Uitspraak BRS.26.004581
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5768
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 29 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.004581
ECLI:NL:RVS:2026:5768
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 24 augustus 2026 in zaak nr. NL26.30207 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 29 mei 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 24 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. V. Senczuk, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank bij het berekenen van de proceskostenvergoeding ten onrechte geen punt aan hem heeft toegekend voor de zitting. Uit de rechtbankuitspraak volgt namelijk dat appellant met zijn gemachtigde is verschenen bij het onderzoek op de zitting van 5 augustus 2026. Zoals appellant terecht betoogt, heeft het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht neergelegde vergoedingsstelsel een forfaitair karakter en moet de bestuursrechter een punt toekennen voor de proceshandeling. Haar overweging dat het verweerschrift al was ingediend voor de zitting en de toelichting van de gemachtigde van appellant tijdens de zitting geen nieuwe informatie bevatte die reden is voor de gegrondverklaring van het beroep, is geen reden om kortgezegd geen punt toe te kennen voor de zitting. De grief slaagt.
2. De tweede grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de tweede grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 934,00. De Afdeling zal de minister voor de proceskosten in beroep veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 1.868,00 (een punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen op de zitting). De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 24 augustus 2026 in zaak nr. NL26.30207, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 934,00;
III. bevestigt de uitspraak voor het overige;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2026
915-1163