Uitspraak BRS.26.004439
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5746
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 21 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten (terugkeerbesluit), omdat zijn recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn tijdelijke bescherming na die datum eindigt.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.004439 en BRS.26.004512
ECLI:NL:RVS:2026:5746
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 augustus 2026 met zaken nrs. NL24.10440 en NL24.10961 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten (terugkeerbesluit), omdat zijn recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn tijdelijke bescherming na die datum eindigt.
Bij besluit van 6 augustus 2025 heeft de minister het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken en een nieuw terugkeerbesluit genomen.
Bij uitspraak van 13 augustus 2026 heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 21 februari 2024 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het door appellant tegen het besluit van 6 augustus 2025 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. U heeft bij brief van 20 augustus 2026 hoger beroep ingesteld en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Die mogelijkheid biedt de Nederlandse wet (de Vw 2000) niet. De hogerberoepstermijn liep tot en met 14 september 2026. U hebt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om vóór die datum alsnog gronden in te dienen. Omdat u daardoor niet heeft uitgelegd waarom de uitspraak van de rechtbank volgens u niet juist is, kan de voorzieningenrechter geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Er doen zich in uw geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664, die maken dat uw hoger beroep toch inhoudelijk moet worden behandeld omdat u een onmiskenbaar risico loopt op onmenselijke behandeling.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026
846-1219