Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202505613/3/A3

Uitspraak 202505613/3/A3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2975
Datum uitspraak
13 mei 2026
Inhoudsindicatie
Bij uitspraak van 23 februari 2026, in zaak nr. 202505613/2/A3, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep van [oppossant] tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag in zaken nrs. 25/5469, 25/2187, 24/8125 en 25/2817 (lees: 25/5469, 25/2187, 24/8125 en 24/8125 V) en tegen een brief van de rechtbank van 20 oktober 2025 kennis te nemen. De Afdeling kan zich alleen zonder zitting onbevoegd verklaren om van een hoger beroep kennis te nemen als dat ‘kennelijk’ het geval is (artikel 8:54 van de Awb). Die term ‘kennelijk’ betekent dat er geen twijfel mogelijk is dat de Afdeling niet mag beslissen op het hoger beroep, omdat zij niet de bevoegde rechter is. Als tegen zo’n ‘kennelijk’-uitspraak verzet wordt ingesteld, moet de rechter die op dat verzet beslist beoordelen: (a) of de Afdeling terecht heeft geoordeeld dat zij niet de bevoegde rechter is, en (b) of daar geen twijfel over mogelijk is. Daarbij neemt de rechter alle argumenten van de indiener mee die te maken hebben met die onbevoegdverklaring. Dat kunnen ook nieuwe feiten of nieuwe argumenten zijn die daar over gaan.
  • Verzet
  • Hoger Beroep - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202505613/3/A3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van:

[oppossant] en anderen (hierna en in enkelvoud: [oppossant]), allen wonend in [woonplaats],

opposanten,

tegen de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2026 in zaak nr. 202505613/2/A3.

Procesverloop

Bij uitspraak van 23 februari 2026, in zaak nr. 202505613/2/A3, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling zich onbevoegd verklaard om van het hoger beroep van [oppossant] tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag in zaken nrs. 25/5469, 25/2187, 24/8125 en 25/2817 (lees: 25/5469, 25/2187, 24/8125 en 24/8125 V) en tegen een brief van de rechtbank van 20 oktober 2025 kennis te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft [oppossant] verzet gedaan.

Overwegingen

1.       De Afdeling kan zich alleen zonder zitting onbevoegd verklaren om van een hoger beroep kennis te nemen als dat ‘kennelijk’ het geval is (artikel 8:54 van de Awb). Die term ‘kennelijk’ betekent dat er geen twijfel mogelijk is dat de Afdeling niet mag beslissen op het hoger beroep, omdat zij niet de bevoegde rechter is. Als tegen zo’n ‘kennelijk’-uitspraak verzet wordt ingesteld, moet de rechter die op dat verzet beslist beoordelen: (a) of de Afdeling terecht heeft geoordeeld dat zij niet de bevoegde rechter is, en (b) of daar geen twijfel over mogelijk is. Daarbij neemt de rechter alle argumenten van de indiener mee die te maken hebben met die onbevoegdverklaring. Dat kunnen ook nieuwe feiten of nieuwe argumenten zijn die daar over gaan.

2.       In de uitspraak waartegen [oppossant] in verzet is gegaan, heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep van [oppossant]. De Afdeling overwoog daartoe als volgt.

De uitspraken van 14 maart 2025, in zaak nr. 24/8125, en van 13 juni 2025 in zaak nr. 25/2187 zijn uitspraken van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Hiertegen kan op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb, geen hoger beroep worden ingesteld. Ingevolge artikel 8:55, eerste lid, van de Awb kunnen een belanghebbende en een bestuursorgaan tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, verzet doen bij de bestuursrechter, welke in dit geval de rechtbank is. Tegen de uitspraak van 13 juni 2025 is geen verzet gedaan. Voor zover er niet tijdig verzet is ingesteld, kan dit verzuim volgens de uitspraak van de Afdeling waartegen het voorliggende verzet zich richt, niet worden hersteld door het indienen van een hoger beroep.

De uitspraak van 5 september 2025, in zaak nr. 24/8125 V, is een uitspraak van de verzetsrechter als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Hiertegen kan op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen hoger beroep worden ingesteld.

De uitspraak van 20 oktober 2025, in zaak nr. 25/5469, is een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb. Hiertegen kan ingevolge artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb, geen hoger beroep worden ingesteld.

De brief van de rechtbank van 20 oktober 2025 kwalificeert volgens de uitspraak van de Afdeling waartegen het voorliggende verzet zich richt, niet als een besluit waartegen ingevolge 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, beroep open staat.

3.       In verzet betoogt [oppossant] dat er niet begrijpelijk is gemotiveerd waarom de brief van 20 oktober 2025, gevolgd door de brief van 21 november 2025, geen uitspraak zou zijn zoals bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, van de Awb. In de brief van 21 november 2025 heeft de rechtbank medegedeeld dat er tegen de uitspraken in zaken nrs. 25/5469 en 24/8125 geen rechtsmiddelen (meer) open staan. Hij stelt dat het gaat om een materiële beslissing met rechtsgevolg en dat daarom de kwalificatie ‘géén uitspraak’ niet ‘kennelijk’ is zoals in artikel 8:54 van de Awb bedoeld is. [oppossant] betoogt ook dat er hem een rechtsmiddel wordt ontnomen doordat de brief van de rechtbank door de Afdeling niet wordt gekwalificeerd als een zelfstandige procesbeslissing. Verder voert [oppossant] aan dat op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb een beroep pas eindigt wanneer er hetzij aan het beroep of bezwaar tegemoet is gekomen hetzij er een nieuw besluit is genomen door het bestuursorgaan dat ingaat op het bezwaar.

4.       In verzet onderzoekt de Afdeling of zij terecht heeft geoordeeld dat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep en of daar geen twijfel over mogelijk is.

5.       In de brief van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank medegedeeld dat er in de verzetsprocedure met zaak nr. 24/8125 is beslist en dat daarmee de procedure is afgesloten. Zoals de Afdeling met juistheid heeft overwogen in haar uitspraak van 23 februari 2026, waarvan verzet, kwalificeert een dergelijke mededeling van de rechtbank niet als een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat daartegen geen beroep als bedoeld in artikel 8:1 van de Awb kan worden ingesteld. Dit is alleen al niet het geval omdat de rechtbank op grond van artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, voor zover hier van belang, geen bestuursorgaan is als bedoeld in de Awb. Daarnaast is de brief geen uitspraak als bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, van de Awb waartegen hoger beroep kan worden ingesteld. De Afdeling heeft dan ook terecht geoordeeld dat zij onbevoegd is om van het (hoger) beroep tegen de brief kennis te nemen. Dat tegen een dergelijke brief niet bij de Afdeling kan worden opgekomen, vloeit voort uit een keuze van de wetgever die niet ter beoordeling van de Afdeling staat. Verder heeft de Afdeling in de uitspraak waartegen het verzet zich richt, terecht geoordeeld dat de Awb geen hoger beroep openstelt tegen de uitspraken van de rechtbank waartegen [oppossant] in hoger beroep is gekomen.

6.       In bepaalde gevallen acht de Afdeling zich ondanks de hiervoor genoemde bepalingen van de Awb bevoegd om kennis te nemen van een hoger beroep tegen uitspraken die wettelijk van hoger beroep zijn uitgesloten. Voor een dergelijke doorbreking van het appèlverbod bestaat echter alleen ruimte wanneer zich een schending van beginselen van goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen voordoet, en moet worden geoordeeld dat er geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden.

De Afdeling begrijpt dat er volgens [oppossant] bij de rechtbank geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden, omdat de rechtbank de werking van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft miskend. Gelet op die bepaling had de rechtbank de beoordeling in zaken nrs. 25/2187 en 24/8125 naar zijn mening niet mogen beperken tot de vraag of het College van procureurs-generaal respectievelijk de minister van Justitie en Veiligheid tijdig een besluit had genomen, en heeft de rechtbank dit in zaak nr. 24/8125 V miskend. De Afdeling overweegt daarover als volgt.

Artikel 6:20, derde lid, van de Awb gaat over een beroep van rechtswege dat ontstaat in het geval er door een bestuursorgaan alsnog een besluit wordt genomen tijdens een aanhangig beroep tegen het niet tijdig beslissen. Dat betekent dat als er tijdens een procedure over het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een besluit wordt genomen, dat nieuwe besluit in die procedure wordt meegenomen en daartegen door de indiener van het beroep niet tijdig beslissen niet afzonderlijk beroep hoeft te worden ingesteld. Uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb vloeit echter niet voort dat als de bestuursrechter, zoals in dit geval, een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft afgedaan voordat het betrokken bestuursorgaan een besluit heeft genomen, de bestuursrechter zich ambtshalve over dat besluit moet buigen nadat het alsnog is genomen en bekendgemaakt. Onder omstandigheden zal een belanghebbende dan afzonderlijk bezwaar moeten maken of beroep moeten instellen tegen het alsnog genomen besluit. Ook zal opnieuw beroep moeten worden ingesteld als een bestuursorgaan na een opdracht van een bestuursrechter om alsnog een besluit te nemen, wederom in gebreke blijft. Verder wordt een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb in beginsel met toepassing van artikel 8:54 van die wet buiten zitting afgedaan. De rechtbank heeft daaraan uitvoering gegeven in zaken nrs. 25/2187 en 24/8125 en zij heeft het verzet van [oppossant] tegen de uitspraak in zaak nr. 24/8125 ongegrond verklaard in zaak nr. 24/8125 V. Mede in het licht daarvan bestaat geen grond voor het oordeel dat er bij de rechtbank geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden en dat om die reden het appèlverbod moet worden doorbroken, nog daargelaten dat [oppossant] geen verzet heeft gedaan tegen de uitspraak in zaak nr. 25/2187 alvorens hoger beroep in te stellen.

Het betoog van [oppossant] slaagt niet. Het enkele feit dat de Afdeling in de uitspraak waartegen het verzet is gericht, artikel 6:20, derde lid, van de Awb niet uitdrukkelijk noemt, maakt niet dat het verzet van [oppossant] gegrond is.

7.       De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om te oordelen dat in de uitspraak van 23 februari 2026 ten onrechte is geconcludeerd dat de Afdeling onbevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep of dat daar twijfel over mogelijk is.

8.       Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat het hoger beroep niet verder inhoudelijk wordt behandeld.

9.       De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het verzet ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Sparreboom
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026

195

BIJLAGE

ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Titel 1.1. Definities en reikwijdte

Artikel 1:1

[…]

2. De volgende organen, personen en colleges worden niet als bestuursorgaan aangemerkt:

[…]

c. onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, alsmede de Raad voor de rechtspraak en het College van afgevaardigden;

[…]

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

[…]

Hoofdstuk 6. Algemene bepalingen over bezwaar en beroep

Afdeling 6.2. Overige algemene bepalingen

Artikel 6:20

[…]

3. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.

[…]

Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter

Titel 8.1. Algemene bepalingen over het beroep in eerste aanleg

Afdeling 8.1.1. Bevoegdheid

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Titel 8.2. Behandeling van het beroep in eerste aanleg

Afdeling 8.2.4. Vereenvoudigde behandeling

Artikel 8:54

1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:

a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,

b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,

c. het beroep kennelijk ongegrond is, of

d. het beroep kennelijk gegrond is.

2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.

Artikel 8:55

1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter.

[…]

7. De uitspraak strekt tot:

a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,

b. ongegrondverklaring van het verzet, of

c. gegrondverklaring van het verzet.

[…]

Afdeling 8.2.4a. Beroep bij niet tijdig handelen

Artikel 8:55b

1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, doet de bestuursrechter binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54, tenzij de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht.

[…]

Titel 8.3. Voorlopige voorziening en onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak

Artikel 8:84

1. De voorzieningenrechter doet zo spoedig mogelijk schriftelijk of mondeling uitspraak.

[…]

Titel 8.5. Hoger beroep

Artikel 8:104

1. Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen hoger beroep instellen tegen:

a. een uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, of artikel 8:67, eerste lid, van de rechtbank,

b. een uitspraak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de voorzieningenrechter van de rechtbank,

c. een uitspraak van de rechtbank op een verzoek als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid.

2. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:

a. een uitspraak van de rechter na toepassing van artikel 8:54, eerste lid,

[…]

c. een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid,

d. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid,

[…]


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon