Uitspraak BRS.26.003878
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5755
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.003878
ECLI:NL:RVS:2026:5755
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 juli 2026 in zaak nr. NL26.32498 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 28 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant, vertegenwoordigd door mr. Y. Izgi, advocaat in Enschede, heeft krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bij de minister bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overdracht op 30 juli 2026 en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft dit verzoek op 28 juli 2026 ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
Bij uitspraak van 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4464, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat appellant niet wordt overgedragen, totdat op het hoger beroep is beslist.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1. Appellant heeft het bezwaar tegen de voorgenomen overdracht bij de minister en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van de rechtbank ingediend, terwijl bij de Afdeling hoger beroep openstond tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 juli 2026 in de procedure over het besluit van 9 juni 2026. Onder deze omstandigheden en gelet op de uitspraak van 30 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4575, onder 2, merkt de Afdeling het bezwaarschrift aan als een hogerberoepschrift.
2. Bij brief van 27 augustus 2026 heeft de minister laten weten dat de uiterlijke termijn om appellant over te dragen aan Roemenië is verstreken. Appellant moet daarom worden opgenomen in de nationale asielprocedure. Appellant heeft onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep, omdat hij heeft bereikt wat hij met zijn hoger beroep beoogt doordat de minister zijn asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1253, onder 2.
3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Hij heeft namelijk als gevolg van tijdsverloop de asielaanvraag alsnog in behandeling genomen. Hij is dus niet aan appellant tegemoetgekomen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:182, onder 2. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Bekhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
1161-846