Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 125.139
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

BRS.26.001782

Bij besluit van 19 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2787
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001782

BRS.26.002176

Bij besluit van 2 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2700
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002176

BRS.26.002330

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2805
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002330

BRS.26.002334

Bij besluit van 2 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2828
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002334

BRS.26.002411

Bij besluit van 11 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2836
Datum uitspraak
18 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002411

202501310/1/V3

Bij besluit van 13 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2717
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige
  • uitspraakin de zaak202501310/1/V3

202600348/2/A3

[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2025. Op 10 februari 2014 heeft [verzoekster] een overeenkomst met de gemeente Rotterdam gesloten om een parkeerplaats in de parkeervoorziening aan de Benthuizerstraat in Rotterdam te mogen gebruiken voor haar auto. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar, ingaande op 1 maart 2014, en wordt elk jaar stilzwijgend voor eenzelfde periode verlengd. Bij brief van 19 mei 2022 heeft de Manager Parkeervoorzieningen aan [verzoekster] medegedeeld dat haar abonnement per 31 juli 2022 wordt beëindigd. De gemeente kent stallingsabonnementen alleen toe aan specifieke groepen. Deze abonnementen zijn vooral bedoeld voor bewoners die in de directe omgeving van de parkeergarage wonen. [verzoekster] valt niet binnen deze doelgroep. Bij brieven van 28 en 29 juni 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [verzoekster] medegedeeld dat de overeenkomst voor het gebruik van de parkeergarage met ingang van 1 augustus 2022 wordt beëindigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2676
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202600348/2/A3

202600832/1/R4 en 202600832/2/R4

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2026. Ook hebben [appellanten] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Een hoger beroep wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard als betaling van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op het moeten betalen van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [appellanten] moeten voor het door hen ingestelde hoger beroep griffierecht betalen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2716
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202600832/1/R4 en 202600832/2/R4

202600833/1/R4 en 202600833/2/R4

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2026. Ook hebben [appellanten] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Een hoger beroep wordt ingevolge artikel 8:41, vierde, vijfde en zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard als betaling van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een beroepschrift is gewezen op het moeten betalen van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [appellanten] moeten voor het door hen ingestelde hoger beroep griffierecht betalen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2715
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202600833/1/R4 en 202600833/2/R4

202601069/1/A3 en 202601069/2/A3

Bij besluit van 20 november 2025 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen. [appellant] heeft op 15 september 2025 een VOG aangevraagd. Die heeft hij nodig om stage te kunnen lopen bij Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs, Samenwerkingsbestuur voor bijzonder en openbaar onderwijs in Sittard (hierna: de Stichting). Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de minister de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP 2025. De staatssecretaris heeft in dit geval een terugkijktermijn van vier jaren gehanteerd en heeft deze verlengd met de feitelijke duur van de vrijheidsbenemende maatregelen die [appellant] heeft ondergaan van in totaal drie maanden en zeven dagen. De staatssecretaris heeft de afgifte van de VOG geweigerd en deze weigering in bezwaar gehandhaafd omdat binnen de terugkijktermijn in het JDS enkele feiten zijn geregistreerd. Op grond van deze in het JDS geregistreerde feiten is volgens de staatssecretaris voldaan het objectieve criterium.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2677
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Verklaring omtrent gedrag
  • uitspraakin de zaak202601069/1/A3 en 202601069/2/A3

202601097/2/A3

Bij besluit van 20 november 2025 heeft de burgemeester van Nissewaard besloten om de woning van [verzoeker] aan de [locatie] in Spijkenisse voor de duur van drie maanden te sluiten. [verzoeker] woont met zijn 17-jarige zoon en 18-jarige dochter in de woning. Op 17 november 2025 ontving de politie een anonieme melding dat de zoon van [verzoeker] een vuurwapen zou bezitten. Hierop heeft de politie op 19 november 2025 de woning doorzocht. Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie zijn daarbij een wapenstok en een revolver in de slaapkamer van [verzoeker] aangetroffen. Verder zijn 149,7 g cocaïne, vier zakjes hennep met een bruto gewicht van 16,1 g, € 3.660,00 contant geld en een mixer met witte residu in de woonkamer aangetroffen. De burgemeester heeft daarom op 20 november 2025 besloten om de woning van [verzoeker] voor drie maanden te sluiten vanwege overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. [verzoeker] heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Bij uitspraak van 9 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 20 november 2025 geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar omdat de belangen van met name de kinderen van [verzoeker] zwaarder wegen dan de door de burgemeester gestelde belangen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2697
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202601097/2/A3

BRS.26.001745

Bij besluit van 31 juli 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2684
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001745

BRS.26.002009

Bij besluit van 29 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2702
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002009

BRS.26.002123

Bij besluit van 10 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2682
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002123

BRS.26.002130

Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2685
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002130

BRS.26.002198 en BRS.26.002199

Bij besluit van 13 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2678
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002198 en BRS.26.002199

BRS.26.002224

Bij besluit van 25 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2687
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002224

BRS.26.002238 en BRS.26.002239

Bij besluit van 19 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2681
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002238 en BRS.26.002239

BRS.26.002256

Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2801
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002256

BRS.26.002295

Bij besluit van 14 mei 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2683
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002295

202203001/3/R2

Bij tussenuitspraak van 25 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2840) heeft de Afdeling de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 17 februari 2022, waarbij het bestemmingsplan "Eeneind 2018" is vastgesteld, te herstellen. Het op 17 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan betreft een actualisatie van de bestemmingsplannen in het dorp Eeneind in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Het plangebied beslaat onder meer de gronden van [appellante], kadastraal bekend gemeente Nuenen, sectie C, nrs. 3465, 3466, 3468, 3469, 3470, 3892, 3894, 3895 en 4232. [appellante] heeft in haar zienswijze te kennen gegeven dat zij het eens is met het herstelbesluit, voor zover aan het perceel nr. 3892 de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - autobeklederij" is toegekend, en voor zover de aanduiding "milieuzone - geurzone" van haar gronden is verwijderd. Gelet hierop is in zoverre geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog moet worden beslist. De beroepsgronden die wel zijn aangevoerd zal de Afdeling hieronder bespreken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2760
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202203001/3/R2

202206069/1/A3

Bij besluit van 29 maart 2021 heeft het college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam de verzoeken van [appellant] op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) afgewezen. [appellant] is het niet eens met de uitspraken van de rechtbank. Hij heeft zijn standpunten uitgebreid uiteengezet. De Afdeling wijst er op dat uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet volgt dat zij in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Hoewel de Afdeling alle argumenten heeft bezien, zal zij zich hierna beperken tot de kern van de door [appellant] naar voren gebrachte gronden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2769
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202206069/1/A3

202300154/1/A3

Bij besluit van 15 mei 2020 heeft de burgemeester van Schiedam een aanvraag voor een exploitatievergunning en een drank- en horecawetvergunning van [wederpartij] afgewezen. Op 12 februari 2020 heeft [persoon A] met zijn bedrijf S.A.S. Kansspelautomaten B.V. een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning, een drank- en horecawetvergunning en een aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten voor de vestiging van DIVA Eetcafé in het pand [locatie] in Schiedam. Volgens de aanvraag is [wederpartij] de exploitant/ondernemer van DIVA die op de vergunning vermeld moet worden. Bij besluit van 15 mei 2020, gehandhaafd bij besluit van 7 juni 2021, heeft de burgemeester deze aanvraag afgewezen. De burgemeester heeft de vergunningen geweigerd omdat [wederpartij] en [persoon B] (beoogd leidinggevende van DIVA) in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Drank- en Horecawet.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2737
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Drank en horeca
  • Wet Bibob
  • uitspraakin de zaak202300154/1/A3

202302187/1/R4

Bij besluit van 7 februari 2023 hebben provinciale staten van Gelderland het inpassingsplan "Herziening inpassingsplan en reparatie inpassingsplan tuinbouw Bommelerwaard" vastgesteld. Het bedrijf van [appellante sub 1] is gevestigd aan de [locatie 1] in Poederoijen. Dat bedrijfsperceel maakt geen onderdeel uit van het plangebied. [appellante sub 1] is het niet eens met het plan voor zover dit betrekking heeft op de percelen aan de [locatie 2] en [locatie 3] in Poederoijen en deze percelen daarin niet langer de gebiedsaanduiding "overige zone-intensiveringsgebied" gebied hebben. [appellante sub 1] vreest dat dit negatieve gevolgen heeft voor haar huidige en toekomstige bedrijfsvoering. [appellante sub 2] heeft een bedrijf dat chrysanten kweekt en is gevestigd aan de [locatie 4] in Nieuwaal. Dat perceel maakt geen deel uit van het plangebied. [appellante sub 2] is het niet eens met het plan voor zover dit betrekking heeft op de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalige bedrijfswoning" die aan de nabij zijn bedrijf gelegen woning op het perceel aan de [locatie 5] te Nieuwaal is toegekend. [appellante sub 2] vreest dat haar huidige en toekomstige bedrijfsvoering hierdoor zal worden belemmerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2728
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202302187/1/R4

202303363/1/A3

Bij twee besluiten van 21 september 2021 heeft de burgemeester van Almere aanvragen van FEBO Almere voor een terrasvergunning en een vergunning alcoholvrij bedrijf afgewezen. FEBO Almere heeft de burgemeester verzocht vergunningen te verlenen voor een terras en een alcoholvrij bedrijf. De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) gevraagd om advies. Uit die adviezen volgt dat in mindere mate gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob. De burgemeester is echter van mening dat een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Hij heeft daarom geweigerd de vergunning voor een alcoholvrij bedrijf te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2643
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Drank en horeca
  • uitspraakin de zaak202303363/1/A3

202303560/1/V3

Bij besluit van 6 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard en hem opgedragen om Nederland binnen vier weken te verlaten. Appellant heeft de Venezolaanse nationaliteit. De minister heeft zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Deze bepaling is een uitwerking van artikel 33, tweede lid en onder c, van Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn) en hieruit volgt dat een asielaanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien een derde land voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd. De minister heeft Ecuador voor appellant als veilig derde land beschouwd. Niet in geschil is dat appellant zes jaar lang legaal in Ecuador heeft verbleven. Het besluit op de asielaanvraag is ook een terugkeerbesluit, waarin de minister Ecuador als land van terugkeer heeft aangewezen. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij niet naar Ecuador wil terugkeren. Omdat de minister de asielaanvraag van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft hij de aanvraag niet inhoudelijk beoordeeld. Hij heeft dus ook niet getoetst of er een refoulementrisico bestaat voor Venezuela, het land van herkomst. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het terugkeerbesluit van 6 december 2022 ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het woord ‘vrijwillig’ in artikel 3, derde lid, derde streepje, van de Terugkeerrichtlijn zo gelezen moet worden dat verwacht wordt dat de onderdaan van het derde land binnen de gestelde termijn uit zichzelf het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie verlaat. Deze bepaling gaat daarom niet over de vraag of de betreffende persoon terug wil keren naar het derde land, aldus de rechtbank.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2660
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Verwijzingsuitspraak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202303560/1/V3
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202303560/1/V3

202305219/1/R2

Bij besluit van 14 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een boomkwekerijloods op het perceel [locatie 1] in Haaren. [appellant] heeft op 17 mei 2021 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een boomkwekerijloods voor de eenmanszaak "[naam]" op het perceel [locatie 1] in Haaren. [appellant] wil de loods gebruiken als opslag- en verwerkingsruimte voor het oppotten van planten. [appellant] exploiteert ook de onderneming [bedrijf], gevestigd op [locatie 2] in Haaren. Het toepasselijke bestemmingsplan, "Buitengebied Haaren, herziening 2020", bepaalt dat uitsluitend bouwwerken ten behoeve van reële agrarische bedrijven worden gebouwd. Een reëel agrarisch bedrijf is, volgens de in het plan opgenomen definitie, een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van ten minste één halve volledige arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2755
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202305219/1/R2

202306714/1/R1 en 202306824/1/R1

Bij besluit van 22 april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Amsterdam Open Air B.V. een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het evenement "Amsterdam Open Air festival 2022" in het Gaasperpark op 4 en 5 juni 2022. Amsterdam Open Air is een evenement dat jaarlijks plaatsvond in het Gaasperpark in Amsterdam. Het evenement is in strijd met het geldende bestemmingsplan "Gaasperdam". Om dit evenement mogelijk te maken heeft het college een omgevingsvergunning verleend. Het gaat om een tijdelijke omgevingsvergunning voor de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Stichting Natuurbescherming ZO heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Het college heeft haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij geen belanghebbende is. Stichting Natuurbescherming ZO heeft namelijk volgens het college onvoldoende feitelijke werkzaamheden uitgevoerd ter verwezenlijking van haar statutaire doelstellingen. [appellant sub 2] heeft ook bezwaar gemaakt. Zij woont aan de [locatie] in Amsterdam, in de nabijheid van het Gaasperpark. [appellant sub 2] is het om meerdere redenen niet eens met de vergunning. Het college heeft haar bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2754
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202306714/1/R1 en 202306824/1/R1

202307387/1/R2

Bij besluit van 21 september 2023 heeft de raad van de gemeente Bergeijk het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2]" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van de gronden van de veehouderij aan de [locatie 1] in Westerhoven. Daarvoor wordt (een deel van) de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing aan de [locatie 1] en de [locatie 2] gesaneerd en worden in de plaats dertien woningen gebouwd aan de [locatie 1]. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen wonen direct aan de westzijde aan het plangebied. Zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast. [appellante sub 3] en anderen exploiteren een agrarisch bedrijf aan de zuidoostzijde van het plangebied. Zij vrezen dat hun bedrijfsvoering wordt beperkt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2772
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202307387/1/R2

202400296/1/A3

Bij besluit van 6 april 2021 hebben gedeputeerde staten van Groningen een voorlopig voorkeursrecht gevestigd op verschillende percelen in de Oostpolder. Bij besluit van 30 juni 2021 hebben provinciale staten dit voorlopig voorkeursrecht bestendigd. De provincie Groningen en de gemeente Het Hogeland willen de Eemshaven uitbreiden door een bedrijven- en industrieterrein te ontwikkelen in de Oostpolder, gelegen ten zuiden van de Eemshaven. In de Omgevingsvisie provincie Groningen 2019-2020 is vastgelegd dat de Eemshaven zal worden ontwikkeld als topgebied voor (duurzame) energie, chemische industrie en datacenters. De provincie wil de regionale economie versterken en de industrie vergroenen. Met het oog op deze ontwikkelingen hebben provinciale staten het voorkeursrecht op verschillende gronden in de Oostpolder gevestigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat provinciale staten bevoegd waren het voorkeursrecht te vestigen. Het was niet nodig voor provinciale staten om op perceelniveau aan te geven welke bestemming zou worden toegekend. Van belang is dat de toekomstige bestemming van de aangewezen gronden als geheel afwijkt van het huidige gebruik.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2761
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Wet voorkeursrecht gemeenten
  • uitspraakin de zaak202400296/1/A3

202400859/1/A3

Bij besluit van 4 december 2020 heeft de burgemeester van Heerlen RTTG een vergunning verleend voor de exploitatie van een speelautomatenhal in het pand van de Beitel 90 te Heerlen voor de duur van tien jaar met als ingangsdatum 1 januari 2021. Met het besluit van 30 april 2021 is de burgemeester bij zijn eerdere besluit gebleven. RTTG is het niet eens met 1 januari 2021 als ingangsdatum van de exploitatievergunning en heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de ‘Aankondiging aanvraagtijdvak exploitatievergunningen speelautomatenhallen’ van 10 februari 2020 (Aankondiging) volgt dat de uiterste ingangsdatum van de exploitatievergunning bij RTTG bekend was, dat er voor de exploitatie van de speelautomatenhal nog andere vergunningen nodig waren en dat de burgemeester, gelet op de transparantie die hij moet bieden bij verdeling van schaarse vergunningen, van deze datum niet kon afwijken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2738
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202400859/1/A3

202401128/1/A3

Bij besluit van 29 maart 2018 heeft de burgemeester van Heusden aan Dorpscafé De Steeg B.V. een vergunning verleend voor het exploiteren van horecabedrijf ‘Dorpscafé De Steeg’ aan de Meester Prinsenstraat 38 in Haarsteeg. De burgemeester heeft aan Dorpscafé De Steeg B.V. een vergunning verleend voor de exploitatie van De Steeg aan de Meester Prinsenstraat 38 in Haarsteeg. In het pand is naast dorpscafé De Steeg ook dorpshuis De Haarstek gevestigd. Het pand wordt onder meer gebruikt voor (verenigings)activiteiten, evenementen, feesten en bruiloften. Het pand ligt tegenover en op 12 meter afstand van de woning van [appellant]. De burgemeester heeft op 9 januari 2024 naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling opnieuw het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard en een exploitatievergunning aan De Steeg verleend. Anders dan voorheen mogen in de inrichting van De Steeg nu maximaal 250 bezoekers tegelijk aanwezig zijn ter bescherming van de woon- en leefsituatie. Daarnaast mag er geen samenloop van functies zijn. Het café kan dus niet open zijn als er (besloten) feesten of partijen plaatsvinden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2756
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Drank en horeca
  • uitspraakin de zaak202401128/1/A3

202401546/1/R3

Bij besluit van 10 augustus 2022 heeft het college van burgermeester en wethouders van Noordenveld geweigerd handhavend op te treden tegen de opslag van grasbalen op het perceel achter Westeinde [locatie 1 en 2] in Leutingewolde. In het verleden oefende [appellant] op perceel [locatie 1-2] een agrarisch bedrijf uit. [appellant], zijn broer, verrichtte op het perceel ondergeschikte loonwerkzaamheden. [appellant] heeft in 2022 het agrarisch bedrijf van zijn broer overgenomen. [partij] heeft een deel van de gronden van [appellant] gekocht. Deze gronden liggen aan de noordwestelijke zijde van de gronden die in eigendom zijn van [appellant].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2617
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202401546/1/R3

202402103/1/R1

Bij besluit van 8 februari 2024 heeft de raad van de gemeente Tholen het bestemmingsplan "Molenweg, Kerk, Zorg en Welzijn te Oud-Vossemeer" vastgesteld. Het plangebied ligt aan weerszijden van de Molenweg in Oud-Vossemeer en maakt meerdere ontwikkelingen mogelijk. Het gaat volgens de planomschrijving om de realisatie van een kerkgebouw en een woon-zorgcomplex met 24 zorgwoningen en 10 seniorenwoningen. De woningen dienen gestapeld te worden uitgevoerd. Daarnaast maakt het plan overnachtingsmogelijkheden en ondergeschikte horeca bij een duik- en zwemschool mogelijk. [appellant] en anderen wonen onder meer aan de Molenweg in de nabijheid van het plangebied en kunnen zich niet met het bestemmingsplan verenigen. Zij vrezen met name geluidhinder, verkeershinder en parkeeroverlast als gevolg van de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2766
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • RO - Zeeland
  • uitspraakin de zaak202402103/1/R1

202402132/1/R4

Bij besluit van 27 februari 2024 heeft de raad van de gemeente Amersfoort het bestemmingsplan "Utrechtseweg 2-4" vastgesteld. Bij besluit van 11 maart 2024 heeft het college van de gemeente Amersfoort aan Foortzicht B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woongebouw met 100 woningen, een parkeervoorziening en commerciële functies op de begane grond, aan de Utrechtseweg 2-4 in Amersfoort. De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning maken de bouw van het gebouw SAM aan de Utrechtseweg 2-4 in Amersfoort mogelijk. Dit gebouw zal bestaan uit 16 bovengrondse bouwlagen met een maximale bouwhoogte van 50 m. In het gebouw zijn 100 appartementen, een parkeervoorziening (48 parkeerplaatsen) en commerciële functies in de plint voorzien. De locatie ligt op de hoek van de Utrechtseweg en de Stadsring, aan de rand van de binnenstad van Amersfoort. De gronden aan de zijde van het plangebied die aan de Stadsring liggen, liggen braak. De rest van de gronden in het plangebied zijn verhard en zijn in gebruik als parkeerterrein. [appellant sub 1] is eigenaar van twee percelen aan de [locatie]. Deze percelen liggen vlakbij het plangebied. Oudheidkundige Vereniging Flehite en anderen komen onder meer op voor de bescherming van de karakteristieke binnenstad van Amersfoort.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2729
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Bouwen
  • RO - Utrecht
  • uitspraakin de zaak202402132/1/R4

202402245/1/R4

Bij besluit van 29 januari 2024 heeft de raad van de gemeente Wageningen het bestemmingsplan "Buitengebied, eerste herziening" vastgesteld. Het plan actualiseert het bestaande bestemmingsplan. Het wil toekomstige gewenste ontwikkelingen mogelijk maken. [appellante] is het niet eens met dit besluit. Zij exploiteert een pluktuin in de Wageningse Eng, onderdeel van het plangebied. Zij vreest dat het plan haar gebruik van de pluktuin zal beperken. [appellante] teelt in de "Pluktuin" bloemen en fruit. Zij organiseert daar ook regelmatig workshops. De opbrengsten daarvan vormen inmiddels een belangrijk deel - volgens [appellante] ongeveer een derde - van haar bedrijfsinkomsten. [appellante]’ belangrijkste bezwaar tegen het herstelbesluit is dat het gewijzigde plan haar mogelijkheden om workshops te geven teveel beperkt, met grote financiële gevolgen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2752
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202402245/1/R4

202402542/1/A3

Bij besluit van 26 oktober 2022 heeft de burgemeester de openbare inrichting aan de [locatie] te Utrecht, gesloten voor de duur van zes weken. Bij besluit van 29 november 2022 heeft de burgemeester de aan [appellant] verleende exploitatievergunning en drank- en horecavergunning voor het horecabedrijf ingetrokken. [appellant] was eigenaar van het horecabedrijf in Utrecht, een Chinees Indisch restaurant. De burgemeester en de politie hebben meldingen ontvangen dat illegaal werd gegokt in het horecabedrijf. Daarnaast zou sprake zijn geweest van een incident waarbij is gedreigd met een vuurwapen. De vuurwapendreiging is voor de politie aanleiding geweest om op 23 oktober 2022 met een arrestatieteam het horecabedrijf te betreden. Daarbij was ook een toezichthouder van de gemeente aanwezig. Op basis van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester besloten om het horecabedrijf te sluiten voor de duur van zes weken op grond van artikel 24 van de Verordening horeca gemeente Utrecht. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat door de constateringen die in het horecabedrijf zijn gedaan, sprake is van een ernstig gevaar voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat rondom het horecabedrijf.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2765
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Drank en horeca
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202402542/1/A3

202402778/1/A3

Bij besluit van 2 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd. [appellant sub 1] exploiteert een melkveehouderij. Hij is eigenaar van weggedeelten 8, 9, 10 en 11 van de Stadsweg in Losser. Een toezichthouder van het college heeft geconstateerd dat delen van de Stadsweg niet begaanbaar zijn voor het openbaar verkeer, onder andere door het dicht begroeid zijn met bosschages, het inzaaien met gras en het verwijderen van paal en draad. [appellant sub 1] moet de onttrekkingen van de bedoelde wegen aan het openbaar verkeer ongedaan maken en deze weggedeelten terugbrengen in de oorspronkelijke staat. Bij besluit van 11 februari 2022 heeft het college het besluit van 2 juli 2021 gehandhaafd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om handhavend op te treden, maar dat het niet in redelijkheid tot deze belangenafweging heeft kunnen komen. De rechtbank heeft het besluit van 11 februari 2022 daarom vernietigd wegens strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2730
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • Wegenwet
  • uitspraakin de zaak202402778/1/A3

202402782/1/A3

Bij besluit van 2 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd. [appellant sub 1] exploiteert een melkveehouderij. Hij is eigenaar van drie delen van de Grote Lutterveldweg en twee delen van de Stadsweg. Een toezichthouder van het college heeft geconstateerd dat delen van de Stadsweg niet begaanbaar zijn voor het openbaar verkeer, onder andere door het dicht begroeid zijn met bosschages, het inzaaien met gras en het verwijderen van paal en draad. Bij besluit van 2 juli 2021 heeft het college aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:10, eerste lid, en artikel 2:11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Losser. [appellant sub 1] moet de onttrekkingen van de bedoelde wegen aan het openbaar verkeer ongedaan maken en deze weggedeelten terugbrengen in de oorspronkelijke staat. Bij besluit van 11 februari 2022 heeft het college het besluit van 2 juli 2021 gehandhaafd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2731
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202402782/1/A3

202402787/1/A3

Bij besluit van 8 november 2022 hebben de burgemeester en het college van de gemeente Tilburg aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd voor het laten verrichten van illegale prostitutie in de woning van [wederpartij]. [wederpartij] is eigenaar van een woning aan de [locatie] in Tilburg (de woning). Hij heeft de woning voor de periode van 16 tot en met 21 oktober 2022 verhuurd via Airbnb aan [huurder]. Op 19 oktober 2022 heeft een toezichthouder van de gemeente Tilburg een controle uitgevoerd bij de woning, nadat hij via een online advertentie in contact kwam met een vrouw die seksuele handelingen tegen betaling aanbood. De vrouw vertelde de toezichthouder dat hij naar de woning moest komen. Daar aangekomen trof de toezichthouder drie sekswerkers en verschillende attributen aan, waaronder condooms, glijmiddel en SM-spullen. De burgemeester en het college hebben vervolgens aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd voor het zonder vergunning laten verrichten van prostitutieactiviteiten in de woning in strijd met artikel 97, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Tilburg en overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wegens het laten gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2733
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202402787/1/A3

202402796/1/A3

Bij besluit van 2 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd. [appellant sub 1] exploiteert een melkveehouderij. Hij is eigenaar van twee delen van de Stadsweg. Een toezichthouder van het college heeft geconstateerd dat delen van de Stadsweg niet begaanbaar zijn voor het openbaar verkeer, onder andere door het dicht begroeid zijn met bosschages, het inzaaien met gras en het verwijderen van paal en draad. Bij besluit van 2 juli 2021 heeft het college aan [appellant sub 1] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:10, eerste lid, en artikel 2:11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Losser. [appellant sub 1] moet de onttrekkingen van de bedoelde wegen aan het openbaar verkeer ongedaan maken en deze weggedeelten terugbrengen in de oorspronkelijke staat. Bij besluit van 11 februari 2022 heeft het college het besluit van 2 juli 2021 gehandhaafd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om handhavend op te treden, maar dat het niet in redelijkheid tot deze belangenafweging heeft kunnen komen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2732
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202402796/1/A3

202402869/1/A3

Bij besluit van 9 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam het inzageverzoek over de toegang tot Suwinet op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) ingewilligd. [appellant] heeft op 25 mei 2021 een e-mail verstuurd naar het college waarin hij schrijft dat de gemeente Rotterdam op een zevental data toegang heeft gekregen tot Suwinet. [appellant] heeft op 25 mei 2021 bij het college ook verzocht om alle informatie over de belhistorie die de gemeente Rotterdam over hem bijhoudt. Deze gegevens wenst hij op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG elektronisch te verkrijgen. Bij besluit van 9 maart 2022 heeft het college hiervan aan [appellant] verstrekt. Bij besluit van 23 februari 2023 heeft het college het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard, omdat is gebleken dat het verstrekte overzicht niet compleet was door de overstap naar een nieuw systeem. Het college heeft daarom nog een overzicht van verwerkingen van de belhistorie aan [appellant] verstrekt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2771
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • uitspraakin de zaak202402869/1/A3

202403399/1/R2

Bij besluit van 22 april 2024 heeft de raad van de gemeente Geldrop-Mierlo het bestemmingsplan "Bezorgershof Geldrop" vastgesteld. Het Bezorgershof ligt in het historisch centrum van Geldrop. Rondom het Bezorgershof bevinden zich centrum- en winkelvoorzieningen. Het bestemmingsplan voorziet met name in de herontwikkeling van de binnenruimte van het Bezorgershof, die nu grotendeels een (openbare) parkeerplaats is, naar een woongebied met een parkachtige inrichting en parkeergelegenheid waarin maximaal 110 woningen kunnen worden gebouwd met toepassing van in de planregels opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2745
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202403399/1/R2

202404289/1/A3

Bij besluit van 13 april 2022 heeft de burgemeester van Amsterdam aan Land en Vechtzicht een exploitatievergunning verleend voor een horecabedrijf met een terras aan de Eerste Sweelinckstraat. De burgemeester heeft een terras aan de Albert Cuypstraat geweigerd. Bij besluit van 19 juni 2023 heeft de burgemeester zich onbevoegd verklaard om op het door Land en vechtzicht tegen de weigering gemaakte bezwaar te beslissen, het bezwaarschrift doorgezonden naar het college en het college verzocht om een besluit te nemen op de aanvraag om een terras aan de Albert Cuypstraat. Land en Vechtzicht en [appellant A] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in dit geval bevoegd is om een besluit te nemen op de aanvraag om een terras te exploiteren op de Albert Cuypstraat. Volgens hen geldt het verbod, op grond van de APV, om zonder vergunning van de burgemeester een terras te exploiteren ook op de Albert Cuypstraat, ook als de Marktverordening van toepassing is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2740
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Drank en horeca
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202404289/1/A3

202404628/1/R2

Bij besluit van 4 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze het wijzigingsplan "Maasstraat ong (nabij […]), Heesch" vastgesteld. Met het wijzigingsplan beoogt het college de bouw van drie seniorenwoningen in één bouwvolume, een twee-onder-één-kapwoning en een vrijstaande woning op twee percelen rond een bestaande woning aan [locatie] in Heesch mogelijk te maken. De wijzigingsbevoegdheid die het college voor het wijzigingsplan heeft toegepast, staat in artikel 28.4 van de planregels van het bestemmingsplan "De kommen van Bernheze", dat geldt voor de locaties waar het wijzigingsplan over gaat. Appellanten wonen in de Maasstraat en vrezen voor aantasting van het karakter van de straat.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2759
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202404628/1/R2

202404801/1/A3

Bij besluit van 12 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen geluidshinder veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi aan de Valreep in Groningen, afgewezen. [appellant] woont in de buurt van een voetbalkooi op de Valreep in Groningen. [appellant] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen geluidshinder van de voetbalkooi. Bij besluit van 12 mei 2022 heeft het college dat verzoek afgewezen omdat geen sprake was van geluidshinder als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Groningen 2021 (APVG 2021). Daartegen heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 december 2022 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. Het college heeft de besluitvorming gebaseerd op metingen die zijn vastgelegd in het rapport ‘Geluidmetingen [locatie] Groningen’ (het rapport).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2727
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202404801/1/A3

202405401/1/R3

Bij besluit van 26 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Westland het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan plattelandswoningen Westland" gewijzigd vastgesteld. Deze zaak gaat over het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan plattelandswoningen Westland". Het bestemmingsplan gaat over het glastuinbouwgebied van de gemeente Westland. De raad heeft dit bestemmingsplan vastgesteld om het college de bevoegdheid te geven om een woning binnen een afstand van 10 m van de bestemming "Agrarisch-Glastuinbouw" in het plangebied als zogenoemde plattelandswoning te kunnen aanduiden, zodat die woning als zodanig mag worden bewoond. Daarbij moet vaststaan dat aan verschillende voorwaarden is voldaan. Die voorwaarden zijn opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2742
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202405401/1/R3

202405776/1/R3

Bij besluit van 19 augustus 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een sleufsilo op het perceel achter [locatie 1] in Leutingewolde. In het verleden oefende [persoon] op perceel [locatie 1]-[locatie 2] een agrarisch bedrijf uit. [appellant], zijn broer, verrichtte op het perceel ondergeschikte loonwerkzaamheden. [appellant] heeft in 2022 het agrarisch bedrijf van zijn broer overgenomen. [partij] heeft een deel van de gronden van [persoon] gekocht. Deze gronden liggen aan de noordwestelijke zijde van de gronden die in eigendom zijn van [appellant]. Op de hiervoor genoemde gronden van [appellant] en [partij] rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Noordenveld" (bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf". Op een groot deel van de gronden rust de aanduiding "bouwvlak". Het gaat hier om één bouwvlak, dat in feite gesplitst is; zowel [appellant] als [partij] zijn eigenaar van een deel ervan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2753
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202405776/1/R3

202406281/1/A2

Bij besluit van 13 maart 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat een aanvraag van [appellant] om hernieuwde afgifte van zijn certificaat als Flight Examiner (FE) afgewezen. [appellant] was in het bezit van een certificaat voor examinator FE, geldig tot 31 juli 2022. Op 5 oktober 2021 heeft hij een aanvraag gedaan voor verlenging (revalidation) van het certificaat. Daartoe heeft op 6 oktober 2022 een zogenoemd ‘Assessment of Competence’ (AoC) plaatsgevonden. [appellant] heeft onder andere het onderdeel theorie niet gehaald en is daarom gezakt voor het AoC. Op 8 oktober 2022 heeft [appellant] opnieuw een aanvraag gedaan voor hernieuwde afgifte (renewal) van het certificaat, onder verwijzing naar het eerder gezakt zijn voor het AoC. Op dat moment was de geldigheidsduur van zijn certificaat reeds verlopen. Op 14 december 2022 heeft [appellant] opnieuw een AoC afgelegd. Ook voor dat AoC is hij gezakt. De minister heeft daarop het besluit van 13 maart 2023 genomen. Uit het besluit blijkt dat de minister aan dat besluit de aanvraag van [appellant] van 8 oktober 2022 ten grondslag heeft gelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2751
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Luchtvaart
  • uitspraakin de zaak202406281/1/A2

202406324/1/A3

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 16 augustus 2024 van de rechtbank Midden-­Nederland. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit op bezwaar van de burgemeester van Amersfoort van 20 februari 2024 ongegrond verklaard. In dat besluit heeft de burgemeester de oplegging en invordering van een last onder dwangsom voor het handelen in strijd met de voorschriften van de terrasvergunning, in stand gelaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3004
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202406324/1/A3

202406651/1/R1

Bij besluit van 11 mei 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Amsterdam Open Air B.V. een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het evenement "Amsterdam Open Air festival 2023" in het Gaasperpark op 3 en 4 juni 2023. Amsterdam Open Air is een evenement dat jaarlijks plaatsvond in het Gaasperpark in Amsterdam. Het evenement is in strijd met het geldende bestemmingsplan "Gaasperdam". Om dit evenement mogelijk te maken, heeft het college een omgevingsvergunning verleend. Het gaat om een tijdelijke omgevingsvergunning voor de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. De omgevingsvergunning is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2747
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202406651/1/R1

202407529/1/A3

Bij besluit van 2 maart 2022 heeft de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding (CEA) het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gedeeltelijk toegewezen. [appellant] heeft op 16 januari 2022 bij de CEA op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van documenten over de aanwijzingsbesluiten van alle door de CEA aangewezen Registeraccount (RA)-opleidingen en over verschillende toezichtsinstrumenten. Op 23 februari 2022 heeft [appellant] ook verzocht om openbaarmaking van de door de CEA in het kader van de behandeling van het verzoek ontvangen zienswijzen. Bij besluit van 2 maart 2022 heeft de CEA de verzochte documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt. Bij besluit van 10 maart 2022 heeft de CEA de door [appellant] verzochte zienswijzen verstrekt. Bij besluit van 21 april 2022 heeft de CEA het bezwaar van [appellant] deels gegrond verklaard, aanvullende documenten verstrekt en voor het overige het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2768
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202407529/1/A3

202500540/1/A3

Bij besluit van 8 september 2022 heeft het college van Almere een aan FEBO Almere verleende terrasvergunning en vergunning alcoholvrij bedrijf ingetrokken. De bestuurder van FEBO Almere, [gemachtigde], heeft voor een andere onderneming aanvragen ingediend voor een terrasvergunning en een vergunning voor een alcoholvrij bedrijf. Bij die procedure heeft de burgemeester de Wet Bibob toegepast en geweigerd de vergunningen te verlenen. De burgemeester heeft aanleiding gezien om in deze procedure de Wet Bibob toe te passen en heeft FEBO Almere daarom gevraagd een Bibob-vragenformulier in te vullen. Aan dat verzoek heeft FEBO Almere geen gehoor gegeven. De burgemeester heeft vervolgens de vergunningen van FEBO Almere ingetrokken. Omdat zij het Bibob-vragenformulier niet heeft ingevuld, bestaat volgens de burgemeester een ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Daarnaast is de burgemeester van mening dat feiten en omstandigheden erop wijzen dat FEBO Almere in relatie staat tot strafbare feiten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2749
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Drank en horeca
  • Wet Bibob
  • uitspraakin de zaak202500540/1/A3

202500679/1/A3

Bij besluit van 1 november 2023 heeft de burgemeester van Enschede aan [appellant] een gebiedsverbod opgelegd voor de duur van drie maanden. De burgemeester heeft aan [appellant] een gebiedsverbod opgelegd voor een gebied in het centrum van Glanerbrug, voor de duur van drie maanden. De burgemeester heeft daaraan een bestuurlijke rapportage van de politie van 13 juli 2023 ten grondslag gelegd. In de bestuurlijke rapportage staat dat Glanerbrug als grensdorp al jaren kampt met drugsoverlast. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat [appellant] veel dealgedrag vertoont. Hij wordt dagelijks gezien wanneer hij contact legt met afnemers, meestal verslaafden uit Duitsland. De politie heeft meerdere overdrachten gezien tussen [appellant] en afnemers. Ook is [appellant] meerdere keren staande gehouden en aangehouden geweest en zijn er zaken bij hem aangetroffen die wijzen op de handel in harddrugs (harddrugs, meerdere telefoons, coupures geld). [appellant] vertoont ook dealgedrag vanuit een woning aan de [locatie] en het treinstation in Glanerbrug.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2758
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202500679/1/A3

202501066/1/A3

Bij besluit van 3 november 2022 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek om openbaarmaking gedeeltelijk toegewezen. [appellant] heeft op 27 maart 2022 bij het ministerie van Financiën een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ingediend. Omdat een deel van dit verzoek gaat over informatie die bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) berust, is dit verzoek voor dat gedeelte doorgestuurd naar de minister. Bij besluit van 3 november 2022 heeft de minister op het verzoek beslist en daarbij geweigerd de personeelsdossiers, voor zover deze berusten onder het ministerie van BZK, en de persoonsgegevens van de Algemene Bestuursdienst (ABD)-managers openbaar te maken. Verder heeft de minister verwezen naar het al openbare Jaarverslag van de Algemene Bestuursdienst over 2021 en de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2021. Bij besluit van 13 juli 2023 heeft de minister het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2770
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202501066/1/A3

202501184/1/A2

Bij brief van 30 juni 2023 heeft de stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid aan [appellante] onder meer medegedeeld dat het maatregelen jegens haar heeft genomen. [appellante] was van 19 december 2013 tot 16 december 2021 bewindvoerder van [naam dochter], haar dochter, en in die hoedanigheid de contactpersoon voor de stichting ten aanzien van het persoonsgebonden budget dat haar dochter op grond van de Wet langdurige zorg ontving. De stichting heeft onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van het over de periode van 1 januari 2018 tot 1 mei 2021 verstrekte persoonsgebonden budget. In de brief van 30 juni 2023 heeft de stichting mededeling gedaan van haar bevindingen. In de brief is de conclusie getrokken dat [appellante] zich schuldig heeft gemaakt aan fraude. Verder is in de brief mededeling gedaan van twee maatregelen - het opnemen van haar (persoons)gegevens in zowel het incidentenregister van de stichting als het Extern Verwijzingsregister - die jegens [appellante] zijn genomen. Aan het besluit van 18 juli 2023 heeft de stichting ten grondslag gelegd dat de brief van 30 juni 2023 geen besluit is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2724
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • Gezondheidszorg
  • uitspraakin de zaak202501184/1/A2

202501436/1/A2

Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen op verzoek van [appellante] een betalingsregeling vastgesteld voor aflossing van teruggevorderde kinderopvangtoeslag over 2020 en 2022. [appellante] heeft over 2020 € 37.836,00 aan voorschotten kinderopvangtoeslag ontvangen, gebaseerd op een geschat jaarinkomen van € 24.256,00. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens tussen 27 februari 2023 en 16 maart 2023 met haar gesproken over hoe de situatie van haar echtgenoot in 2020 was. Uit dat gesprek heeft de Dienst Toeslagen geconcludeerd dat de echtgenoot in 2020 niet voldeed aan het woonplaatsvereiste en niet werkte. Hierdoor had [appellante] geen recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2020. Daarom heeft de Dienst Toeslagen de toeslag op nihil vastgesteld en het voorgeschoten bedrag, vermeerderd met rente, teruggevorderd. [appellante] heeft op 24 mei 2023 een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling ingediend voor de op dat moment openstaande terugvordering van kinderopvangtoeslag.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2743
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202501436/1/A2

202501473/1/R1

Bij besluit van 11 februari 2025 heeft de raad van de gemeente Schagen het bestemmingsplan "Jonkerhof, Waarland" gewijzigd vastgesteld. Het plan voorziet onder andere in de nieuwbouw van maximaal 24 woningen in de vorm van een hof op het perceel ten noorden van [locatie] in Waarland. Uit de plantoelichting volgt dat met het plan is beoogd 24 woningen ten behoeve van senioren te realiseren, waarvan 8 sociale huurwoningen, 8 middeldure koopwoningen of betaalbare huurwoningen en 8 vrije sector woningen. Aan de westzijde van het plangebied is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend met de aanduidingen "ijsbaan" (gedeeltelijk) en "milieuzone - spuitzone".

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2744
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202501473/1/R1

202501951/1/A3

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 13 februari 2025 van de rechtbank Den Haag. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar van 19 februari 2024 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft de burgemeester de oplegging van een last onder dwangsom op grond van artikel 2:74 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Den Haag in stand gelaten. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2971
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202501951/1/A3

202502302/1/A2

Bij besluit van 2 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] woont, samen met zijn vrouw en minderjarige zoon, in een woning op de tweede verdieping, die uitsluitend bereikbaar is via trappen. In het gebouw is geen lift aanwezig. Vanwege verscheidene fysieke beperkingen (aandoening aan het gehoor- en evenwichtsorgaan, kortademigheid, duizeligheid en ouderdomsklachten) heeft [appellant] moeite met traplopen, waardoor hij weinig buitenshuis komt. Daarom heeft hij op 30 oktober 2023 een aanvraag om een urgentieverklaring ingediend. [appellant] wil graag een woning die zonder trappen, of met een lift, bereikbaar is. Naar aanleiding van de aanvraag van [appellant] heeft het college advies gevraagd aan Calder Werkt. Volgens het advies van Calder Werkt van 11 december 2023 is de woonsituatie ernstig, maar niet levensbedreigend of levensontwrichtend. Weliswaar heeft [appellant] conditionele beperkingen, maar deze zijn niet zodanig ernstig, dat hij niet in staat is enige malen per dag een trap op of af te lopen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2746
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202502302/1/A2

202503084/1/A2

Bij besluit van 21 augustus 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen [appellant] een onderzoek naar zijn rijvaardigheid opgelegd. Volgens een mutatierapport van 8 juli 2024 is [appellant] op 4 juli 2024 op de Nieuwe Gouwe O.Z. in Gouda door rood gereden. Daarbij is hij bijna in aanrijding gekomen met verkeer dat van links kwam, waarna hij vervolgens op zijn rijstrook de weg heeft vervolgd. Nadat de politie een stopteken had gegeven, is [appellant] op de weg stil blijven staan. De politie heeft op 8 juli 2024, met verwijzing naar het mutatierapport, aan het CBR een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Naar aanleiding daarvan heeft het CBR aan [appellant] een onderzoek naar zijn rijvaardigheid opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2741
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202503084/1/A2

202503305/1/A3

Bij besluit van 11 oktober 2022 heeft de burgemeester van Barneveld een machtiging verleend aan een toezichthouder van de Omgevingsdienst de Vallei om zonder de toestemming van [appellant] binnen te treden in haar woning. [appellant] huurt een woning aan de [locatie] in Barneveld van Woningstichting Barneveld. Op 8 september 2022 heeft [appellant] het politiebureau bezocht, omdat zij aangifte wilde doen tegen een medewerker van de woningstichting. Tijdens dit bezoek had [appellant] een tas met buizen en leidingen bij zich. Zij heeft toen uitgelegd dat ze deze buizen en leidingen uit haar woning heeft gehaald, omdat deze volgens haar overlast veroorzaakten. De politie heeft van deze buizen en leidingen een foto gemaakt en zorgen geuit over de gevaarlijke situatie die daardoor kan ontstaan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2739
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202503305/1/A3

202503833/1/V6

Bij besluit van 9 november 2023 heeft de minister [appellant] een boete opgelegd van € 40.000,00 wegens acht overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (de Wav) en besloten tot openbaarmaking van de inspectiegegevens. [appellant] is een payrollbedrijf en verleent payrolldiensten aan onder meer [bedrijf]. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen heeft aan [appellant] voor een aantal buitenlandse studenten tewerkstellingsvergunningen verleend voor het verrichten van arbeid als student voor maximaal zestien uur per week. In het op ambtseed opgemaakte boeterapport van 22 juni 2023 staat dat op 28 september 2021 arbeidsinspecteurs van de Inspectie SZW een melding hebben ontvangen van de IND dat een buitenlandse student mogelijk meer dan de maximaal toegestane werkduur heeft gewerkt. Op 18 januari 2022 hebben de arbeidsinspecteurs een onderzoek ingesteld naar deze student en negentien andere buitenlandse studenten over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021. Van acht studenten hebben de arbeidsinspecteurs vastgesteld dat zij de maximale werkduur van zestien uur per week gedurende één of meer weken hebben overschreden. Deze studenten worden hierna vermeld als betrokkenen 1 tot en met 8, in de volgorde zoals ze in het besluit van 5 april 2024 en de uitspraak van de rechtbank staan. [appellant] is de formele werkgever van deze betrokkenen, terwijl [bedrijf] deze betrokkenen inleent en tewerkstelt als maaltijdbezorgers.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2767
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202503833/1/V6

202503834/1/A3

Openbare zitting gehouden op 13 mei 2026 om 11:00 uur.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2963
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202503834/1/A3

202503878/1/A2

Op 21 februari 2024 heeft een ambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn telefonisch medegedeeld dat [appellant] niet zal worden opgenomen in de taakstelling voor de huisvesting van vergunninghouders van die gemeente en hem geen passende woning zal worden aangeboden. [appellant] heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers heeft [appellant] bij het college aangemeld voor huisvesting.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2736
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202503878/1/A2

202503917/1/A2

Bij besluit van 15 mei 2024 heeft ProRail B.V., namens de minister van Infrastructuur en Waterstaat, het verzoek van Moonflower om nadeelcompensatie afgewezen. Moonflower stelt in haar verzoek van 5 februari 2024 dat zij haar winkel in de Westtunnel heeft moeten sluiten vanwege de aanvang van "PHS-werkzaamheden". Doordat de Westtunnel aan de centrumzijde met houten schotten werd afgesloten, hield de passantenstroom op. Verder heeft NS Stations op 30 januari 2024 laten weten dat Moonflower de winkel in de Middentunnel en het magazijn in de periode van 15 juli 2024 tot april 2025 moest ontruimen wegens uit te voeren renovatiewerkzaamheden aan het IJ-viaduct. Moonflower stelt hierdoor € 1.500.000,00 aan schade te hebben geleden. Omdat zij al een tegemoetkoming heeft ontvangen op grond van de vaststellingsovereenkomst, heeft zij nog recht op een bedrag van € 1.000.000,00 aan nadeelcompensatie. Moonflower baseert haar verzoek om nadeelcompensatie primair op de Nadeelcompensatieregeling van het Tracébesluit Programma Hoogfrequent Spoorvervoer Amsterdam Centraal van 14 januari 2021 en subsidiair op het leerstuk van de onrechtmatige daad.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2726
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503917/1/A2

202503954/1/A2

Bij besluit van 25 juli 2024 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen de aanvraag van [appellant] om vergoeding van bijkomende kosten afgewezen. Op 29 juni 2024 heeft [appellant] een aanvraag ingediend bij het Instituut voor een vaste vergoeding van € 10.000,00. Daarnaast heeft hij eveneens op 29 juni 2024 bij het Instituut een vergoeding van totaal € 9.896,00 aan bijkomende kosten in verband met de afhandeling van de schade aan zijn woning aangevraagd. Daarbij gaat het om kosten voor het thuisblijven tijdens de herstelwerkzaamheden en voor het huren van een alternatieve overnachtingsplek. [appellant] heeft op 16 juli 2024 de vaststellingsovereenkomst ondertekend. Het Instituut heeft daarna op 16 juli 2024 besloten de vaste eenmalige vergoeding van € 10.000,00 toe te kennen. Zowel in het besluit als in de vaststellingsovereenkomst is vermeld dat de vergoeding van € 10.000,00 een eenmalige en finale vergoeding is voor alle schade, bijkomende kosten, materiële gevolgschade en overlast.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2757
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503954/1/A2

202504407/1/R4

Bij besluit van 17 april 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden heeft het college zijn beslissing om op 4 april 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 6 sub c van de Afvalstoffenverordening Vijfheerenlanden 2023 in combinatie met het daarbij horende Uitvoeringsbesluit aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 206,50 voor rekening van [appellante] komen. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van twee kartonnen dozen, die op 4 april 2025 zijn aangetroffen op de openbare weg ter hoogte van de Kerkstraat […] in Vianen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de twee kartonnen dozen verkeerd heeft aangeboden, omdat haar adresgegevens op ieder van de twee dozen staan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2750
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202504407/1/R4

202504484/2/A3

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2025 in zaak nr. 24/7099. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over het gedeeltelijk ingewilligde verzoek van [appellante] om openbaarmaking van stukken over - kort samengevat - het evenement Pride Leiden op 2 september 2023. [appellante] betwist dat de zienswijze uitsluitend bestaat uit informatie die is geweigerd. Door de zienswijze niet met haar te delen wordt zij in haar procespositie geschaad.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2719
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202504484/2/A3

202504515/1/A2

Bij besluit van 3 januari 2024 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een privaatrechtelijke geldschuld van [appellant] deels overgenomen en zijn aanvraag om overname van geldschulden voor het overige afgewezen. De ex-partner van [appellant] is als gedupeerde van de toeslagenaffaire aangemerkt. In zijn hoedanigheid van ex-partner heeft [appellant] in het kader van overname van private schulden op grond van artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) op 15 november 2023 een schuldenlijst ingediend, waaronder een openstaande privaatrechtelijke schuld bij Herder Verhuur van € 86.205,14.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2734
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202504515/1/A2

202504758/1/A2

Bij uitspraak van 9 juli 2025 in zaak nr. 202305690/1/A2 (ECLI:NL:RVS:2025:3137) heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juli 2023 in zaak nr. 22/3166 ongegrond verklaard. [verzoekster] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. [verzoekster] is het niet eens met de uitspraak van de Afdeling waarvan zij om herziening vraagt. Zij vindt dat de Afdeling een onjuiste uitspraak heeft gedaan die voortbouwt op onjuist handelen door de raad. [verzoekster] voert daartoe onder meer aan dat de Afdeling in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met de wet heeft gehandeld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2762
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Herziening
  • Rechtsbijstand
  • uitspraakin de zaak202504758/1/A2

202505259/1/A3

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 7 augustus 2025 van de rechtbank Midden­-Nederland. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar van 19 november 2024 ongegrond verklaard. In dat besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilversum de afwijzing van het verzoek van [appellant] om een bewonersparkeervergunning in stand gelaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2964
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202505259/1/A3

202505404/1/A2

De minister heeft op 3 augustus 2022, gehandhaafd bij besluit van 7 augustus 2023, vastgesteld dat de woning van [verzoekster] voldoet aan de veiligheidsnorm en niet versterkt hoeft te worden. Naar aanleiding van het daartegen door [verzoekster] ingestelde beroep heeft de Afdeling bij tussenuitspraak van 2 oktober 2024 de minister opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van de overwegingen ervan, de gebreken in het besluit van 7 augustus 2023 te herstellen. [verzoekster] heeft verzocht om herziening van de tussenuitspraak van 2 oktober 2024. Daarbij wijst [verzoekster] erop dat zij pas op 23 september 2025 ermee bekend is geworden dat de Tijdelijke commissie versterking (TCV) genoemd in artikel 8, gelezen in samenhang met artikel 15, van het Besluit versterking gebouwen Groningen (BvgG), niet is ingesteld om over versterkingszaken te beslissen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2763
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Herziening
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202505404/1/A2

202505613/3/A3

Bij uitspraak van 23 februari 2026, in zaak nr. 202505613/2/A3, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep van [oppossant] tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag in zaken nrs. 25/5469, 25/2187, 24/8125 en 25/2817 (lees: 25/5469, 25/2187, 24/8125 en 24/8125 V) en tegen een brief van de rechtbank van 20 oktober 2025 kennis te nemen. De Afdeling kan zich alleen zonder zitting onbevoegd verklaren om van een hoger beroep kennis te nemen als dat ‘kennelijk’ het geval is (artikel 8:54 van de Awb). Die term ‘kennelijk’ betekent dat er geen twijfel mogelijk is dat de Afdeling niet mag beslissen op het hoger beroep, omdat zij niet de bevoegde rechter is. Als tegen zo’n ‘kennelijk’-uitspraak verzet wordt ingesteld, moet de rechter die op dat verzet beslist beoordelen: (a) of de Afdeling terecht heeft geoordeeld dat zij niet de bevoegde rechter is, en (b) of daar geen twijfel over mogelijk is. Daarbij neemt de rechter alle argumenten van de indiener mee die te maken hebben met die onbevoegdverklaring. Dat kunnen ook nieuwe feiten of nieuwe argumenten zijn die daar over gaan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2975
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Verzet
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202505613/3/A3

202505669/1/A2

Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard een bushalte ingesteld op de Binnenbaan ter hoogte van de kruising met de Ghijseland en bepaald dat deze maatregel ingaat vanaf het moment dat de bebording en markering zijn aangebracht. [appellanten] wonen in de woning aan de [locatie]. De woning ligt in de buurt van de Binnenbaan. [appellanten] hebben kennisgenomen van de publicatie van het verkeersbesluit nadat zij een melding kregen via Overheid.nl over de plaatsing van bushaltes op de Binnenbaan ter hoogte van de kruising van de Ghijseland. De bushalte is aanvankelijk, op 6 januari 2025, ter hoogte van de woning aan de Binnenbaan met huisnummer 13 aangelegd (de vorige locatie). Nadat de bushalte op 16 januari 2025 werd verplaatst naar de huidige locatie, hebben [appellanten] onderzoek naar het verkeersbesluit gedaan en, bij brief van 18 januari 2025, alsnog daartegen bezwaar gemaakt. [appellanten] hebben desgevraagd in een brief van 2 februari 2025 als reden voor het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift gegeven dat de inhoud van het verkeersbesluit onvoldoende duidelijk en concreet is. Verder hebben zij in die brief gewezen op persoonlijke omstandigheden, zoals een verhuizing, drukke banen en een druk gezinsleven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2725
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202505669/1/A2

202505735/1/A2

Bij beslissing van 10 juni 2025 heeft de examencommissie van het Aventus Lyceum (examencommissie) de uitslag van het eindexamen van [appellant] vastgesteld. [appellant] heeft administratief beroep ingesteld tegen de beslissing van 10 juni 2025. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen de weigering een beslissing op het door hem ingestelde administratief beroep te nemen. [appellant] volgde in het schooljaar 2024-2025 een havo-opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) aan het Aventus Lyceum. [appellant] heeft geen beoordeling gekregen voor het schoolexamen van het vak Kunst, omdat hij voor vier onderdelen van het schoolexamen geen cijfer heeft behaald. Zonder beoordeling van het schoolexamen mocht hij niet deelnemen aan het centraal eindexamen voor het vak Kunst. Hierdoor heeft hij geen examenresultaat gekregen voor dat vak en is hij gezakt voor het eindexamen havo. Zonder havo-diploma kan hij de door hem gewenste vervolgopleiding tot docent biologie niet afronden. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen een brief van het Aventus Lyceum van 24 september 2025. Volgens [appellant] behelst die brief een weigering om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Hij is het niet eens met deze weigering.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2764
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202505735/1/A2

202600091/1/R4

Bij besluit van 25 september 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen zijn beslissing om op 22 september 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10 lid 1 sub b Afvalstoffenverordening Groningen en artikel 11 onder 1 en 5 van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 212,10 voor rekening van [appellant] komen. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 22 september 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van het Hyadenpad in Groningen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat er op de doos een adreslabel staat met daarop zijn adresgegevens.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2748
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202600091/1/R4

202600213/1/A2

Bij beslissing van 20 juni 2025 heeft de examencommissie van de Academie Business en Communicatie van de HAN University of Applied Sciences (examencommissie) de tweede toetskans voor het tentamen Portfolio H-MAR van [appellant] beoordeeld met een 5. [appellant] was student aan de opleiding Commerciële Economie van de Academie Business en Communicatie van de HAN University of Applied Sciences. De examencommissie heeft het tentamen Portfolio H-MAR van [appellant] in de eerste kans beoordeeld met een 4. Dit tentamen is het afstudeerwerk van de opleiding Commerciële Economie, waarbij studenten een portfolio moeten indienen dat bestaat uit bewijsstukken waarmee zij aantonen dat zij de vereiste eindkwalificaties beheersen. Na de onvoldoende beoordeling van de eerste kans heeft een beoordelingsgesprek met de examinatoren plaatsgevonden, waarin [appellant] een toelichting kon vragen op deze beoordeling. Voor de tweede toetskans heeft [appellant] een aangepaste versie van het portfolio ingediend. Dit is door de examencommissie beoordeeld met een 5.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2735
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600213/1/A2

BRS.25.000567

Bij besluit van 2 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie bepaald dat betrokkene wordt overgedragen aan Duitsland. De minister was in eerste instantie voornemens om betrokkene over te dragen aan Duitsland nadat betrokkene in Nederland een asielverzoek had ingediend. De Duitse autoriteiten hadden het terugnameverzoek van de minister op 24 augustus 2023 afgewezen. Die autoriteiten gaven daarbij aan de minister te kennen dat Polen toen nog verantwoordelijk was voor de behandeling van het asielverzoek tot 21 september 2024, omdat de overdrachtstermijn dan zou verstrijken. De minister heeft naar aanleiding van deze reactie van de Duitse autoriteiten op 25 augustus 2023 bij de Poolse autoriteiten een terugnameverzoek ingediend. De Poolse autoriteiten hebben dat verzoek op 31 augustus 2023 geaccepteerd. De Poolse autoriteiten stelden daarbij voor dat de minister voor een eventuele overdracht aan Polen contact zou opnemen met de Duitse autoriteiten om te controleren of de verantwoordelijkheid niet inmiddels naar Duitsland was verschoven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2668
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.000567

BRS.25.000720

Bij besluit van 26 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie bepaald dat appellant wordt overgedragen aan Duitsland. De minister heeft op 8 augustus 2024 een terugnameverzoek ingediend bij de Roemeense autoriteiten. Die autoriteiten hebben dat verzoek op 14 augustus 2024 geweigerd, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van het asielverzoek. Naar aanleiding daarvan heeft de minister op 19 augustus 2024 een terugnameverzoek ingediend bij de Duitse autoriteiten, maar die autoriteiten weigerden dat verzoek op 21 augustus 2024, omdat Roemenië volgens de Duitse autoriteiten verantwoordelijk zou zijn. De overdrachtstermijn tussen Roemenië en Duitsland zou volgens de Duitse autoriteiten namelijk eindigen op 30 november 2024. Naar aanleiding van die weigering heeft de minister op 21 augustus 2024 aan de Roemeense autoriteiten verzocht om de eerdere weigering van 14 augustus 2024 te heroverwegen. De Roemeense autoriteiten hebben dat gedaan en het terugnameverzoek geaccepteerd op 27 augustus 2024. De minister stelt zich op het standpunt dat de termijn om een terugnameverzoek bij de Duitse autoriteiten in te dienen is aangevangen op 13 februari 2025, het moment dat de Roemeense autoriteiten aan de minister te kennen hebben gegeven dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van appellant op Duitsland is overgegaan. Appellant stelt zich op het standpunt dat de termijn is aangevangen op 1 december 2024, te weten het moment dat Duitsland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het asielverzoek van appellant.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2679
Datum uitspraak
13 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.000720

202504485/1/V1

Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister van Asiel en Migratie krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te vergoeden. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan verzoekers is tegemoetgekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2699
Datum uitspraak
12 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202504485/1/V1

202600408/2/R1

Bij besluit van 15 december 2025 heeft de raad van de gemeente Heiloo het bestemmingsplan "Reconstructie Vennewatersweg" vastgesteld. Met het bestemmingsplan wordt de herinrichting van een deel van de Vennewatersweg in Heiloo mogelijk gemaakt. Het plangebied betreft het weggedeelte tussen en inclusief de kruisingen met de Kennemerstraatweg en Lijnbaan. Ten opzichte van de vorige bestemmingsplannen heeft meer grond rondom de bestaande Vennewatersweg de bestemming "Verkeer" gekregen, zodat daar nu ook weginfrastructuur kan worden aangelegd. Volgens de raad is die ruimte nodig om de voorziene herinrichting mogelijk te maken. De raad heeft toegelicht dat de aannemer op 18 mei 2026 zal beginnen met de eerste werkzaamheden. De kruising met de Kennemerstraatweg is reeds enige tijd geleden aangepast. [verzoeker sub 1] woont aan de [locatie] in Heiloo in de nabijheid van de te herstructureren kruising met de Vennewatersweg. Hij heeft beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan omdat hij vreest voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. De stichting komt op voor het belang bij het verbeteren en behouden van de natuur, het landschap en de cultuurhistorische waarden in Heiloo en omgeving en heeft beroep ingesteld omdat zij vreest voor significante gevolgen door de uitvoering van het bestemmingsplan op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2696
Datum uitspraak
12 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202600408/2/R1

BRS.25.000963

Betrokkenen hebben beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2665
Datum uitspraak
12 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.000963

BRS.25.002256

Bij besluit van 8 januari 2024, aangevuld bij besluit van 28 maart 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2662
Datum uitspraak
12 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002256

BRS.26.001059

Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2673
Datum uitspraak
12 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001059

BRS.26.001979

Bij besluit van 8 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2647
Datum uitspraak
12 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001979

BRS.26.001983

Bij besluit van 2 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2657
Datum uitspraak
12 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001983

202404184/2/A3

[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2024 in zaak nrs. 22/3247 en 22/3371. [appellanten] hebben allebei aan de korpschef gevraagd om inzage in al hun persoonsgegevens en die van hun zoon. De korpschef heeft die verzoeken voor een deel ingewilligd. Hij heeft aan [appellanten] overzichten gegeven van registraties en informatie over de verwerkingen gegeven. [appellanten] vinden dat zij meer moeten kunnen krijgen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2698
Datum uitspraak
12 mei 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202404184/2/A3

202503545/2/R3

[appellant] heeft op 12 januari 2022 het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen gevraagd om handhavend op te treden tegen de opslag van mest en ander organisch materiaal op een stuk grond aan de Hegeveldweg/Werthepaalweg in de gemeente Haaksbergen. [appellant] had een agrarisch bedrijf aan de [locatie] in Haaksbergen en woonde daar ook. Het college heeft [appellant] opgedragen om mest en voerresten van dat perceel te verwijderen. [appellant] is inmiddels verhuisd naar Enschede.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:3216
Datum uitspraak
12 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202503545/2/R3

202503307/1/R2 en 202503307/2/R2

Bij besluit van 8 augustus 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders Nuenen, Gerwen en Nederwetten de omgevingsvergunning van [verzoekers] voor de herbouw van een bedrijfswoning aan de [locatie] in Nuenen, ingetrokken. Deze zaak gaat over het besluit van het college om een bouwvergunning voor de herbouw van een bedrijfswoning aan de [locatie] in Nuenen in te trekken op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo. De vergunning voor de bouw van die bedrijfswoning is verleend op 11 februari 2003. In 2005 is begonnen met de bouw, maar de bedrijfswoning is nog steeds niet afgebouwd. Het college en [verzoekers] hebben veel contact gehad over de voortgang van de bouw van de woning, maar dat heeft er niet toe geleid dat de bouw is afgerond. Het college heeft, nadat het daarmee al eerder had gewaarschuwd, de vergunning ingetrokken. Inmiddels heeft het college ook een last onder dwangsom opgelegd waaruit volgt dat [verzoekers] de onvoltooide bedrijfswoning moeten afbreken. Het besluit van het college om deze last onder dwangsom op te leggen, ligt hier niet voor. Deze procedure gaat alleen over het besluit van het college om de omgevingsvergunning voor de bouw in te trekken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2671
Datum uitspraak
11 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202503307/1/R2 en 202503307/2/R2

202600238/1/R1 en 202600238/2/R1

Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venlo aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning aan de [locatie] in Venlo (het perceel). Het perceel heeft in het bestemmingsplan "’t Ven" van 6 oktober 2009 de bestemming "Wonen" zonder bouwvlak. Aan weerszijden van het perceel is bestaande woonbebouwing aanwezig. Aan de westzijde woont initiatiefnemer [partij]. Hij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning op het perceel en voor het aanleggen van een inrit aan de [locatie] te Venlo. Om de bouw van de woning mogelijk te maken heeft het college toepassing gegeven aan de bevoegdheid ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het besluit is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2672
Datum uitspraak
11 mei 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202600238/1/R1 en 202600238/2/R1

BRS.25.002106

Bij besluit van 31 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2544
Datum uitspraak
11 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002106

BRS.26.000741 en BRS.26.000744

Bij besluit van 27 augustus 2024, aangevuld op 22 april 2025, heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2652
Datum uitspraak
11 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000741 en BRS.26.000744

BRS.26.000908

Bij besluit van 2 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2639
Datum uitspraak
11 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000908

BRS.26.001330

Bij besluit van 3 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2640
Datum uitspraak
11 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001330

BRS.26.001345 en BRS.26.001356

Bij besluit van 8 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2562
Datum uitspraak
11 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001345 en BRS.26.001356

BRS.26.001441

Bij besluit van 2 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2630
Datum uitspraak
11 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001441

BRS.26.001442

Bij besluit van 2 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een inreisverbod tegen appellant uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2629
Datum uitspraak
11 mei 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001442

BRS.26.001555

Bij besluit van 22 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2635
Datum uitspraak
11 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001555

BRS.26.001591

Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De staatssecretaris heeft appellant ook opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 5 maart 2024 te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2688
Datum uitspraak
11 mei 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001591
vorige pagina1...789...1.252volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon