Uitspraak 202505259/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2964
- Datum uitspraak
- 13 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 7 augustus 2025 van de rechtbank Midden-Nederland. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar van 19 november 2024 ongegrond verklaard. In dat besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilversum de afwijzing van het verzoek van [appellant] om een bewonersparkeervergunning in stand gelaten.
- Hoger beroep
- Mondelinge uitspraak
- Verordeningen
Toon inhoud
202505259/1/A3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Hilversum,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 7 augustus 2025 in zaak nr. 24/8200 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hilversum.
Openbare zitting gehouden op 13 mei 2026 om 12:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, voorzitter
griffier: mr. Y. Soffner
jurist: mr. R.F.I. de Lange
Verschenen:
Het college, vertegenwoordigd door [gemachtigde].
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 7 augustus 2025 van de rechtbank Midden-Nederland. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar van 19 november 2024 ongegrond verklaard. In dat besluit heeft het college de afwijzing van het verzoek van [appellant] om een bewonersparkeervergunning in stand gelaten.
De Afdeling
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden:
De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4 en 5 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat het college de bewonersparkeervergunning mocht weigeren, omdat [appellant] kan parkeren op eigen terrein. [appellant] heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat zijn eigen oprit te smal is om uit te stappen met zijn rolstoel, en daardoor niet geschikt zou zijn als parkeerplaats op eigen terrein. [appellant] kan bovendien iets verder van de woning op zijn oprit parkeren, waar de oprit breder is. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat het college op de zitting nog heeft toegelicht dat de gemeente Hilversum inmiddels deelneemt aan de ParkerenPlus app. Dat houdt in dat vanaf maart 2026 bewoners met een gehandicaptenparkeerkaart hun kenteken kunnen inschrijven in de app, en daarmee in de hele gemeente gratis kunnen parkeren. Het college heeft medegedeeld dat het [appellant] voor deelname in aanmerking heeft gebracht.
Het hoger beroep is ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Soffner
griffier
818-1114