Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 126.693
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

202601977/1/A2

Bij e-mail van 17 april 2026 heeft de examencommissie Culturele Antropologie en Ontwikkelingssociologie aan [appellante] medegedeeld dat als zij meent dat zij tijdens haar scriptietraject onbehoorlijk is behandeld, zij een klacht kan indienen bij de Ombudsfunctionaris en dat niet meer inhoudelijk over dit scriptietraject met haar wordt gecorrespondeerd. Bij e-mail van 13 maart 2026 heeft [appellante] de examencommissie verzocht om een nadere uitleg en motivering van de wettelijke grondslag van beslissingen van de examencommissie gedurende de herkansing van haar scriptietraject. Het gaat hierbij om de herplaatsing naar een ander scriptiethema in het studiejaar 2022-2023, zonder de waarborgen van de procedure, zoals toegang tot Brightspace, de wijziging van het aantal en/of de structuur van de deeltoetsen binnen het Bachelor Thesis Project in het studiejaar 2025-2026, het opleggen van een formeel excuus als voorwaarde voor voortzetting van het scriptietraject vanaf het studiejaar 2023-2024, het niet toepassen of wijzigen van de gestructureerde begeleidingsonderdelen zoals opgenomen in de scriptiesyllabus 2024-2025, waaronder begeleidingsgesprekken en deelname aan peer review en het opleggen van aanvullende inschrijvingseisen en het daarin aanbrengen van wijzigingen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5016
Datum uitspraak
26 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601977/1/A2

202602154/1/A2 en 202602155/1/A2

Bij beslissing van 27 februari 2026 hebben het college van bestuur van Tilburg University (het college van bestuur van TiU) en het college van bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven (het college van bestuur van de TU/e) (gezamenlijk: de colleges) [appellant] tot en met 31 augustus 2026 een toegangsverbod opgelegd voor de terreinen en gebouwen van de TiU en de TU/e. Gedurende die periode is ook de inschrijving van [appellant] beëindigd. Naar aanleiding van veelvuldige meldingen over ongepast gedrag hebben de colleges bij beslissing van 27 februari 2026 de online en fysieke toegang tot de campussen in Eindhoven en Tilburg ontzegd. Het toegangsverbod geldt tot en met 31 augustus 2026. Gedurende die periode is ook de inschrijving van [appellant] aan beide universiteiten beëindigd. Tegen die beslissing heeft [appellant] op 8 april 2026 bezwaar gemaakt bij het college van bestuur van de TU/e en op 9 april 2026 bij het college van bestuur van TiU. Op 21 april 2026 hebben de colleges de ontvangst van de bezwaarschriften bevestigd en meegedeeld dat de bezwaren aan een gezamenlijke geschillencommissie zullen worden voorgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5031
Datum uitspraak
26 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202602154/1/A2 en 202602155/1/A2

202601407/2/R4

Bij besluit van 12 maart 2026 heeft de raad van de gemeente Oudewater het bestemmingsplan "[locatie], Oudewater" vastgesteld. Het plan voorziet in een appartementengebouw voor 4 appartementen in 2 bouwlagen aan het [locatie] in Oudewater. In de bestaande situatie is op het perceel een verouderd gebouw van 1 bouwlaag aanwezig. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de bouw van die 4 appartementen. Door toepassing van de coördinatieregeling van de Wro worden beide besluiten gelijktijdig door de Afdeling behandeld. [verzoeker] en anderen wonen in de directe omgeving van het plangebied en hebben bezwaren tegen het plan over, onder andere, het beschermd stadsgezicht, parkeren en hun privacy naar voren gebracht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4962
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • RO - Utrecht
  • uitspraakin de zaak202601407/2/R4

202602633/1/A2

[verzoekster] heeft administratief beroep ingesteld tegen de beslissing van de examencommissie Tilburg Law School (de examencommissie) van 4 augustus 2026, waarbij haar verzoek om een extra toetskans voor het vak Arbeidsrecht (680073-B-6) is afgewezen. Tegelijkertijd heeft [verzoekster] de voorzitter van het college van beroep voor de examens (CBE) gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een extra toetskans is door de examencommissie afgewezen, omdat [verzoekster] niet aan de voorwaarden voor de Laatste-vak-regeling als bedoeld in artikel 4.7a, eerste lid, aanhef en onder e, van de Onderwijs- en Examenregeling Tilburg Law School 2025-2026 voldoet. [verzoekster] heeft namelijk niet alle kansen in het collegejaar benut en heeft voor de kans die zij heeft benut niet minimaal het cijfer 4,5 behaald.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4978
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202602633/1/A2

BRS.25.002191

Bij besluit van 1 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4932
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002191

BRS.26.000189

Bij besluit van 24 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4919
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000189

BRS.26.002307

Op 25 juni 2025 heeft het COA appellant aangezegd dat het zijn weigering de aangeboden woning te aanvaarden onterecht acht en dat zijn verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 van rechtswege eindigen indien hij de woning niet binnen 24 uur accepteert.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4929
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Opvang asielzoekers
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002307

BRS.26.003431

Bij besluit van 21 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4927
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003431

BRS.26.003468

Bij besluit van 24 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4920
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003468

BRS.26.003514

Bij besluit van 3 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4926
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003514

BRS.26.003913

Bij besluit van 3 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4973
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003913

BRS.26.004093

Bij besluit van 23 november 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag om betrokkene een faciliterend visum te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4923
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004093

BRS.26.004151

Bij besluit van 23 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4907
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004151

BRS.26.004174

Bij besluit van 16 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4924
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004174

BRS.26.004200

Bij besluit van 17 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4925
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004200

BRS.26.004457

Bij besluit van 5 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4977
Datum uitspraak
25 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004457

202505411/3/R4

Bij besluit van 9 september 2025 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland het projectbesluit "Windpark Echteld-Lienden" vastgesteld. Het projectbesluit voorziet in een windpark met zeven windturbines langs de rijksweg A15 in de gemeenten Neder-Betuwe en Buren. Het projectbesluit wijzigt de omgevingsplannen van die gemeenten en geldt als omgevingsvergunning voor verschillende activiteiten in verband met de realisatie van het windpark. Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines is het niet eens met het projectbesluit en heeft daarom beroep ingesteld tegen dit besluit. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om gedurende de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen. NLVOW vreest dat begonnen zal worden met realisatie van het windpark voordat de Afdeling uitspraak doet in de bodemprocedure. Zij voert in dit verband aan dat initiatiefnemers begin maart 2026 zijn begonnen met voorbereidende werkzaamheden voor realisatie van het windpark. NLVOW wil daarnaast voorkomen dat voor het windpark subsidie wordt verleend en dat het projectbesluit leidt tot waardedaling van woningen in de omgeving in de periode tot aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4934
Datum uitspraak
24 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Projectbesluit
  • uitspraakin de zaak202505411/3/R4

BRS.26.003671

Bij besluit van 29 januari 2025 heeft de minister vastgesteld dat appellant geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft, en zijn aanvraag om afgifte van een document als bedoeld in de artikelen 18 en 19 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU en Euratom, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4807
Datum uitspraak
24 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003671

BRS.26.003912

Bij besluit van 10 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4900
Datum uitspraak
24 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003912

BRS.26.004055

Bij besluit van 25 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4897
Datum uitspraak
24 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004055

BRS.26.004274

Bij besluit van 16 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4906
Datum uitspraak
24 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004274

BRS.26.004404

Bij besluit van 8 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4938
Datum uitspraak
24 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004404

BRS.26.004440

Bij besluiten van 4 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoekers in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4960
Datum uitspraak
24 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004440

202501096/1/R3

Bij besluit van 10 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen jongeren die buiten schooltijden gebruik maken van het schoolplein van het Schreuder College aan De Villeneuvestraat 24 in Rotterdam afgewezen. In het besluit van 17 mei 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het handhavingsverzoek opnieuw in behandeling genomen. Het college heeft het verzoek in het besluit van 30 oktober 2023 alsnog afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5138
Datum uitspraak
24 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202501096/1/R3

202403774/1/V3

Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4917
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaak202403774/1/V3

202602218/1/R4

Het verzoek richt zich tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 30 juni 2026, waarbij de aanvraag van Dutch Fireworks Professional B.V. om een ontbrandingstoestemming op grond van artikel 3B.1, derde lid, aanhef en onder a, van het Vuurwerkbesluit, is ingewilligd. [verzoeker] en anderen hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5067
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Mondelinge uitspraak
  • Voorlopige voorziening
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202602218/1/R4

BRS.26.002696

Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, geweigerd om aan hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en aan hem een vertrekplicht opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4895
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002696

BRS.26.003239

Bij besluit van 25 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 26 september 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4825
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003239

BRS.26.003612

Bij besluit van 19 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4893
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003612

BRS.26.003727

Bij besluit van 30 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4886
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003727

BRS.26.003775

Bij besluit van 25 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4880
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003775

BRS.26.003779

Bij besluiten van 4 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aan verzoekers verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4896
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003779

BRS.26.003917

Bij besluit van 8 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4888
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003917

BRS.26.004073

Bij besluit van 30 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4891
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004073

BRS.26.004240

Bij besluit van 16 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4844
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004240

BRS.26.004241

Bij uitspraak van 29 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling het hoger beroep van opposant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 mei 2026 in zaak nr. 25/21206 met toepassing van artikel 8:81 van de Awb en artikel 92 van de Vw 2000 niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4921
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Verzet
  • Vreemdelingenkamer - Overige
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004241

BRS.26.004426

Bij besluit van 16 april 2025, aangevuld op 27 april 2025, heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4936
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004426

202502316/9/R4

Bij brief, ingekomen op 13 augustus 2026, hebben [verzoeker] en anderen verzocht om wraking van staatsraad mr. R. Uylenburg. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Staatsraad Uylenburg heeft in haar functie als voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak gereageerd op een door [verzoeker] ingediende klacht in de zaak met nummer 202502316. Zij is niet belast met de juridische behandeling van de zaak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4916
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Wraking
  • Inpassingsplan
  • uitspraakin de zaak202502316/9/R4

202600940/1/R4

[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de raad van de gemeente Bunnik op zijn aanvraag om een besluit waarmee het omgevingsplan wordt gewijzigd. Op 17 juli 2025 heeft [appellant] de raad verzocht het omgevingsplan van de gemeente Bunnik te wijzigen. Het verzoek houdt in dat de functie die is toegewezen aan het perceel [locatie] in Bunnik wordt gewijzigd van ‘bedrijf’ naar ‘wonen’. Op 12 januari 2026 heeft [appellant] de raad in gebreke gesteld en de raad verzocht binnen twee alsnog een besluit te nemen. [appellant] heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de raad op zijn verzoek. In beroep betoogt hij dat de raad nog geen besluit heeft genomen, ook niet nadat hij de raad in gebreke had gesteld bij brief van 12 januari 2026. Hij verzoekt de Afdeling daarom om de raad op te dragen binnen een korte termijn alsnog een besluit te nemen op zijn aanvraag en een dwangsom vast te stellen voor elke dag dat de raad zich niet aan de termijn houdt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4964
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Vereenvoudigde behandeling
  • Omgevingsplan
  • RO - Utrecht
  • uitspraakin de zaak202600940/1/R4

202601715/1/R1

[appellante] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van Venray over wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Venray. Op 19 maart 2025 heeft de gemeente Venray van [appellante] een e-mail ontvangen waarin "formeel" wordt verzocht om "[…] het bouwblok op het perceel perceel VRY00-C-8599, dat in het verleden is gebruikt als locatie voor een woning, opnieuw op te nemen in het bestemmingsplan" en "[…] het bestemmingsplan dienovereenkomstig te corrigeren en het bouwblok opnieuw op te nemen. Indien dit niet mogelijk is binnen de huidige planregeling, verzoek ik u een herzieningsprocedure of een correctie via een postzegelbestemmingsplan in gang te zetten." Op 26 maart 2025 heeft de gemeente Venray een brief ontvangen waarin het verzoek van 19 maart 2025 wordt herhaald.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4905
Datum uitspraak
21 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Vereenvoudigde behandeling
  • RO - Limburg
  • uitspraakin de zaak202601715/1/R1

202600271/3/A3

Bij besluit van 17 april 2025 heeft de Raad van State een verzoek van de Stichting van 22 maart 2025 om openbaarmaking van stukken op grond van de Wet open overheid afgewezen, gedeeltelijk omdat het verzoek betrekking heeft op zijn Afdeling bestuursrechtspraak en gedeeltelijk omdat binnen de Raad geen informatie is gevonden die onder het bereik van het verzoek valt. Bij besluit van 5 juni 2025 heeft de Raad het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De Stichting heeft naar voren gebracht dat de omstandigheden sinds de schorsing ingrijpend zijn gewijzigd. Zij wijst in dit verband op het vertrek en de opvolging van de vice-president van de Raad. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat de gronden van het hoger beroep nog niet bij de Afdeling waren ingediend. De Stichting gaat er op basis daarvan van uit dat de Raad van het hoger beroep is teruggekomen. De noodzaak om de uitspraak van de rechtbank nog langer te schorsen is daarmee volgens de Stichting aan de zaak ontvallen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4843
Datum uitspraak
20 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202600271/3/A3

BRS.25.000565

Bij besluiten van 18 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvullend terugkeerbesluit genomen en betrokkene in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4816
Datum uitspraak
20 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.25.000565

BRS.25.002144

Bij besluit van 21 februari 2024, vervangen door het besluit van 24 juli 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie bepaald dat op 4 maart 2024 het recht op bescherming eindigt dat appellant geniet op grond van Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/82 van 4 maart 2022, en appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4833
Datum uitspraak
20 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002144

BRS.26.003620

Bij besluit van 8 juni 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 10 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4827
Datum uitspraak
20 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003620

BRS.26.004044

Bij besluit van 9 december 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 28 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4819
Datum uitspraak
20 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004044

BRS.26.004053

Bij besluit van 22 juli 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 30 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4835
Datum uitspraak
20 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004053

BRS.26.004062

Bij besluit van 20 juli 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 3 augustus 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4818
Datum uitspraak
20 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004062

BRS.26.004074

Bij besluit van 7 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen. Bij besluit van 18 april 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4829
Datum uitspraak
20 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004074

202601935/2/A2

[verzoekster] heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van beroep voor de examens van het ROC Midden-Nederland van 23 juni 2026, waarbij het administratief beroep van [verzoekster] tegen het bindend negatief studieadvies van 20 mei 2026 ongegrond is verklaard. [verzoekster] volgt vanaf 1 augustus 2025 de tweejarige KOP-opleiding gespecialiseerd medewerker kinderopvang. Zij heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij aan het onderwijs mag blijven deelnemen totdat op het beroep is beslist.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4914
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601935/2/A2

BRS.26.001021

Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat op 4 maart 2024 het recht op bescherming eindigt dat appellant geniet op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De staatssecretaris heeft appellant ook opgedragen om de Europese unie binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4806
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001021

BRS.26.002938

Bij besluit van 21 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 8 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4817
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002938

BRS.26.003250

Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 29 november 2024, aangevuld bij besluit van diezelfde dag, heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4803
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003250

BRS.26.003865

Bij besluit van 11 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Ook heeft hij geweigerd verzoeker ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4883
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003865

BRS.26.004007

Bij besluit van 28 oktober 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 27 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de zaak teruggewezen naar de minister en hem opgedragen om aan betrokkene de gevraagde vergunning te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4815
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004007

BRS.26.004019

Bij besluit van 15 juli 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 29 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4805
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004019

BRS.26.004145

Bij besluit van 10 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4881
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004145

BRS.26.004353

Bij besluit van 29 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4882
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004353

202107288/3/R2

Bij uitspraak van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2295, heeft de Afdeling het onderzoek in de zaak heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Sedum Extra en De Groene Koepel en anderen hebben bij brieven van 3 april 2026 onderscheidenlijk 21 april 2026 verzocht om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het college heeft het bezwaarschrift van De Groene Koepel en anderen ontvangen op 5 november 2020.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4877
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202107288/3/R2

202300973/2/R2

Bij uitspraak van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2299, heeft de Afdeling het onderzoek in de zaak heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4876
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202300973/2/R2

202301062/1/R2

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de bezwaren tegen het bestemmingsplan ‘Commandoterrein’ van de gemeente Roosendaal ongegrond verklaard. Daarmee is het bestemmingsplan definitief geworden. Door de groei van het Korps Commando Troepen en in het kader van de veiligheid van de kazerne, wil de gemeente het kazerneterrein uitbreiden. Ook worden bestaande gebouwen verduurzaamd en het terrein opnieuw ingericht. Enkele bewoners van de Kortendijksestraat zijn het hier niet mee eens en zijn tegen het bestemmingsplan in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat er te dicht bij hun woningen gebouwd gaat worden en dat torens en installaties te hoog worden. Ze zijn bang dat dit ten koste gaat van het ongestoorde gebruik van hun achtertuinen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft deze rechtszaak al in september 2024 op een zitting behandeld. Op verzoek van de gemeenteraad is de zaak toen aangehouden en nog geen uitspraak gedaan. De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan daarna nog aangepast door de hoogten van de gebouwen te verlagen. De eerdere bezwaarmakers zijn hier tevreden mee en hebben hun bezwaren tegen het bestemmingsplan ingetrokken, maar enkele andere omwonenden hadden juist moeite met de aanpassingen in het bestemmingsplan en kwamen daartegen in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat hun achtertuinen nu juist te dicht bij de nieuwbouw op het commandoterrein komen te liggen. Hoewel de Afdeling bestuursrechtspraak begrip heeft voor het standpunt van de ‘nieuwe bezwaarmakers’ over het gewenste ongestoorde gebruik van hun achtertuinen, is haar oordeel dat de gemeenteraad zich op het standpunt mocht stellen dat er voldoende afstand is tussen de achterste perceelsgrenzen tot aan de plek waar de nieuwbouw op het commandoterrein mag komen. De inbreuk op het ongestoorde gebruik van de achtertuinen is niet zodanig dat dit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De afstand tot alle achtertuinen van de Kortendijksestraat hoeft niet dezelfde te zijn. De gemeenteraad mocht in aanmerking mogen nemen dat de situaties niet gelijk zijn. Het gaat bij de 'nieuwe bezwaarmakers' namelijk om grotere achtertuinen en daardoor om een veel grotere afstand tot de woningen, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4873
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202301062/1/R2

202301400/1/R1

Bij besluit van 21 februari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het realiseren van een nieuwbouwcomplex met appartementenhotel van 55 kamers, detailhandel en horeca op de locatie Jan Pieter Heijestraat 66 in Amsterdam. C.V. Jan Pieter Heijestraat wil op de locatie Jan Pieter Heijestraat 66 tot en met 74 en Borgerstraat 186 tot en met 198 in Amsterdam (de locatie) een appartementenhotel met 55 kamers, detailhandel met een oppervlakte van 562 m2 en horeca met een oppervlakte van 95 m2 realiseren. Voor het project is in het besluit van 21 februari 2023 een omgevingsvergunning eerste fase verleend. De huurdersvereniging komt op voor de belangen van huurders en medebewoners van woningen in het voormalige stadsdeel Oud-West en voor het belang van behoud van de voorraad betaalbare huurwoningen, de leefbaarheid en het welzijn in deze wijk. Eén appellante heeft een winkel nabij de locatie en de andere appellanten wonen in de omgeving van de locatie. Appellanten vrezen dat het appartementenhotel overlast in de omgeving zal veroorzaken. Zij vinden dat op de locatie woningen moeten terugkomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4855
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Bouwen
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202301400/1/R1

202301474/1/A3

Bij besluit van 3 augustus 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gennep het verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [appellant] staat sinds 22 augustus 2000 ingeschreven in de brp als [naam 1], geboren op [geboortedatum 1] 1965 in Jerevan, Armenië, met nationaliteit onbekend. De oudergegevens van [appellant] zijn ook in de brp vermeld. Op 4 februari 2020 heeft [appellant] het college verzocht om zijn persoonsgegevens in de brp te wijzigen. Hij wil zijn persoonsgegevens wijzigen naar [naam 2], geboren op [geboortedatum 1] 1967, met nationaliteit Armeense. Op 14 mei 2020 heeft hij een aanvullend verzoek ingediend om wijziging van zijn oudergegevens. Hij wil de naam van zijn vader wijzigen naar [naam 3] en die van zijn moeder naar [naam 4]. Het college heeft het verzoek afgewezen, omdat niet onomstotelijk vaststaat dat de gegevens in de brp onjuist zijn. Volgens het college is niet duidelijk of voorafgaand aan de afgifte van de als echt gekwalificeerde brondocumenten behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Ook zou nergens uit blijken dat de door [appellant] overgelegde documenten op hem betrekking hebben. Het college heeft het besluit in bezwaar gehandhaafd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4845
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • uitspraakin de zaak202301474/1/A3

202301844/1/R3

Heeft het college van B&W nog procesbelang als de aanvraag om omgevingsvergunning waarop het college van de rechtbank opnieuw had moeten beslissen, is ingetrokken? Deze vraag heeft de Afdeling bestuursrechtspraak beantwoord in een uitspraak van vandaag (19 augustus 2026). Het college van B&W van Molenlanden verleende een omgevingsvergunning voor de bouw van 22 bedrijfsunits in Giessenburg. Daartegen werd beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Die oordeelde dat het college een onjuiste uitleg heeft gegeven aan een regel in het bestemmingsplan door ervan uit te gaan dat deze regel meer dan één bedrijf op het perceel toestaat. De rechtbankuitspraak leidde ertoe dat het college opnieuw moest beslissen op de aanvraag. Maar na de uitspraak van de rechtbank trok het bedrijf zijn vergunningaanvraag in. Het bedrijf had de grond waarop zij haar bedrijfsunits wilde bouwen verkocht en overgedragen aan de gemeente. Er ligt niet langer een aanvraag waarop het college van B&W een nieuw besluit kon nemen. Heeft het college van B&W dan nog wel procesbelang bij een uitspraak op het hoger beroep? Ja, vindt het college. Het is voor hem namelijk van belang om duidelijkheid te hebben over hoe de regel in het bestemmingsplan moet worden uitgelegd. 1. omdat de gemeente nu eigenaar van het perceel is geworden en een uitleg van invloed is op de waarde daarvan, 2. omdat de planregel ook op andere gronden van toepassing is en het college in de toekomst dus vaker voor de vraag gesteld kan worden hoe de regel moet worden uitgelegd. Nee, oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak. Het college heeft geen reëel en actueel belang bij een beoordeling van zijn hoger beroep over de uitleg van de planregel. Er is geen sprake meer van een aanvraag die het college moet toetsen aan deze regel en de gemeente is niet van plan om het perceel nog voor de vestiging van bedrijven te gaan gebruiken. Ook loopt er elders binnen de gemeente geen procedure waarbij toetsing aan deze planregel aan de orde is. Het college is bovendien niet afhankelijk van een uitspraak van de hoogste bestuursrechter over de uitleg van de planregel om in mogelijke toekomstige procedures meerdere bedrijven op één perceel te kunnen toestaan. Het college heeft de ruimte om bij de beoordeling van toekomstige aanvragen af te wijken van het bestemmingsplan (inmiddels: het tijdelijke deel van het omgevingsplan). Ook kan het college de gemeenteraad voorstellen om de planregel aan te passen om deze in overeenstemming te brengen met de uitleg die het college voorstaat. Geen procesbelang dus. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4856
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202301844/1/R3

202304650/1/R1

Bij besluit van 25 mei 2023 heeft de raad van de gemeente Bergen (NH) het bestemmingsplan "Limmerweg nabij 7 Egmond-Binnen" vastgesteld. Initiatiefnemer [partij] heeft al lange tijd een bloembollenkwekerij op het perceel [locatie 2] in Heiloo. Dit perceel heeft sinds 2005 een uit te werken woonbestemming. In 2016 heeft de gemeente Heiloo het proces daartoe in gang gezet. Daarom moet [partij] zijn bedrijf verplaatsen. Als nieuwe locatie is het perceel aan de Limmerweg in Egmond-Binnen, gemeente Bergen (NH), gevonden. Dit perceel is al in eigendom van [partij]. Het bestemmingsplan voorziet voor dat perceel in een bouwvlak voor de vestiging van een bloembollenbedrijf. Het plan maakt een bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw mogelijk. De op 9 juni 2023 verleende omgevingsvergunning betreft het bedrijfsgebouw. [appellant sub 1] betoogt dat verplaatsing van het bedrijf niet noodzakelijk is, omdat het bestemmingsplan voor woningbouw waarvoor het bedrijf zou moeten wijken, is vernietigd. [appellant sub 1] betoogt dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of alternatieve locaties mogelijk waren voor de woningbouw.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4875
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202304650/1/R1

202305615/1/R4

Bij besluit van 29 juni 2023 heeft de raad van de gemeente Brummen het bestemmingsplan "Energietransitie servicestation en appartementencomplex" vastgesteld. Op de hoek van de Zutphensestraat en de G.K. van Hogendorpstraat in de kern van Brummen bevinden zich een tankstation en een garagebedrijf. De eigenaar wil het tankstation en het garagebedrijf sluiten en een nieuw tankstation (energietransitie servicestation) starten aan de Kwazenboschweg bij de rotonde N345/N348. De raad heeft het plan vastgesteld om deze verplaatsing mogelijk te maken. Op het perceel dat vrijkomt door de verplaatsing van het tankstation maakt het plan de bouw van een appartementencomplex met veertien woningen mogelijk. De raad stelt zich op het standpunt dat de beroepen van Stichting Hogenenk en andere en Vereniging Natuur en Milieufederatie Gelderland niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, omdat de beroepschriften te laat zijn ingediend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4863
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202305615/1/R4

202306434/1/R2

Bij besluit van 25 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een terras aan de [locatie] in Breda. [vergunninghouder] is eigenaar van een woning aan de [locatie] in Breda, naast de rivier de Mark. Tussen zijn woning en de Mark ligt een strook van ongeveer 7 meter breed die in eigendom is van de gemeente en is gelegen in een ecologische verbindingszone (EVZ). Binnen deze strook wenst [vergunninghouder]een overdekt terras bij zijn woning met uitzicht op de Mark. Het terras, dat inmiddels is gerealiseerd, hangt boven de schuin aflopende gronden van de rivieroever, steunt op twee palen en heeft een overkapt oppervlak van ongeveer 32 m2. Het terras is met één zijde aan de woning gebouwd. [vergunninghouder] heeft voor het terras een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk en gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4862
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202306434/1/R2

202306911/1/R2

Bij besluit van 16 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda aan Sintels B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van een terrein voor het organiseren van dressuur- en/of springwedstrijden in de periode van 31 maart tot 1 oktober op de locatie Rijsbergseweg 590 in Breda. Sintels exploiteert een manage met een paarden- en ponyfokkerij en wil hippische wedstrijden gaan organiseren. Het houden van evenementen en het daarbij behorend parkeren passen volgens het college van Breda niet binnen de geldende bestemmingsplannen. Het college heeft vervolgens een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verleend. De Groene Koepel en anderen zijn het niet eens met dit besluit omdat zij vrezen dat de natuur wordt aangetast door de wedstrijden. De Groene Koepel en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college van Breda bevoegd is om de omgevingsvergunning te verlenen, omdat het zwaartepunt van de afwijking van het bestemmingsplan niet in Breda ligt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4867
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202306911/1/R2

202307194/1/R1

Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft de raad van de gemeente Roermond het bestemmingsplan "Gedeeltelijke herziening bestemmingsplan Binnenstad Roermond" vastgesteld. Het plan biedt een kader voor begeleid en beschermd wonen in de binnenstad van Roermond en mogelijke opvanglocaties. In het vorige plan "Binnenstad Roermond" waren op diverse locaties en binnen verschillende bestemmingen maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Met dit plan wordt voor die locaties waar maatschappelijke voorzieningen zijn toegestaan een beoordelingsmogelijkheid gecreëerd. Daarom is in artikel 4.1 van het plan, met uitzondering van bestaande situaties, een verbod opgenomen om nieuwe vormen van begeleid en/of beschermd wonen, of opvang, te bouwen en/of in gebruik te nemen. Artikel 4.2 van de planregels bevat daarvoor een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. [appellant] stelt dat het plan onvoldoende waarborgen bevat om overlast als gevolg van begeleid en beschermd wonen tegen te gaan. Dit komt volgens hem doordat pas bij de verlening van de omgevingsvergunning wordt getoetst of het gebruik geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat ter plaatse.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4872
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Limburg
  • uitspraakin de zaak202307194/1/R1

202400209/3/R1

Bij tussenuitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5604, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Zaanstad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van overweging 7.1 het daar omschreven gebrek in het besluit van 30 november 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Lint Krommenie" te herstellen, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen. Het gaat er in deze procedure om dat er op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan "Lint Krommenie" op 30 november 2023 sprake was van een aan [partij A] en [partij B] verleende, maar nog niet onherroepelijke omgevingsvergunning voor het realiseren van 12 appartementen op het perceel Noorderhoofdstraat 149 in Krommenie. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling uiteengezet dat deze omgevingsvergunning, hoewel nog niet onherroepelijk, een zwaarwegend belang vormt dat de raad moet betrekken bij zijn besluitvorming over het bestemmingsplan. Dit betekent dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening moet houden met de verleende omgevingsvergunning. Dat heeft de raad gedaan door een bouwvlak in de verbeelding op te nemen voor de bebouwing van het vergunde bouwplan. De Afdeling heeft de raad zo begrepen dat hij voor de ruimtelijke onderbouwing van het als zodanig bestemmen van het bouwplan aansluiting heeft gezocht bij de ruimtelijke onderbouwing van het college van burgemeester en wethouders bij de verleende omgevingsvergunning.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4866
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202400209/3/R1

202400447/1/R1

Bij besluit van 20 december 2023 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming vastgesteld dat ter hoogte van het perceel Oude Moerstraatsebaan 110 in Bergen op Zoom sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Het college heeft in dat besluit ook op grond van artikel 37 van de Wbb vastgesteld dat spoedige sanering van dit geval noodzakelijk is. Kemet is eigenaar van het perceel Oude Moerstraatsebaan 110 in Bergen op Zoom. Zij heeft daar sinds 1982 een handelsonderneming in apparatuur en technieken voor metaaloppervlaktebewerking. Kemet voert daar voor demonstratiedoeleinden oppervlaktebehandelingen uit. Daarbij wordt gewerkt met reinigings- en ontvettingsmiddelen. Op basis van onderzoeken heeft het college vastgesteld dat de grondwaterverontreiniging een geval van ernstige verontreiniging is, dat met spoed moet worden gesaneerd. Kemet is het niet eens met het besluit, hoofdzakelijk omdat volgens haar onvoldoende vaststaat dat de grondwaterverontreiniging van haar perceel afkomstig is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4868
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Bodembescherming
  • uitspraakin de zaak202400447/1/R1

202402173/1/R2

Bij besluit van 28 april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau de aan [appellant] mondeling opgelegde bouwstop bevestigd en [appellant] preventief gelast om geen bouwwerkzaamheden voor de bouw van een recreatiewoning op het perceel [locatie] in Baarle-Nassau zonder omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van het bestemmingsplan "Buitengebied 2008" uit te voeren. Daaraan heeft het een dwangsom van € 20.000,00 ineens verbonden. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie]. Dit perceel ligt op recreatiepark De Kievit in Baarle-Nassau. Volgens het college dreigde [appellant] zonder de benodigde omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van het bestemmingsplan bouwwerkzaamheden voort te zetten voor de bouw van een recreatiewoning op zijn perceel, is de permanente bewoning in strijd met het bestemmingsplan en is de recreatiewoning zonder de benodigde omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van het bestemmingsplan gebouwd en in stand gelaten. Het college heeft [appellant] daarom, binnen een periode van zes maanden, een bouwstop, een preventieve last onder dwangsom en twee lasten onder dwangsom opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4860
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202402173/1/R2

202403045/1/R2

Bij besluit van 18 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maashorst geweigerd om aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit voor de duur van twee jaar op het perceel aan de [locatie] in Odiliapeel. [appellante] wil een kleinschalige zorgboerderij met een hondenkennel, een hondenfokkerij en dagbesteding realiseren op het perceel, waar een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning van een voormalige varkenshouderij staan. Om de hondenfokkerij te realiseren wil [appellante] het bedrijfsgebouw en de bedrijfswoning verbouwen. Tijdens de verbouwing wenst [appellante] een tijdelijke woonunit als woonruimte te gebruiken. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Partiële herziening buitengebied 2017" laat geen tweede woonfunctie toe op het perceel. Daarom heeft [appellante] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het afwijken van het bestemmingsplan en het plaatsen van de tijdelijke woonunit. [appellante] is het niet eens met het besluit van het college van B&W en vindt dat een hondenfokkerij niet in strijd is met de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "intensieve veehouderij".

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4854
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202403045/1/R2

202405427/1/R2

Het beroep richt zich tegen het besluit van de raad van de gemeente Maashorst van 27 juni 2024, waarbij het bestemmingsplan ‘[locatie] te Zeeland’ is vastgesteld. Wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met het recht is vastgesteld. In deze procedure gaat het over het vastgestelde bestemmingsplan ‘[locatie] te Zeeland’. Dat er voorafgaand hieraan een poging is gedaan om de duivenhokken te legaliseren via een omgevingsvergunningsprocedure en wat daar toen is gebeurd of nagelaten, staat in deze procedure dus niet ter beoordeling. Het bestemmingsplan is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. In overeenstemming met deze procedure is [appellant] in de gelegenheid gesteld om een zienswijze op het ontwerpplan naar voren te brengen. Dat heeft [appellant] ook gedaan. De raad heeft deze zienswijze betrokken bij de vaststelling van het plan en heeft in de nota van zienswijze behorende bij dit plan uiteengezet waarom dit niet tot een ander besluit heeft geleid. Daarmee heeft de raad voor dit plan de juiste procedure gevolgd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4915
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Mondelinge uitspraak
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202405427/1/R2

202405769/1/R1

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in een tussenuitspraak van vandaag (19 augustus 2026) de gemeenteraad van Amsterdam opgedragen om binnen een half jaar drie gebreken te herstellen in het bestemmingsplan 'Mercatorpark'. Dat plan maakt ongeveer zeshonderd woningen mogelijk en een integraal kindcentrum, winkels en horeca. Sportfondsen-Amsterdam-West die erfpachter en huurder is van percelen in het gebied, en de exploitant van een KFC-restaurant in ‘Sportplaza Mercator’ waren tegen het plan in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Volgens hen zal door het plan parkeeroverlast ontstaan, omdat de bestaande eigen parkeerplaatsen verdwijnen en er alleen openbare parkeergelegenheid overblijft. Het KFC-restaurant vindt ook dat er te weinig rekening is gehouden met de geluidsoverlast vanwege het restaurant en de laad- en loszone. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak mag de gemeenteraad de woningbouwbehoefte weliswaar zwaarder laten wegen dan het behoud van de bestaande parkeerplaatsen, maar de gemeenteraad moet dan wel duidelijk maken dat er voldoende parkeergelegenheid overblijft. De gemeenteraad heeft daarvoor de bestaande parkeerbehoefte berekend, maar daar een kortingspercentage van 40% op toegepast. Die korting heeft de gemeenteraad echter niet onderbouwd met actuele cijfers over de zogeheten verkeersgeneratie. Dat is wel vereist op grond van het eigen gemeentelijke beleid. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan had de gemeenteraad ook geen onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting van de bestelpaal van het KFC-restaurant en de invloed daarvan op de te bouwen woningen. Kort voor de rechtszitting in juni kwam dat onderzoek er alsnog, maar dat is naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak te laat. De gemeenteraad krijgt nu de opdracht om aan de hand van dat onderzoek te beoordelen of het plan moet worden aangepast. Ten slotte moet de gemeenteraad nader onderzoek doen naar de laad- en loszone bij het KFC-restaurant. Die bestaande laad- en loszone wordt met het bestemmingsplan verkleind. Het is de vraag of KFC daardoor nog verkeersveilig kan laden en lossen. Het gevolg van de tussenuitspraak is dat nog niet duidelijk is of het woningbouwplan mag doorgaan. Daarvoor zal de gemeenteraad het bestemmingsplan eerst nog moeten aanpassen. Daarna zal de Afdeling bestuursrechtspraak beoordelen of de gemeenteraad daarmee de gebreken in dit plan heeft hersteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4870
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202405769/1/R1

202406042/1/R2

Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Altena de aanvraag van [appellanten] voor een omgevingsvergunning voor een bijgebouw aan de [locatie] afgewezen. [appellanten] hebben in 2017 de recreatiewoning en het perceel aan de [locatie] aangekocht. In 2022 hebben zij de planken van het houten platform en het bijgebouw vervangen. Zij hebben bij het college een legaliserende aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor dat bijgebouw. Deze aanvraag is door het college afgewezen. De rechtbank heeft in haar uitspraak ten eerste gekeken of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet past binnen het geldende bestemmingsplan. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat zij bij de aankoop van het perceel navraag hebben gedaan bij de gemeente of zij bekend zijn met eventuele onregelmatigheden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4848
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202406042/1/R2

202406452/3/R3

Bij tussenuitspraak van 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:370, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Hoeksche Waard opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omgeschreven gebreken in het besluit van 17 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Margrietstraat 2-Graaf Van Egmondstraat 46-48 Oud-Beijerland" te herstellen. Over het besluit van 17 september 2024 heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 9.3 overwogen dat onduidelijk was of de verkeersintensiteit na uitvoering van het plan de maximale capaciteit van de wegen rondom het plangebied niet overschrijdt. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat de raad onvoldoende gemotiveerd heeft dat het plan geen onaanvaardbare verkeersoverlast tot gevolg heeft. Gelet hierop heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad het besluit van 17 september 2024 in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht heeft genomen. De Afdeling heeft onder 19 van de tussenuitspraak de raad opdracht gegeven dit gebrek te herstellen. Het herstelbesluit 3. De raad heeft verkeerstellingen uitgevoerd op de Margrietstraat, de Croonenburgh en het Pad van Jongejan. In de "Memo verkeersgeneratie bestemmingsplan ‘Margrietstraat 2-Graaf Van Egmondstraat 46-48 Oud-Beijerland’" geeft de raad aan op welke wijze de uitkomst van de verkeerstellingen wordt verwerkt in de plantoelichting. Daarnaast zijn de verkeerstellingen als bijlagen bij de plantoelichting gevoegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4874
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Geluid
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202406452/3/R3

202406534/1/R3

Bij besluit van 10 september 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard het wijzigingsplan "Dorpsdijk Rhoon" vastgesteld. Het wijzigingsplan maakt de bouw van maximaal 69 woningen in de vorm van gestapelde bouw met appartementen alsmede 120 m2 aan zorg of maatschappelijke functie op de percelen Dorpsdijk 116-130 in Rhoon (Palsgraaflocatie) mogelijk. Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 35.3 van de regels van het bestemmingsplan "Rhoon Dorp" van 14 juli 2014 (bestemmingsplan). [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen wonen in de directe omgeving van het plangebied en komen tegen het wijzigingsplan op vanwege de gevolgen daarvan voor hun woonsituatie. Kavel Vastgoed III is eigenaar van gronden in het plangebied en ontwikkelaar van de woningbouw. [partij B] is ook eigenaar van gronden in het plangebied. [partij A] woont aan de [locatie], naast de planlocatie.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4858
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202406534/1/R3

202407191/1/R3

Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de raad van de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan "Park OverdeSchie" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van het terrein van het tennispark OverdeSchie in Rotterdam, naar woningen. Het plan maakt de bouw van maximaal 48 woningen mogelijk. Het voornemen is om 16 appartementen en 32 grondgebonden woningen te realiseren. [appellant] woont op het perceel [locatie], ten noorden van het plangebied. Hij kan zich niet met het plan verenigen. [appellant] betoogt dat het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, omdat er geen deugdelijke participatie heeft plaatsgevonden. Hij wijst erop dat uit het participatiebeleid van de gemeente Rotterdam "Betrokken Stad" volgt dat een burger vanaf het eerste begin van een idee daarbij moet worden betrokken, terwijl daar geen sprake van is geweest.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4859
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202407191/1/R3

202501883/1/A3

Bij besluit van 6 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden het handhavingsverzoek van [appellant] afgewezen. [appellant] woont aan de [locatie 1] in Schelluinen. Zijn woning grenst aan het perceel van de maatschap en de toegangsweg naar dat perceel. De maatschap exploiteert op het perceel [locatie 2] een veehouderij. [appellant] ervaart overlast van jongeren die privéfeesten houden in de ruimte boven de veestal van de maatschap (de bedrijfskantine). Hij woont op een afstand van 45 meter van deze veestal. Op 1 juli 2020 heeft hij bij het college een verzoek om handhaving ingediend, waarbij hij het college mede heeft verzocht om maatwerkvoorschriften aan de maatschap op te leggen. Het college heeft dit verzoek afgewezen, omdat tijdens de controles op vrijdag 7 en zaterdag 15 augustus 2020 geen overtredingen zijn geconstateerd. In het besluit van 31 augustus 2021 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft dit besluit rechtmatig geacht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4878
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202501883/1/A3

202502818/1/A2

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam moet een nieuw besluit nemen of een gezin met twee jonge, zieke kinderen voor een urgentieverklaring in aanmerking komt. Met zo'n verklaring komt het gezin sneller in aanmerking voor een (andere) sociale huurwoning. De ouders vroegen de urgentieverklaring aan omdat zij met twee ernstige zieke kinderen in een woning op de derde verdieping wonen. De kinderen moeten regelmatig geopereerd worden. Ze slapen in een stapelbed, maar de oudste zoon kan door zijn aandoening niet zelf in het bovenste bed komen. Ook het appartement zelf is lastig te bereiken, omdat de lift vaak stuk is waardoor de ouders de kinderen moeten tillen. De oudste zoon heeft daarbij autisme en gedragsproblemen. Dit heeft tot psychische klachten geleid bij een van de ouders. Het college van B&W heeft de gevraagde urgentieverklaring afgewezen, omdat de ouders schulden hebben die niet zijn geregeld. Ook vindt het college dat het de hardheidsclausule niet hoeft toe te passen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college de hardheidsclausule alleen in zeer uitzonderlijke situaties hoeft toe te passen, gelet op het grote tekort aan sociale huurwoningen in Amsterdam en het belang van een rechtvaardige verdeling van beschikbare woonruimte. In Amsterdam geldt daarbij dat als aanvragers een beroep doen op medische problematiek, uit een verklaring van een medisch specialist moet volgen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. De Afdeling bestuursrechtspraak is van oordeel dat het college in dit uitzonderlijke geval aanleiding had moeten zien om de GGD-arts om advies te vragen in het kader van de hardheidsclausule. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de huidige woonsituatie een zeer beperkende negatieve invloed heeft op het herstel van de kinderen na hun operaties. De ernstige vorm van autisme van de oudste zoon heeft ook negatieve gevolgen voor de jongste zoon en voor een van de ouders die door de ziekte van de kinderen en de woonsituatie een psychische stoornis heeft ontwikkeld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4850
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202502818/1/A2

202502853/1/A3

Hollands Venetië exploiteert een rondvaarboten- en verhuurbotenbedrijf in Giethoorn. Per 1 januari 2021 geldt de nieuwe Vaarverordening Steenwijkerland 2021. Deze bevat een verbod om rondvaartboten aan te drijven met een verbrandingsmotor. Op grond van de vaarverordening kon het college een ontheffing van dit verbod verlenen als deze werd aangevraagd voor 1 januari 2022 en als voldaan werd aan de andere voorwaarden in het ontheffingenbeleid elektrisch varen Steenwijkerland (het ontheffingenbeleid). Hollands Venetië heeft op 10 juli 2023 een ontheffing gevraagd voor haar twee VIP-sloepen die nog varen met een verbrandingsmotor. Deze worden, omdat ze een schipper hebben, geschaard onder de categorie rondvaartboten. Het college heeft de aanvraag afgewezen en stelt dat de aanvraag niet alleen te laat is ingediend, maar dat de vaartuigen waarvoor de ontheffing is aangevraagd, ook niet zijn vergund onder de nieuwe vaarverordening, omdat voor de VIP-sloepen geen kenteken is aangevraagd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4852
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202502853/1/A3

202502857/1/A3

Bij besluit van 19 november 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland aan Hollands Venetië een last onder dwangsom opgelegd. Uit de controlerapportages van 25 augustus 2024 en 29 augustus 2024 blijkt dat de toezichthouder tijdens een standaard controle op deze data een overtreding van de Verordening Fysieke Leefomgeving Steenwijkerland 2023 (VFL) waarnam. Hij heeft twee maal een sloep zien varen en het geluid van een explosiemotor gehoord. Hij heeft daarvan foto’s gemaakt en gerapporteerd dat hij het geluid uit de richting van de sloep hoorde komen. Hem was ambtshalve bekend dat de sloepen, met rondvaartbootkentekens R-106-A en R-107-A, bij Hollands Venetië hoorden. Op grond van artikel 22:3, eerste lid, van de VFL, is het verboden een rondvaarboot voort te bewegen binnen de gemeente met een verbrandingsmotor. Volgens het college blijkt uit de rapportages dat sprake is van een overtreding van de VFL. Hollands Venetië betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er een overtreding was. Het is aan het college om te bewijzen dat de sloepen bedrijfsmatig werden gebruikt voor rondvaarten met gasten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4853
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202502857/1/A3

202503663/1/A3

Bij besluit van 16 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellante] om rectificatie van meerdere onderdelen van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) afgewezen. [appellante] heeft op 24 januari 2023 een verzoek ingediend om meerdere onderdelen van het rapport van de RvdK van 31 oktober 2022 (het rapport) aan te passen. Met het besluit van 16 november 2023 heeft de staatssecretaris dat verzoek om rectificatie, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming afgewezen omdat de beoogde rectificatie niet ziet op correctie van persoonsgegevens, maar op indrukken en meningen die vooraf of tijdens het onderzoek bij de RvdK zijn binnengekomen. Met het besluit van 27 mei 2024 is de staatssecretaris daarbij gebleven. Daarbij heeft de staatssecretaris betrokken dat naar aanleiding van het bezwaar van [appellante] de raadsmedewerkers een oplegnota hebben opgesteld en aanpassingen zijn gemaakt in het rapport en de daarin opgenomen tijdlijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat de AVG geen grond biedt om de door [appellante] aangevoerde punten te corrigeren.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4846
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202503663/1/A3

202503864/1/A2

Bij besluit van 16 november 2023 heeft de burgemeester van Almere het pand aan de Antennestraat 94 in Almere (het pand) voor de duur van twee weken gesloten. Het Witte Huis is eigenaar van het pand. Zij exploiteert het pand voor bruiloften en andere evenementen. In de nacht van 7 op 8 november 2023 is een vuurwerkbom bij het pand afgegaan. De politie heeft hierover op 9 november 2023 een bestuurlijke rapportage opgesteld. Naar aanleiding hiervan heeft de burgemeester besloten om cameratoezicht in te stellen. Op 15 november 2023 heeft opnieuw een incident plaatsgevonden bij het pand, waarbij een brandend voorwerp door een raam van het pand naar binnen is gegooid. De politie heeft hierover op 15 november 2023 een bestuurlijke rapportage opgesteld. De burgemeester heeft het pand op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet voor de duur van twee weken gesloten. Volgens de burgemeester hebben de incidenten bij het pand de openbare orde ernstig geschokt en het leefklimaat in de omgeving van het pand ernstig verstoord. De rechtbank heeft het besluit van 10 april 2024 vernietigd wegens een motiveringsgebrek, omdat de burgemeester daarin ten onrechte artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet aan de tijdelijke sluiting van het pand ten grondslag heeft gelegd. Het Witte Huis is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 10 april 2024 in stand te laten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4847
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202503864/1/A2

202503999/1/V6

Bij besluit van 31 maart 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant] een boete opgelegd van € 6.000,00 wegens twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. [appellant] exploiteert in Arnhem een massagesalon. Op 23 november 2021 hebben arbeidsinspecteurs van de Inspectie SZW (nu: de Nederlandse Arbeidsinspectie) daar een controle verricht. In het op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende boeterapport van 28 november 2022, kenmerk 2143604/06, (het boeterapport) staat dat de arbeidsinspecteurs tijdens die controle twee vreemdelingen met de Thaise nationaliteit hebben aangetroffen (betrokkenen). De inspecteurs hebben geconstateerd dat betrokkenen arbeid hebben verricht door massages te geven aan klanten in de salon. Betrokkenen hadden geen gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid en [appellant] had voor betrokkenen geen tewerkstellingsvergunning (twv). De minister heeft [appellant] daarom een boete opgelegd. Partijen verschillen van mening over de vragen of het proces als geheel behoorlijk is geweest, of de arbeidsinspecteurs [appellant] de cautie (de mededeling dat men niet tot antwoorden verplicht is) hebben gegeven en of de arbeidsinspecteurs de kelder onder de massagesalon onrechtmatig zijn binnengetreden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4849
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202503999/1/V6

202504460/1/R1

Bij besluit van 3 juni 2025 heeft de raad van de gemeente Horst aan de Maas het bestemmingsplan "Mäöleveld te Sevenum" vastgesteld. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk op het Voorste Hees, een appelboomgaard tussen de Molenveldweg en De Hees, aan de noordwestzijde van Sevenum. Het gebied is geschikt voor een woningbouwplan met maximaal 164 woonkavels. De ontwikkeling is opgesplitst in verschillende fasen. Voorliggend plan, fase 1, voorziet in maximaal 84 woonkavels met bijbehorende verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen en openbaar groen. Daarnaast heeft het plan ook betrekking op de percelen De Hees 4, 6 en 10. [appellant A] en [appellant B] wonen aan [locatie]. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, onder meer vanwege de planologische mogelijkheden die het plan biedt voor het perceel van [partij] aan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4871
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Limburg
  • uitspraakin de zaak202504460/1/R1

202504640/1/R1

Bij besluit van 24 juni 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam het definitief plaatsingsplan "Besluit van het dagelijks stadsbestuur van Nieuw-West tot het aanwijzen, opheffen en wijzigen van afvalinzamellocaties in de buurt De Aker-Oost" vastgesteld. In het besluit heeft het college onder meer de locatie [kenmerk A], ter hoogte van de [locatie], aangewezen voor de plaatsing van drie ondergrondse afvalcontainers. Twee van de ondergrondse afvalcontainers zijn voor restafval (ORAC’s) en één is voor oud papier en karton. Op de locatie [kenmerk A] stonden voor de vaststelling van het plaatsingsplan al twee ORAC’s. Verder is bij het besluit de locatie [kenmerk B] opgeheven. Op deze locatie stonden voor de vaststelling van het plaatsingsplan twee ORAC’s. [appellant] en anderen wonen aan de [locatie] en zijn het om verschillende redenen niet eens met het plaatsingsplan. [appellant] en anderen betogen dat de locatie [kenmerk A] niet geschikt is voor ondergrondse afvalcontainers. Ten eerste omdat afvalcontainers op die locatie tot verkeersonveilige situaties zullen leiden. Ter onderbouwing hiervan voeren zij aan dat het verkeer op de Pond Sterlinglaan tijdens het legen van de afvalcontainers - gelet op de positionering van het inzamelvoertuig - geen zicht heeft op het verkeer op het Forintplantsoen ter hoogte van de kruising Pond Sterlinglaan/Forintplantsoen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4865
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202504640/1/R1

202505282/1/R1

Bij besluit van 16 september 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam het definitief plaatsingsplan "Besluit tot het opheffen van een afvalinzamellocatie in de Bloemenbuurt" vastgesteld. In het besluit heeft het college locaties aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s). Zo ook de locatie [kenmerk A], ter hoogte van de [locatie]. Verder heeft het college in het besluit onder andere de locatie [kenmerk B], schuin tegenover de aangewezen locatie, opgeheven. Op deze locatie stond voor de vaststelling van het plaatsingsplan één ORAC. De uitvoeringswerkzaamheden ten behoeve van het plaatsingsplan zijn inmiddels afgerond. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie] en zijn het om verschillende redenen niet eens met het plaatsingsplan. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de locatie [kenmerk A] niet geschikt is voor het plaatsen van ORAC’s. Ten eerste omdat afvalcontainers op die locatie tot verkeersonveilige situaties zullen leiden. Ter onderbouwing hiervan wijzen zij erop dat het voorkomt dat het inzamelvoertuig tegen het eenrichtingsverkeer de Latherusstraat in rijdt. Ook komt het volgens [appellant A] en [appellant B] voor dat het inzamelvoertuig op het kruispunt Latherusstraat/Ribesstraat moet steken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4869
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202505282/1/R1

202505345/1/A3

Bij besluit van 17 december 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [appellant] om een ligplaatsvergunning voor een drijvend terras afgewezen. Op 24 oktober 2024 heeft [appellant] een aanvraag gedaan voor een ligplaatsvergunning voor een drijvend terras behorend bij zijn woonboot aan de [locatie 1]. Het college heeft de ligplaatsvergunning geweigerd omdat het drijvend terras niet voldoet aan de maximale afmetingen. Het drijvend terras is namelijk 0,9 meter diep, terwijl de diepte op grond van artikel 1 van de Verordening op de Binnenwateren voor de gemeente Den Haag (VOB) maximaal 0,6 meter mag zijn.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4851
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202505345/1/A3

202505736/1/A3

Bij besluit van 15 november 2023 heeft de burgemeester de door [wederpartij] aangevraagde exploitatievergunning geweigerd. Bij besluit van 4 juli 2024 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank voor zover van belang het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 juli 2024 vernietigd, het besluit van 15 november 2023 herroepen, de door [wederpartij] op 10 juli 2023 aangevraagde exploitatievergunning geweigerd en bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5072
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Drank en horeca
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202505736/1/A3

202506155/1/R2

[appellant] en anderen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun handhavingsverzoek van 30 mei 2025 en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. [appellant] en anderen willen de bouw van een loods voorkomen in de buurt van hun woningen. Daarvoor hebben zij een handhavingsverzoek ingediend bij het college, omdat er volgens hen zonder omgevingsvergunning wordt gebouwd terwijl die volgens hen wel nodig is. Zij hebben vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat het college volgens hen niet tijdig een besluit heeft genomen op hun handhavingsverzoek. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4857
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202506155/1/R2

202506189/1/R1

Bij besluit van 18 november 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam het definitief plaatsingsplan "Besluit van het dagelijks bestuur van stadsdeel Oost tot het aanwijzen en opheffen van afvalinzamellocaties nabij Kamerlingh Onneslaan 32 en Kamerlingh Onneslaan 1" vastgesteld. In het besluit heeft het college onder meer de locatie 1097DG-32, ter hoogte van de Kamerlingh Onneslaan 32 vlakbij het appartementencomplex van VvE Frankenhof, aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse afvalcontainers. Eén van de ondergrondse afvalcontainers is voor restafval en de ander is voor oud papier en karton. Verder is bij het besluit de locatie 1097DE-1 opgeheven. Op deze locatie stond voor de vaststelling van het plaatsingsplan één bovengrondse afvalcontainer voor restafval. VvE Frankenhof vindt de locatie 1097DG-32 om verschillende redenen, waaronder de verkeersveiligheid, ongeschikt voor de plaatsing van de ondergrondse containers. VvE Frankenhof betoogt dat de locatie 1097DG-32 niet geschikt is voor het plaatsen van afvalcontainers omdat de plaatsing van afvalcontainers tot verkeersonveilige situaties zal leiden. Ter onderbouwing wijst zij er ten eerste op dat het plaatsen van de afvalcontainers op de locatie tot gevolg heeft dat gebruikers over het nabijgelegen fietspad zullen moeten lopen om de afvalcontainers te kunnen gebruiken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4864
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202506189/1/R1

202601396/1/A2

Bij beslissing van 28 oktober 2025 heeft de Examencommissie Technology & Nutrition de scriptie van [appellant] ongeldig verklaard en ‘fraude’ genoteerd in zijn dossier, vanwege ongeoorloofd gebruik van kunstmatige intelligentie. Op 20 april 2026 heeft het CBE per e-mail aan [appellant] medegedeeld dat zijn administratief beroep gegrond wordt verklaard en dat het ernaar streeft om zo spoedig mogelijk de beslissing met de motivering toe te sturen. Met de beslissing van 12 mei 2026 heeft het CBE het administratief beroep gegrond verklaard en de beslissing van 28 oktober 2025 vernietigd. Daarbij heeft het [appellant] een proceskostenvergoeding toegekend van € 999,00, overeenkomend met anderhalf procespunt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. [appellant] heeft op 4 mei 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn administratief beroep. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft zijn beroep ook betrekking op het besluit van 12 mei 2026, waartegen hij op 10 juni 2026 inhoudelijke gronden heeft aangevoerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4861
Datum uitspraak
19 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601396/1/A2

202407310/1/V1

Bij besluit van 11 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 27 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4823
Datum uitspraak
18 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202407310/1/V1

202501870/1/V2

Bij besluit van 27 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 24 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Taheri, advocaat in Capelle aan den IJssel, hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4801
Datum uitspraak
18 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202501870/1/V2

BRS.26.002895

Bij besluit van 2 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I.M. Zuidhoek, advocaat in Gieten, hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4790
Datum uitspraak
18 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002895

BRS.26.003154

Bij besluit van 9 april 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 15 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4792
Datum uitspraak
18 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003154

BRS.26.003586

Bij besluit van 26 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4775
Datum uitspraak
18 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003586

BRS.26.003664

Bij besluit van 12 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 10 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4793
Datum uitspraak
18 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003664

BRS.26.003962

Bij besluit van 19 juli 2026 heeft de minister appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 27 juli 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4797
Datum uitspraak
18 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003962
vorige pagina1...678...1.267volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon