Uitspraak BRS.25.001228 en BRS.25.001229
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:4575
- Datum uitspraak
- 30 september 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geweigerd appellant ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.001228 en BRS.25.001229
ECLI:NL:RVS:2025:4575
Datum uitspraak: 30 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 25 juli 2025 in zaak nr. NL24.45546 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geweigerd appellant ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen.
Bij besluit van 21 juni 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 12 november 2024 heeft de minister de tegen die besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant, vertegenwoordigd door mr. M.S. Nizamoeddin, advocaat in Den Haag, heeft krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke uitzetting en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft het verzoek ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
Bij uitspraak van 5 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4279, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij ordemaatregel bepaald dat de voorgenomen uitzetting op 8 september 2025 achterwege blijft.
Overwegingen
1. Appellant heeft het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van de rechtbank ingediend, terwijl bij de Afdeling hoger beroep openstond tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 juli 2025 in de procedure over het besluit van 12 november 2024. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van de Afdeling, gelet op de uitspraak van 5 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353, onder 1, bij uitsluiting bevoegd om het bij de rechtbank ingediende verzoek in behandeling te nemen en staat tegen de feitelijke uitzetting geen bezwaar open.
2. De voorzieningenrechter van de Afdeling merkt het bezwaarschrift onder deze omstandigheden aan als een hogerberoepschrift. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de voorzieningenrechter van de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom voor het overige af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2025
1048