Uitspraak 202401755/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5441
- Datum uitspraak
- 14 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 29 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202401755/1/V2.
Datum uitspraak: 14 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 maart 2024 in zaken nrs. NL24.3767, NL24.3769, NL24.3771, NL24.3773 en NL24.3775 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 29 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 13 maart 2024 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. T. Thissen, advocaat in Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellanten vormen een gezin en komen uit Pakistan. De kinderen zijn vrijwel allemaal meerderjarig. Zij hebben met ingang van 18 januari 2021 de internationale beschermingsstatus in Hongarije gekregen. In 2023 hebben zij in Nederland asiel aangevraagd, omdat volgens appellanten de situatie in Hongarije zo slecht is dat zij zich daar niet meer staande kunnen houden. De minister heeft de aanvragen niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij al in een andere lidstaat internationale bescherming hebben (artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Volgens de minister mag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan worden uitgegaan dat Hongarije zijn internationale verplichtingen jegens appellanten nakomt. Ook vindt de minister dat appellanten niet bijzonder kwetsbaar zijn als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219.
2. In de eerste en tweede grief klagen appellanten over het oordeel van de rechtbank dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat de situatie in Hongarije zodanig ernstig is, dat niet langer ervan kan worden uitgegaan dat Hongarije zijn internationale verplichtingen nakomt - kortom, dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor statushouders in Hongarije niet langer opgaat.
2.1. Bij uitspraak van 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1781, heeft de Afdeling de algemene situatie voor statushouders in Hongarije beoordeeld. Uit deze uitspraak volgt dat, hoewel er sprake is van ernstige moeilijkheden voor statushouders om toegang tot voorzieningen te krijgen en de Hongaarse autoriteiten hen daar ook actief bij tegenwerken, er onvoldoende indicaties zijn dat statushouders structureel terechtkomen in een situatie van verregaande materiële deprivatie. Daarom is het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en het vermoeden dat Hongarije zijn internationale verplichtingen nakomt, nog steeds van toepassing.
2.2. De grieven falen.
3. In de derde, vierde en vijfde grief klagen appellanten voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bijzonder kwetsbaar zijn. Appellanten voeren aan dat de minister ten onrechte van hen verlangt dat zij zich beklagen bij de Hongaarse autoriteiten over hun gebrekkige toegang tot voorzieningen, omdat uit landeninformatie volgt dat die autoriteiten statushouders juist tegenwerken. Verder klagen zij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat zij bij terugkeer in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen, enkel omdat zij tijdens hun verblijf in Hongarije wel huisvesting en werk hebben kunnen vinden. Tot slot voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat de oudste dochter is geronseld om drugs te verkopen, niet maakt dat appellanten als bijzonder kwetsbaar moeten worden aangemerkt.
3.1. In haar uitspraak van 26 maart 2026 heeft de Afdeling overwogen dat de verschillende moeilijkheden voor statushouders om effectief toegang tot voorzieningen te krijgen, zoals die naar voren komen uit de algemene situatie, meegenomen moeten worden in de beoordeling of een individuele statushouder in Hongarije als gevolg van zijn bijzondere kwetsbaarheid terecht zal komen in een situatie als bedoeld in het arrest Ibrahim. Hierbij is in het bijzonder van belang dat de ondersteuning voor statushouders geheel is overgelaten aan maatschappelijke en kerkelijke instellingen (ngo’s). Deze ngo’s hebben slechts beperkte capaciteit om statushouders te ondersteunen. Daarom zal een minder zelfredzame statushouder die herhaaldelijk en tevergeefs heeft geprobeerd om de hulp in te schakelen van ngo’s om effectieve toegang tot basisvoorzieningen te krijgen, eerder aannemelijk kunnen maken dat die statushouder bij terugkeer naar Hongarije buiten zijn wil en eigen keuzes om in een situatie terecht zal komen van verregaande materiële deprivatie. Gelet op de actieve tegenwerking door de Hongaarse autoriteiten en de gehele uitbesteding van de ondersteuning voor statushouders aan ngo’s, is het op voorhand niet aannemelijk dat klagen bij de autoriteiten een effectief middel is om toegang tot voorzieningen te bewerkstelligen (zie de uitspraak van 26 maart 2026, onder 6.2). Als de minister het standpunt inneemt dat een Hongaarse statushouder geacht wordt zichzelf te kunnen redden, kan hij in zijn motivering op dit punt daarom niet volstaan met de tegenwerping dat een statushouder niet heeft geprobeerd te klagen bij de Hongaarse autoriteiten.
3.2. In zoverre betogen appellanten terecht dat de minister niet kan volstaan met de tegenwerping dat zij niet hun beklag hebben gedaan bij de Hongaarse autoriteiten over het gebrek aan effectieve toegang tot essentiële voorzieningen. Maar de rechtbank heeft terecht overwogen, in navolging van de minister, dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bijzonder kwetsbaar zijn. Appellanten hebben gedurende hun eerste jaar in Hongarije onderdak gekregen via een ngo. Na dit eerste jaar hebben zij opnieuw onderdak weten te krijgen met behulp van de kerk. De vader van het gezin heeft ook steeds werk gehad, en de kinderen van het gezin konden naar school gaan en spreken Hongaars. Verder is niet gebleken dat appellanten enige verdere inspanningen hebben geleverd om, al dan niet met hulp van ngo’s, hun rechten te effectueren. Appellanten hadden gedurende hun verblijf in Hongarije toegang tot essentiële voorzieningen als huisvesting en medische zorg, en hadden ook daadwerkelijke toegang tot de arbeidsmarkt. Omdat zij zich zodoende zelfstandig staande hebben kunnen houden, kan hun stelling dat zij gelet op hun omstandigheden en ervaringen in Hongarije bij terugkeer zonder meer terecht zullen komen in een situatie van verregaande materiële deprivatie, niet gevolgd worden. Tot slot is ook de gestelde omstandigheid dat de oudste dochter van het gezin door een vriendin onder druk is gezet om drugs te verkopen, op zichzelf onvoldoende om bijzondere kwetsbaarheid aan te nemen. Appellanten hebben niet inzichtelijk gemaakt waarom het voor de dochter onmogelijk was zich hieraan te onttrekken.
3.3. De grieven falen.
4. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van 26 maart 2026 volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzitter
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026
936