. Jousma, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] heeft aan het voorjaarstraject van de masterscriptie Civiel Recht 2024-2025 deelgenomen. Deze scriptie moest uiterlijk op 6 juni 2025, om 12:00 uur, zijn ingeleverd. [appellant] heeft op die dag een voorlopige scriptie ingeleverd en daarbij te kennen gegeven dat hij verder zal werken aan de definitieve scriptie en die vóór het einde van het Pinksterweekend zal inleveren. De eerste lezer van de scriptie heeft op diezelfde dag in reactie daarop per e-mail medegedeeld dat hij ertoe is geneigd om [appellant] de scriptie tijdens het Pinksterweekend te laten afmaken en vervolgens de definitieve versie te beoordelen. [appellant] heeft de definitieve versie ingeleverd op 9 juni 2025.

Besluitvorming

2.       De examinatoren hebben, blijkens het beoordelingsformulier, aan de beslissing van 30 juni 2025 ten grondslag gelegd dat het eindcijfer in beginsel 9,0 zou zijn, maar dat een punt wordt afgetrokken, omdat [appellant] de scriptie enkele dagen te laat heeft ingeleverd. De examinatoren hebben daarbij vermeld dat het schrijfproces blijk geeft van een beperkte planningsmatige sturing.

3.       Het CBE heeft in de beslissing van 6 februari 2026 onder meer het volgende vermeld.

De Faculteit der Rechtsgeleerdheid heeft ervoor gekozen om de verschillende afdelingen binnen de masteropleiding Rechtsgeleerdheid een grote mate van vrijheid te geven bij de inrichting van het voor iedere specialisatie geldende scriptietraject. De afdeling Civiel Recht heeft ervoor gekozen om het scriptietraject in de scriptie-leidraad zo vorm te geven, dat het schrijven van de scriptie volgens een vast traject verloopt, met vaste tussentijdse deadlines. De examinatoren moeten zich bij de beoordeling van de scriptie houden aan de toepasselijke regels. In de Facultaire Scriptiehandleiding is onder meer opgenomen dat bij de beoordeling van de scriptie zes criteria, waaronder zelfstandigheid, worden onderscheiden. Deze criteria hebben geen gewicht. Op die manier wordt voorkomen dat de schijn ontstaat dat het cijfer aan de hand van de beoordeling van die criteria kan worden berekend. Bij zelfstandigheid weegt onder meer mee dat de student zelfstandig volgens de gestelde planning werkt. De examinatoren hebben in het geval van [appellant] mogen laten meewegen dat hij extra tijd heeft gebruikt voor het schrijven van de scriptie en dat hij daardoor niet in een voordeliger positie mag komen dan de andere studenten die hetzelfde traject volgen en die de scriptie wel op tijd hebben ingeleverd.

Beroep

4.       [appellant] betoogt dat het CBE niet heeft onderkend dat de examinatoren, nadat zij de keuze hadden gemaakt om de na de inlevertermijn ingeleverde scriptie na te kijken, ten onrechte aanleiding hebben gezien om op grond van de termijnoverschrijding een punt af te trekken. Volgens [appellant] bevat geen van de voor de cursus geldende regelingen daarvoor een grondslag. Ook is onduidelijk hoe het argument dat het schrijfproces blijk zou geven van beperkte planningsmatige sturing zich verhoudt tot het argument dat het gelijkheidsbeginsel de grondslag is voor de puntaftrek. Het CBE is verder ten onrechte niet ingegaan op de stelling dat uit de rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3243) volgt dat in gevallen waarin een cijfer voor een scriptie wordt gebaseerd op verschillende aspecten, voor studenten vooraf inzichtelijk moet zijn hoe die aspecten gewogen worden. Ook is niet gemotiveerd waarom het criterium van de zelfstandigheid bij verschillende afdelingen van de masteropleiding verschillend mag worden uitgelegd.

Oordeel van de Afdeling

4.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het CBE zich terecht op het standpunt gesteld dat, hoewel voor de puntaftrek geen expliciete grondslag bestaat, een grondslag kan worden gevonden in het feit dat [appellant] anders zou worden bevoordeeld boven studenten die zich wel aan regels over de inlevertermijn hebben gehouden. Doordat de examinatoren de versie hebben beoordeeld die [appellant] na de inlevertermijn heeft ingeleverd, heeft hij meer tijd gekregen om zijn scriptie te schrijven dan andere studenten.

4.2.    Het CBE heeft op de zitting bij de Afdeling te kennen gegeven dat [appellant] de definitieve versie van de scriptie 79 uur na de inlevertermijn heeft ingeleverd en dat het daarom gerechtvaardigd is om 1,0 punt van het cijfer af te trekken. Uit onder meer deze verklaring is af te leiden dat het aantal uren of dagen waarmee de inlevertermijn wordt overschreden, van belang is bij het bepalen van de omvang van de puntenaftrek en dat deze mogelijk lager zou zijn als de termijnoverschrijding geringer was geweest. Uit de e-mail van de eerste lezer van 6 juni 2026, waarbij hij [appellant] heeft toegestaan om tijdens het Pinksterweekend aan de definitieve scriptie te werken, volgt echter niet dat aan [appellant] kenbaar is gemaakt dat de gevolgen van de termijnoverschrijding afhankelijk zijn van de omvang ervan. [appellant] heeft op de zitting gemotiveerd te kennen gegeven dat hij de scriptie eerder tijdens het Pinksterweekend zou hebben ingeleverd als hij zou hebben geweten dat de omvang van de termijnoverschrijding van invloed zou zijn op de mate van puntaftrek. De Afdeling acht deze motivering niet op voorhand ongeloofwaardig. Niet onaannemelijk is dat de termijnoverschrijding geringer zou zijn geweest, indien [appellant] erop zou zijn gewezen dat de gevolgen van de termijnoverschrijding groter zouden zijn als er meer uren of dagen zouden verstrijken.

4.3.    Onder deze omstandigheden hebben de examinatoren in hun beslissing niet draagkrachtig gemotiveerd waarom aan de termijnoverschrijding de aftrek van een heel punt is verbonden. Het CBE heeft dit bij de beoordeling van deze beslissing niet onderkend.

4.4.    Het betoog slaagt.

5.       Het beroep is gegrond. De Afdeling zal de beslissing van het CBE van 6 februari 2026 vernietigen vanwege strijd met artikel 7:26 van de Algemene wet bestuursrecht. Doende wat het CBE had moeten doen, zal de Afdeling het administratief beroep gegrond verklaren en de beslissing van de examinatoren van 30 juni 2025 vernietigen. Artikel 7.61, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek staat eraan in de weg dat de Afdeling een nieuwe beslissing neemt die in de plaats treedt van de beslissing van de examinatoren. De Afdeling draagt de examinatoren daarom op om binnen een nader te stellen termijn een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

6.       Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep gegrond;

II.       vernietigt de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden van 6 februari 2026;

III.      verklaart het administratief beroep gegrond;

IV.     vernietigt de beslissing van de examinatoren van de masteropleiding Rechtsgeleerdheid (afdeling Civiel Recht) van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van 30 juni 2025;

V.      draagt de examinatoren van de masteropleiding Rechtsgeleerdheid (afdeling Civiel Recht) van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid op om binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

VI.     gelast dat het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hazen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

452-1175


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon