Uitspraak BRS.26.002238 en BRS.26.002239
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2681
- Datum uitspraak
- 13 mei 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Bewaring
Toon inhoud
BRS.26.002238 en BRS.26.002239
ECLI:NL:RVS:2026:2681
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 mei 2026 in zaak nr. NL26.22097 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 4 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de maatregel van bewaring voldoet aan het arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2014, Mahdi, ECLI:EU:C:2024:1320, omdat de minister in de maatregel van bewaring zowel de wettelijke grondslag als de feitelijke gronden heeft aangekruist en toegelicht. De rechtbank heeft hierbij terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1528, onder 7.2. Over het feit dat de minister in de maatregel van bewaring is vergeten om "2000" op te nemen achter de wettelijke grondslag "artikel 59b, eerste lid, Vw", heeft de rechtbank terecht overwogen dat evident is dat de minister hiermee artikel 59b van de Vw 2000 bedoelt. Deze omissie kan worden aangenomen als een kennelijke verschrijving. Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij door deze kennelijke verschrijving in zijn belangen is geschaad.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vragen over het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte, zoals bedoeld in artikel 47 van het EU Handvest, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De voorzieningenrechter ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Van Vulpen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
1073