Uitspraak 202503834/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2963
- Datum uitspraak
- 13 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Openbare zitting gehouden op 13 mei 2026 om 11:00 uur.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Verordeningen
Toon inhoud
202503834/1/A3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Rotterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2025 in zaak nr. 24/10386 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Openbare zitting gehouden op 13 mei 2026 om 11:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, voorzitter
griffier: mr. Y. Soffner
jurist: mr. R.F.I. de Lange
Verschenen:
Het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman.
====================================
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 13 juni 2025 van de rechtbank Rotterdam. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit op bezwaar van 6 november 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Bij dat besluit heeft het college erop gewezen dat aan [appellante] bij afzonderlijk besluit van 12 februari 2024 een parkeervergunning voor parkeren op straat is verstrekt en voorts overwogen dat in het primaire besluit de afwijzing van het verzoek van [appellante] om een bewonersparkeervergunning om de reden dat zij beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein terecht was.
De Afdeling
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden:
De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8 en 9 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat [appellante] geen belang heeft bij de behandeling van haar beroep, omdat zij inmiddels bij besluit van 12 februari 2024 een parkeervergunning heeft gekregen voor haar auto, waar het haar om te doen was. De rechtbank heeft daarbij terecht geoordeeld dat daarom de vraag of het college al dan niet terecht heeft aangenomen dat zij een parkeerplaats op eigen terrein heeft, niet tot een resultaat kan leiden met enige feitelijke betekenis. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, staat het [appellante] vrij om - voor zover zij in de toekomst een tweede bewonersparkeervergunning nodig zou hebben - daarvoor een nieuwe aanvraag in te dienen die, zoals ook door het college ter zitting opnieuw is bevestigd, op zijn eigen merites zal moeten worden beoordeeld, waarbij ook de vraag of zij over een parkeerplaats op eigen terrein beschikt indien nodig aan de orde kan komen.
Het hoger beroep is ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soffner
griffier
818-1114