Uitspraak BRS.25.000246 en BRS.25.000250
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2025:2039
- Datum uitspraak
- 9 mei 2025
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.25.000246 en BRS.25.000250
ECLI:NL:RVS:2025:2039
Datum uitspraak: 9 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 27 februari 2025 in zaak nr. NL25.7433 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 15 februari 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 27 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak hebben de minister en betrokkene, laatstgenoemde vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. De minister heeft betrokkene op 15 februari 2025 in bewaring gesteld krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De rechtbank heeft overwogen dat de minister tijdens de strafrechtelijke detentie van betrokkene in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende inspanningsverplichting door geen uitzettingshandelingen te verrichten. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een gebrek, maar dat dit gebrek niet maakt dat de bewaring onrechtmatig is, omdat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de bewaring zijn gediend. De rechtbank heeft de minister veroordeeld in de proceskosten.
Het hoger beroep van de minister
2. De minister klaagt in de grief terecht dat de rechtbank haar ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 3 juli 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:2243), onder 2.1, waaruit volgt dat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding bestaat als de minister de inspanningsverplichting gedurende de voorafgaande strafrechtelijke detentie heeft geschonden, maar het beroep desondanks ongegrond wordt verklaard. Gelet hierop bestond in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De grief slaagt.
Het hoger beroep van betrokkene
3. Het hoger beroep van betrokkene leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie
4. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep van betrokkene is ongegrond en het hoger beroep van de minister is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de minister heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van betrokkene ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 27 februari 2025 in zaak nr. NL25.7433, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij betrokkene opgekomen proceskosten heeft veroordeeld;
IV. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2025
846-1149