Uitspraak 202503545/2/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3216
- Datum uitspraak
- 12 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- [appellant] heeft op 12 januari 2022 het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen gevraagd om handhavend op te treden tegen de opslag van mest en ander organisch materiaal op een stuk grond aan de Hegeveldweg/Werthepaalweg in de gemeente Haaksbergen. [appellant] had een agrarisch bedrijf aan de [locatie] in Haaksbergen en woonde daar ook. Het college heeft [appellant] opgedragen om mest en voerresten van dat perceel te verwijderen. [appellant] is inmiddels verhuisd naar Enschede.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202503545/2/R3.
Datum uitspraak: 12 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 mei 2025 in zaak nr. 24/3158 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen.
Procesverloop
[appellant] heeft op 12 januari 2022 het college gevraagd om handhavend op te treden tegen de opslag van mest en ander organisch materiaal op een stuk grond aan de Hegeveldweg/Werthepaalweg in de gemeente Haaksbergen.
Op 14 februari 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] afgewezen.
Bij besluit van 13 juli 2022 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 5 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 13 juli 2022 vernietigd.
Bij besluit van 18 juli 2024 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 14 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Bel hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] had een agrarisch bedrijf aan de [locatie] in Haaksbergen en woonde daar ook. Het college heeft [appellant] opgedragen om mest en voerresten van dat perceel te verwijderen. [appellant] is inmiddels verhuisd naar Enschede.
2. Het college heeft het verzoek om handhaving van [appellant] dat gaat over het perceel Hegeveldweg/Werthepaalweg afgewezen en zijn bezwaar daartegen in het besluit van 18 juli 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] geen belanghebbende is. Het handhavingsverzoek van [appellant] is daarom geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Awb, zodat daarop geen besluit kan worden genomen. Het college heeft daarvoor als motivering gegeven dat de afstand van de woning aan de Broekhernerweg tot aan het perceel Hegeveldweg/Werthepaalweg, waarover het handhavingsverzoek gaat, ongeveer 2 km is. De afstand van de percelen die [appellant] verder in gebruik had, zijn 400 m tot 1,6 km. Het college vindt dat deze afstanden te groot zijn om aan te nemen dat [appellant] een persoonlijk belang heeft bij zijn handhavingsverzoek. De percelen grenzen ook niet aan de locatie waarover het handhavingsverzoek gaat en niet is volgens het college gesteld of gebleken dat [appellant] hinder ondervindt van de opslag op het perceel Hegeveldweg/Werthepaalweg.
De uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen belanghebbende is bij zijn verzoek om handhaving. De rechtbank heeft daarvoor overwogen dat [appellant] op grote afstand van de mestopslag aan de Hegeveldweg/Werthepaalweg in Haaksbergen woont en dat niet is gebleken dat hij van de mestopslag stankoverlast of hinder had. Aan het beroep op het gelijkheidsbeginsel dat door [appellant] is gedaan, is de rechtbank inhoudelijk niet toegekomen, omdat [appellant] geen belanghebbende is. De rechtbank heeft daarbij ook overwogen dat het voor een beroep op het gelijkheidsbeginsel in de procedure over de last onder dwangsom die het college aan [appellant] heeft opgelegd, niet nodig is dat een college een besluit neemt op het verzoek om handhaving.
Het betoog van [appellant]
4. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Hij vindt dat het college wel een besluit moet nemen op zijn verzoek om handhaving, ook al ondervindt hij geen overlast van de mestopslag aan de Hegeveldweg/Werthepaalweg. Hij brengt daarbij naar voren dat hij een uitspraak wil op zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat het college hem wel een last onder dwangsom heeft opgelegd vanwege de opslag van vaste mest en voerrestanten op een onverharde ondergrond op het perceel aan de Broekhernerweg in Haaksbergen. Hij vindt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft toegelicht waarom het niet nodig is dat het college een besluit neemt om een beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen in de procedure over de last onder dwangsom die aan hem is opgelegd. Hij wijst er ook op dat meerdere procedures lopen van hem tegen het college, waarin het gelijkheidsbeginsel aan de orde is.
Toetsingskader
5. Voor de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college geen besluit op het handhavingsverzoek hoefde te nemen, is relevant of [appellant] belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. In dat geval is het handhavingsverzoek te beschouwen als aanvraag waarop het college een besluit moet nemen.
In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb staat dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit waarop het verzoek om handhaving betrekking heeft, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
Het oordeel van de Afdeling
6. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het standpunt van het college dat [appellant] geen belanghebbende is bij zijn handhavingsverzoek over de opslag van mest en ander organisch materiaal aan de Hegeveldweg/Werthepaalweg, juist is. Niet in geschil is dat [appellant] geen feitelijke gevolgen ondervindt van deze activiteiten. Omdat [appellant] geen belanghebbende is, heeft het college het handhavingsverzoek van [appellant] terecht niet heeft opgevat als aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Awb. Het college heeft daarom terecht geen inhoudelijk besluit genomen op het handhavingsverzoek, zoals de rechtbank heeft overwogen. Omdat het college terecht geen inhoudelijk besluit heeft genomen op het handhavingsverzoek, wordt niet toegekomen aan wat [appellant] inhoudelijk heeft aangevoerd over zijn handhavingsverzoek. De rechtbank heeft daarover dan ook terecht geen inhoudelijk oordeel gegeven. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat eventueel handhavend optreden tegen de opslag van mest en ander organisch materiaal aan de Hegeveldweg/Werthepaalweg los staat van de procedures die [appellant] had of nog heeft lopen tegen het college. Een mogelijk beroep op het gelijkheidsbeginsel in die procedures levert hem geen rechtstreeks belang op.
Het voorgaande betekent dat de Afdeling het eens is met het oordeel van de rechtbank.
7. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Duursma
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026
378
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).
- Verzet moet schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak worden gedaan.
- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met wat er in deze uitspraak staat.
- Als de indiener over het verzet door de Afdeling wil worden gehoord, moet dit in het verzetschrift worden gevraagd. De zitting gaat dan alleen over de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak waartegen uw verzet is gericht.