Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.25.002131

Uitspraak BRS.25.002131

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5739
Datum uitspraak
30 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij brief van 10 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellanten meegedeeld dat hij de termijn voor de overdracht aan Kroatië heeft verlengd tot achttien maanden.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.25.002131
ECLI:NL:RVS:2026:5739
Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B],mede voor hun minderjarige kinderen,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 18 november 2025 in zaak nr. NL25.26661 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B],mede voor hun minderjarige kinderen,

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij brief van 10 juni 2025 heeft de minister appellanten meegedeeld dat hij de termijn voor de overdracht aan Kroatië heeft verlengd tot achttien maanden.

Bij uitspraak van 18 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

2.        Appellanten zijn een vader, een moeder en hun twee kinderen. Zij hebben op 30 september 2024 aanvragen ingediend in Nederland om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluiten van 20 januari 2025 heeft de minister de aanvragen niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Deze besluiten gelden ook als overdrachtsbesluiten. Met de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 10 april 2025 in zaken nrs. NL25.2820 en NL25.2822 zijn deze besluiten in rechte vast komen te staan.

De overdracht aan Kroatië stond op 9 juni 2025 gepland, maar de minister heeft de termijn voor de overdracht tot achttien maanden verlengd, omdat appellanten volgens hem waren ondergedoken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Hij heeft appellanten hiervan bij eerdergenoemde brief van 10 juni 2025 op de hoogte gesteld.

2.1        In artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening staat dat, wanneer de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen komt te vervallen en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. De verzoekende lidstaat kan deze termijn verlengen tot maximaal achttien maanden als de betrokkene onderduikt.

2.2        De vraag die in deze uitspraak voorligt is of appellanten waren ondergedoken in de zin van bovengenoemd artikelonderdeel. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend en licht dat hierna toe.

Uitspraak van de rechtbank

3.        De rechtbank heeft verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punt 70. Hieruit volgt dat een vreemdeling onderduikt in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening wanneer hij er doelbewust voor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de overdracht om deze te voorkomen. Volgens het Hof mag aangenomen worden dat dit het geval is wanneer de bevoegde nationale autoriteiten de overdracht niet kunnen uitvoeren, omdat de vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder hen van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat de bevoegde nationale autoriteiten hem hebben geïnformeerd over zijn verplichtingen.

3.1        De rechtbank heeft overwogen dat appellanten met foto’s en locatiegegevens aannemelijk hebben gemaakt dat zij op 8 juni 2025 om 19:30 uur terugkwamen bij de opvanglocatie en daar op 9 juni 2025 verbleven. De rechtbank heeft uit de door de minister overgelegde gegevens afgeleid dat appellanten op 9 juni 2025 weliswaar op de opvanglocatie aanwezig waren, maar dat zij onvindbaar waren voor de autoriteiten. Zij heeft overwogen dat een vreemdeling ook doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten blijft wanneer hij op de aan hem toegekende woonplaats verblijft, maar onvindbaar is. Daarom heeft zij geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten waren ondergedoken.

Bij dit oordeel heeft de rechtbank betrokken dat uit het door de minister overgelegde verslag van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) van 10 juni 2025 blijkt dat er op 9 juni 2025 vier keer, namelijk om 1:30, 3:00, 4:50 en 5:40 uur, beveiligers bij de kamers van appellanten zijn langs geweest, maar geen gehoor hebben gekregen. Dit komt overeen met de verklaringen van de vader dat hij die nacht in ieder geval tot 3:00 uur op de kamer van vrienden in de opvanglocatie verbleef en dat de moeder in de nacht voor de geplande overdracht ‘even weg was’, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat zij na hun terugkeer op de opvanglocatie in hun kamers waren. De rechtbank is er namelijk van uitgegaan dat de beveiligers bij hun kamers hebben aangeklopt en appellanten dit zouden hebben gehoord als zij er waren. Zij heeft erop gewezen dat uit het door de minister overgelegde verslag van het vertrekgesprek van 2 juni 2025 blijkt dat de DT&V appellanten heeft opgedragen om in de nacht voor de geplande overdracht op hun kamers te overnachten. Ook heeft de DT&V appellanten geïnformeerd dat beveiligers hen zouden wekken als zij in de ochtend niet klaar zouden staan bij de receptie.

Verder heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken dat appellanten er zelf voor hebben gekozen om op 8 juni 2025 pas om 19:30 uur terug te keren naar de opvanglocatie. Op dat moment waren er geen medewerkers van het COA meer aanwezig om hen te informeren over hun ophaaltijd. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de minister appellanten terecht heeft tegengeworpen dat zij zich de ochtend van 9 juni 2025 niet hebben gemeld voor vertrek. Zij wisten namelijk hoe laat hun vlucht zou vertrekken. Er bestond geen concrete aanwijzing voor hun aanname dat de vlucht zou zijn geannuleerd, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.        In hun enige grief klagen appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij waren ondergedoken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, onder 6 en 7, voeren zij aan dat zij de overdracht alleen hebben gefrustreerd en dat de rechtbank het begrip ‘onderduiken’ ten onrechte heeft verruimd. Volgens hen duikt een vreemdeling alleen onder in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening en punt 70 van het arrest Jawo, als hij de hem toegekende woonplaats verlaat, zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat de autoriteiten hem hebben geïnformeerd over zijn verplichtingen. Aangezien zij de dag voor de geplande overdracht zijn teruggekeerd naar de opvanglocatie, waren zij niet ondergedoken, aldus appellanten.

4.1        Het Hof heeft in punt 56 van het arrest Jawo het begrip onderduiken in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uitgelegd dat dit betekent dat een vreemdeling zich opzettelijk aan het toezicht van de autoriteiten onttrekt. In punt 61 van het arrest Jawo staat dat het Hof onderkent dat er aanzienlijke moeilijkheden zijn voor de bevoegde autoriteiten, in Nederland is dit de minister, om het bewijs te leveren van die opzet. Om de bevoegde autoriteit tegemoet te komen in haar bewijslast, heeft het Hof in punt 62 een bewijsvermoeden in het leven geroepen. De vreemdeling onttrekt zich in ieder geval opzettelijk aan het toezicht van de autoriteiten, als hij de hem toegekende woonplaats heeft verlaten, zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat de autoriteiten hem hebben geïnformeerd over zijn verplichtingen. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:154, onder 2.

Dat een vreemdeling onderduikt, wanneer hij zich opzettelijk aan het toezicht van de autoriteiten onttrekt, volgt ook uit punt 70 van het arrest Jawo. Daarin heeft het Hof nader uiteengezet dat een vreemdeling onderduikt als hij er doelbewust voor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, om deze te voorkomen. De nationale rechter moet nagaan of deze situatie zich voordoet. Het begrip ‘onderduiken’ zoals het Hof dat in het arrest Jawo uitlegt, beperkt zich dus niet tot de gevallen waarin een vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten. Ook in andere gevallen kan sprake zijn van onderduiken. In die gevallen moet de minister aannemelijk maken dat de vreemdeling zich opzettelijk aan het toezicht van de autoriteiten heeft onttrokken.

4.2        De rechtbank is de minister terecht gevolgd in zijn standpunt dat appellanten waren ondergedoken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. De minister heeft met de feiten en omstandigheden die onder 2.1 staan, aannemelijk gemaakt dat appellanten weliswaar op de opvanglocatie aanwezig waren, maar dat zij zich net voor de overdracht doelbewust onvindbaar hebben gemaakt voor de autoriteiten, terwijl zij wisten op welk tijdstip zij beschikbaar moesten zijn. Appellanten hebben deze feiten en omstandigheden niet betwist en geen aanknopingspunten naar voren gebracht om aan deze constatering te twijfelen. De minister heeft daarom aannemelijk gemaakt dat appellanten zich opzettelijk aan het toezicht van de autoriteiten hebben onttrokken en dus waren ondergedoken.

De eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022 baat appellanten niet. In tegenstelling tot appellanten, was betrokkene in die zaak niet buiten het bereik van de bevoegde nationale autoriteiten. Hij verbleef namelijk op zijn kamer in de opvanglocatie, maar weigerde om het busje van de DT&V in te gaan. Hij frustreerde dus alleen zijn overdracht, maar was feitelijk niet buiten het bereik van de autoriteiten.

4.3        De grief slaagt niet.

4.4        Uit het voorgaande volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

Conclusie

5.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Ristra-Peeters
voorzitter

w.g. Zwemstra
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

91-1034


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon