Uitspraak BRS.25.001781
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5837
- Datum uitspraak
- 5 oktober 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001781
ECLI:NL:RVS:2026:5837
Datum uitspraak: 5 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 17 oktober 2025 in zaak nr. NL25.29461 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 17 oktober 2025 heeft de rechtbank dat beroep
niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H.A. Limonard, advocaat in Joure, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 24 augustus 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen.
Appellant is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
Hoger beroep
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de asielaanvraag van 13 september 2023. Dat heeft de minister bij het besluit van 24 augustus 2026 alsnog gedaan. Wat appellant aanvoert, levert geen belang op voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling ziet aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 24 augustus 2026
3. Het besluit van 24 augustus 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
4. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 24 augustus 2026 krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen. De Afdeling vindt het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat daartegen hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. verwijst het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2026, V-293.817.6512, naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2026
977