Uitspraak 202504731/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5831
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202504731/1/V2.
Datum uitspraak: 1 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 augustus 2025 in zaak nr. NL25.32324 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 22 augustus 2025 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. K. Yousef, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in zijn grieven tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat de ingebrekestelling van 25 juni 2025 prematuur is. Hoewel hij terecht betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister met het instellen van het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrische vreemdelingen, dat gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025, de beslistermijn met een jaar heeft verlengd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de ingebrekestelling prematuur is. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5232, heeft de minister met het instellen van het moratorium het besluit op de asielaanvraag met zes maanden uitgesteld. Omdat appellant op 12 oktober 2024 asiel heeft aangevraagd, had de minister met het moratorium tot uiterlijk 12 oktober 2025 om een besluit te nemen op de asielaanvraag. Appellant heeft de minister op 25 juni 2025 in gebreke gesteld tijdens de beslistermijn die na afloop van het moratorium nog resteerde. De grief slaagt niet.
1.1. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vragen. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driesten
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026
1048