Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.001330

Uitspraak BRS.26.001330

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2640
Datum uitspraak
11 mei 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.001330
ECLI:NL:RVS:2026:2640

Datum uitspraak: 11 mei 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 19 maart 2026 in zaak nr. NL26.11967 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Jankie, advocaat in Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Inleiding

1.        De minister heeft appellant op 3 maart 2026 in bewaring gesteld krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank heeft overwogen dat de minister tijdens de strafrechtelijke detentie van betrokkene voorafgaand aan de bewaring in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende inspanningsverplichting door geen uitzettingshandelingen te verrichten. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een gebrek, maar dat dit gebrek niet maakt dat de bewaring onrechtmatig is, omdat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de bewaring zijn gediend.

Hoger beroep

2.        Appellant klaagt in zijn eerste grief ten onrechte dat de rechtbank gehouden is de minister te veroordelen in de proceskosten, ook in het geval dat die belangenafweging niet in zijn voordeel uitvalt. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2243, onder 2.1, waaruit volgt dat geen aanleiding voor proceskostenvergoeding bestaat als de minister de inspanningsverplichting gedurende de voorafgaande strafrechtelijke detentie heeft geschonden, maar het beroep desondanks ongegrond wordt verklaard. Gelet hierop bestond in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De Afdeling heeft die uitspraak recent bevestigd in haar uitspraak van 9 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2039. De door appellant aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2131, is daarmee niet in lijn en wordt niet gevolgd. De grief slaagt niet.

3.        Wat appellant verder heeft aangevoerd, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).

4.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van

mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. De Poorter
voorzitter

w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026

47-1204


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon