Uitspraak 202505613/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2976
- Datum uitspraak
- 23 februari 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 14 maart 2025 in zaak nr. 24/8125 heeft de rechtbank Den Haag het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Justitie en Veiligheid op het bezwaar van 23 april 2024, gegrond verklaard. De uitspraken van 14 maart 2025 en 13 juni 2025 zijn uitspraken van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Hiertegen kan gelet op artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb, geen hoger beroep worden ingesteld. Ingevolge artikel 8:55, eerste lid, van de Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, verzet doen bij de bestuursrechter, in dit geval de rechtbank. Bij uitspraak van 5 september 2025 heeft de rechtbank beslist op het door [appellant] en anderen ingestelde verzet tegen de uitspraak van 14 maart 2025. Tegen de uitspraak van 13 juni 2025 is geen verzet ingesteld. Voor zover niet tijdig verzet is ingesteld, kan dit verzuim niet worden hersteld door het indienen van hoger beroep.
- Hoger beroep
- Persoonsgegevens
Toon inhoud
202505613/2/A3.
Datum uitspraak: 23 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen, allen wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag in zaken nrs. 25/5469, 25/2187, 24/8125 en 25/2817 in de gedingen tussen:
[appellant] en anderen
en
de minister van Justitie en Veiligheid en het College van procureurs-generaal.
Procesverloop
Bij uitspraak van 14 maart 2025 in zaak nr. 24/8125 heeft de rechtbank Den Haag het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op het bezwaar van 23 april 2024, gegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 juni 2025 in zaak nr. 25/2187 heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op het bezwaar van 5 november 2024, gegrond verklaard.
Bij uitspraak 5 september 2025 in zaak nr. 24/8125 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen ingestelde verzet tegen de uitspraak van 14 maart 2025, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 oktober 2025 in zaak nr. 25/5469 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar betreffende een gedeeltelijke toewijzing van [appellant] zijn verzoek om inzage in strafvorderlijke gegevens die over hem, zijn vrouw en zijn vrouw zijn verwerkt, afgewezen.
Bij brief van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank voorts medegedeeld dat de procedure in zaak nr. 24/8125 met de uitspraak op verzet van 5 september 2025 is geëindigd.
[appellant] en anderen hebben tegen deze uitspraken en tegen de brief hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De wettelijke bepalingen die voor deze procedure van belang zijn, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
2. De uitspraken van 14 maart 2025 en 13 juni 2025 zijn uitspraken van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Hiertegen kan gelet op artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb, geen hoger beroep worden ingesteld. Ingevolge artikel 8:55, eerste lid, van de Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, verzet doen bij de bestuursrechter, in dit geval de rechtbank.
Bij uitspraak van 5 september 2025 heeft de rechtbank beslist op het door [appellant] en anderen ingestelde verzet tegen de uitspraak van 14 maart 2025. Tegen de uitspraak van 13 juni 2025 is geen verzet ingesteld. Voor zover niet tijdig verzet is ingesteld, kan dit verzuim niet worden hersteld door het indienen van hoger beroep.
3. De uitspraak van 5 september 2025 waartegen [appellant] en anderen hoger beroep hebben ingesteld is een uitspraak van de verzetsrechter als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Hiertegen kan gelet op artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, geen hoger beroep worden ingesteld.
4. De uitspraak van 20 oktober 2025 is een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb. Hiertegen kan, gelet op artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb, geen hoger beroep worden ingesteld.
5. Voor zover [appellant] en anderen hebben bedoeld hoger beroep in te stellen tegen de brief van de rechtbank van 20 oktober 2025, overweegt de Afdeling dat de brief niet kwalificeert als een besluit, waartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, beroep open staat. Ook is de brief geen aangevallen uitspraak in de zin van artikel 8:104, eerste lid, van de Awb, waartegen hoger beroep kan worden ingesteld.
6. De omstandigheid dat [appellant] en anderen met het hoger beroep beogen alsnog een inhoudelijke beoordeling van hun inzageverzoeken te verkrijgen, maakt dit niet anders. Eerst nadat op de bezwaren is beslist, kan daartegen zo nodig beroep bij de rechtbank worden ingesteld.
7. De Afdeling is kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
8. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Ten Veen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Klingers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026
341
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de
bestuursrechter
Titel 8.2. Behandeling van het beroep in eerste aanleg
Afdeling 8.2.4 Vereenvoudigde behandeling
Artikel 8:54: "Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van
de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek
sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,
c. het beroep kennelijk ongegrond is, of
d. het beroep kennelijk gegrond is."
Artikel 8:55
1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter.
[…]
7. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,
b. ongegrondverklaring van het verzet, of
c. gegrondverklaring van het verzet.
Titel 8.3. Voorlopige voorziening en onmiddellijke uitspraak
Artikel 8:84, eerste lid: "De voorzieningenrechter doet zo spoedig mogelijk schriftelijk of mondeling uitspraak."
Titel 8.5. Hoger beroep
Artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder a: "Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:
[…]
a. een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8:54, eerste lid, […]"
Artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c: "Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:
[…] een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, […]
Artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d: "Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen:
[…]
d. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid,
[…]"