Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 124.199
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

202405862/1/A3

Bij besluit van 13 april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een ligplaatsvergunning verleend voor het woonschip van [partij] op de locatie [locatie]. Het college heeft aan [partij] een ligplaatsvergunning verleend voor het woonschip [naam] op het adres [locatie], dat hij heeft gekocht van de vorige houder van de ligplaatsvergunning voor dat woonschip op dat adres en wiens ligplaatsvergunning met afgifte van deze ligplaatsvergunning is vervallen. [appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat hij ook de wens had om een ligplaatsvergunning te krijgen op deze locatie. Het college heeft het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij volgens het college niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. [appellant] is het niet eens met de besluitvorming.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2073
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202405862/1/A3

202406707/1/R2

Bij besluit van 28 juli 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe de aanvraag van [appellante] voor een vergunning op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) afgewezen. [appellante] exploiteert een melkveehouderij aan de [locatie] in Tiendeveen. Op 18 mei 1982 is een Hinderwetvergunning voor de oprichting van de rundveehouderij verleend. Op 28 oktober 1996 is een milieuvergunning verleend voor het houden van 2 schapen, 80 stuks vrouwelijk jongvee, 26 vleesstieren en 110 melk- en kalfkoeien, met een totale emissie van 1.974,2 kg NH3 per jaar. Vervolgens is op 27 maart 2008 een milieuvergunning verleend, voor het houden van 302 melk- en kalfkoeien en 188 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, met een totale emissie van 4.556,90 kg NH3 per jaar. [appellante] heeft op 21 december 2021 de oorspronkelijke aanvraag voor een natuurvergunning aangepast en aangevuld. De aangepaste aanvraag heeft betrekking op het houden van 440 melk- en kalfkoeien en 189 stuks jongvee, met een totale emissie van 4.432,05 kg NH3 per jaar. Deze aanvraag leidt volgens [appellante] niet tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de milieuvergunning van 27 maart 2008. De referentiesituatie kan volgens [appellante] aan die milieuvergunning worden ontleend, omdat die milieuvergunning is getoetst aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. De milieuvergunning is daarom een besluit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2076
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Natuurbescherming
  • uitspraakin de zaak202406707/1/R2

202407408/1/A3

Bij besluit van 26 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk een aanvraag van [appellante] om toekenning van een briefadres in de gemeente Beverwijk buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 31 maart 2023 heeft het college de gegevens van [appellante] op laten nemen in het register van niet-ingezetenen. Vervolgens heeft [appellante] het college verzocht een briefadres toe te kennen. Het college heeft dit afgewezen omdat [appellante], ondanks een verzoek tot aanvulling van de aanvraag, geen informatie wilde verschaffen over haar woonadres en haar aanvraag om die reden incompleet was. Verder heeft [appellante] het college verzocht om hervestiging op het adres [locatie] in Beverwijk. Het college heeft dit verzoek afgewezen omdat onduidelijk is waar [appellante] verblijft en zij daar ook geen duidelijkheid over wil verschaffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2064
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202407408/1/A3

202500032/1/A3

Op 1 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almere de minderjarige dochter van [appellante] ingeschreven op het adres van de vader van de dochter. De vader van de minderjarige dochter van [appellante] heeft het college verzocht de minderjarige dochter in te schrijven op het adres van de vader. Het college is hiertoe overgegaan op 1 maart 2023. Volgens het college blijkt uit een adresonderzoek dat [appellante] niet meer op de [locatie] in Almere woont en is vertrokken naar een onbekend adres in Duitsland. De vader van de minderjarige dochter van [appellante] heeft het college verzocht de minderjarige dochter in te schrijven op het adres van de vader. Het college is hiertoe overgegaan op 1 maart 2023. Volgens het college blijkt uit een adresonderzoek dat [appellante] niet meer op de [locatie] in Almere woont en is vertrokken naar een onbekend adres in Duitsland. [appellante] heeft bezwaar gemaakt. Volgens haar is de inschrijving op het adres van de vader zonder haar toestemming gedaan, het voornemen niet met haar gedeeld en het besluit niet per brief toegezonden. Het college heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens het college geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2065
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • uitspraakin de zaak202500032/1/A3

202500536/1/A3

Bij besluiten van 30 juni 2022 en 23 maart 2023 heeft de Nationale ombudsman beslist op verzoeken van [appellant] om verstrekking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). [appellant] betoogt dat de rechtbank de Nationale ombudsman ten onrechte is gevolgd in zijn standpunt dat een bepaalde medewerker van de Nationale ombudsman onder de bescherming valt van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. Volgens hem heeft de rechtbank niet onderkend dat deze medewerker vanuit zijn functie naar buiten treedt, bijvoorbeeld in contacten met gemeenten, bij het verzorgen van presentaties en in publicaties. Verder heeft de rechtbank volgens hem niet onderkend dat de te maken belangenafweging in het kader van een verzoek om verstrekking van informatie op grond van artikel 5.5 van de Woo, zoals hier aan de orde, een andere is dan de te maken belangenafweging in het kader van een verzoek om openbaarmaking van informatie op grond van artikel 4.1 van de Woo.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2063
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202500536/1/A3

202500964/1/R2

Bij besluit van 16 december 2024 heeft de raad van de gemeente Best het "TAM-omgevingsplan Oostzijde stationsomgeving Best" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Best vastgesteld. Spoorzone wil als initiatiefnemer het gebied aan de oostzijde van het stationsgebied in Best herontwikkelen. Het gebied heeft momenteel een rommelige en versteende opzet, waarbij de ligging tussen het treinstation en het centrum niet optimaal gebruikt wordt. Het doel is om de stationsomgeving te transformeren naar een levendig en aantrekkelijk verblijfsgebied, als entree voor Best met een groene verbinding naar het centrum en een inpassing van het busstation te realiseren. In totaal biedt het gebied ruimte voor 2.500 m² aan commerciële voorzieningen en voor maximaal 600 woningen (voornamelijk appartementen). Omdat de gewenste ontwikkeling niet past binnen het bestemmingsplan "Centrum, stationsgebied e.o.", dat deel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, is besloten om een TAM-omgevingsplan vast te stellen. Stichting Molenhuis is een stichting die is opgericht om de belangen te behartigen van de bewoners die in het Molenhuis wonen. Het Molenhuis staat aan de Molenstraat en is een woon-/zorgcentrum waarin mensen met een verstandelijke beperking begeleid wonen. Stichting Molenhuis is bang dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners van het Molenhuis.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2092
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202500964/1/R2

202501229/1/A2

Bij besluit van 28 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven de aanvraag van [appellante] om bekostiging van leerlingenvervoer voor haar zoon [kind] voor het schooljaar 2023-2024 afgewezen. [kind] is geboren op [geboortedatum] 2016. Toen [kind] naar school moest, ging hij naar basisschool De Taalbrug/Blixembosch in Eindhoven. Omdat [kind] bepaalde problemen heeft, is hij overgestapt naar de Petraschool in Eindhoven. Dit is een school voor speciaal basisonderwijs (SBO). Op deze school kwam hij door verschillende redenen niet goed mee. Aan het eind van schooljaar 2022-2023 is hij daarom met toestemming van de leerplichtambtenaar thuisgebleven. Sinds augustus 2023 gaat [kind] naar school op De Reis van Brandaan in Eindhoven. Ook deze school is een SBO. [appellante] heeft aan het college een vergoeding gevraagd voor de kosten die zij moet maken om haar zoon [kind] met de auto naar de De Reis van Brandaan te brengen en daar weer op te halen. De school is 9,9 kilometer rijden vanaf de woning van [appellante] en [kind]. Het college heeft de aanvraag van [appellante] bij besluit van 28 november 2023 afgewezen, omdat De Reis van Brandaan niet de dichtstbijzijnde toegankelijk school is voor [kind].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2062
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Onderwijs
  • uitspraakin de zaak202501229/1/A2

202501266/1/A2

Bij besluit van 4 januari 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellant] om overneming van een private schuld afgewezen. [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft verzocht om overname van een schuld van € 1.600,00 bij een bank. De minister heeft de schuld niet overgenomen. Volgens de minister is de schuld niet opeisbaar geworden voor 1 juni 2021, zodat niet is voldaan aan de vereisten uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) voor het overnemen van private schulden. Ook betreft de schuld een kredietlimiet (roodstand), die op grond van de Wht wordt aangemerkt als een financieel product. De bank heeft het krediet echter nooit opgeëist en er was geen sprake van een blijvende betalingsachterstand. Bovendien bevond de schuld zich op het moment van aflossing op 17 februari 2021 binnen de overeengekomen kredietlimiet, waardoor niet was voldaan aan het vereiste van opeisbaarheid.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2098
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202501266/1/A2

202501338/1/A2

Bij besluit van 11 december 2023 heeft het samenwerkingsverband een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs afgegeven voor [kind], de zoon van [appellant]. In geschil is of het samenwerkingsverband voor [kind] een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs voor de periode 11 december 2023 tot en met 31 juli 2026 mocht afgeven. [kind] is geboren op [geboortedatum] 2008. In de periode 2012-2020 heeft hij regulier onderwijs gevolgd op basisschool de Koningin Julianaschool in Nieuwegein. In het schooljaar 2020-2021 heeft [kind] regulier voortgezet onderwijs gevolgd op het Oosterlicht College in Nieuwegein. Hij zat in een structuurklas met tien leerlingen. In dat schooljaar kreeg [kind] een verwijzing naar Rebound Zuid Utrecht. Het traject bij Rebound was gericht op terugkeer naar het Oosterlicht College, maar dit traject is vroegtijdig beëindigd vanwege veel schoolverzuim. Het samenwerkingsverband heeft, na een aanvraag van het Oosterlicht College, een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs afgegeven voor de periode 15 november 2021 tot en met 31 juli 2023. In het schooljaar 2022-2023 is [kind] gestart op De Baanbreker in IJsselstein. Dat is een school voor regulier praktijkonderwijs. Op 14 november 2023 heeft De Baanbreker een aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring voor het voortgezet speciaal onderwijs voor [kind] ingediend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2060
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Onderwijs
  • uitspraakin de zaak202501338/1/A2

202501369/1/A2

Bij besluit van 25 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer een door [wederpartij] verbeurde dwangsom van € 3.000,00 ingevorderd. Bij besluit van 25 mei 2021 heeft het college aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd om de onzelfstandige bewoning in het pand aan de [locatie] in Deventer (de woning) binnen drie maanden te staken en gestaakt te houden. Het college heeft hierbij vermeld dat [wederpartij] de last kan uitvoeren door de bewoning terug te brengen tot maximaal twee personen of door de woning weer om te zetten naar zelfstandige woonruimte. Aan het niet of niet geheel voldoen aan de last heeft het college een dwangsom verbonden van € 3.000,00 per maand of een gedeelte daarvan, met een maximum van € 15.000,00. De woning is op 7 augustus 2023 gecontroleerd door toezichthouders van de gemeente Deventer. Zij hebben in de woning mevrouw [bewoner A] aangetroffen. Zij heeft verklaard dat in de woning vier personen wonen: [bewoner B] en [bewoner C], hun kind van één jaar oud [kind], en zijzelf. [bewoner A] heeft gesteld het nichtje van [bewoner B] te zijn en samen met het kind in het kinderbed te slapen. Tijdens de controle is [bewoner B] aangekomen in de woning. Hij heeft verklaard samen met zijn vrouw en kind in de woning te wonen. [bewoner A] is volgens hem de oppas van het kind en woont in Apeldoorn. Hij haalt haar elke keer op.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2089
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202501369/1/A2

202501447/3/R2

Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de raad van de gemeente Alphen-Chaam het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Alphen-Chaam 2023" vastgesteld. De termijn voor het indienen van beroep is ingegaan op 26 februari 2025 en geëindigd op 8 april 2025. [appellant] heeft bij brief van 4 april 2025 beroep ingesteld, maar de gronden van zijn beroep niet vermeld. In de brief van de Afdeling van 8 april 2025, waarin de ontvangst van het beroepschrift is bevestigd, is [appellant] erop gewezen dat hij geen gronden heeft aangevoerd en dat hij tot en met 20 mei 2025 de tijd krijgt om dat alsnog te doen. [appellant] heeft vervolgens bij een bij de Afdeling op 19 mei 2025 binnengekomen brief verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden, in verband met een lopend mediationtraject met de gemeente. Bij brief van 22 juli 2025 heeft de Afdeling [appellant] een nadere termijn tot 1 december 2025 gegeven om de gronden in te dienen. Bij brief van 25 november 2025 heeft [appellant] wederom verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden in verband met het lopende mediationtraject.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1899
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202501447/3/R2

202501993/1/A2

Bij besluit van 19 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen een aanvraag van [appellant] om een vergunning voor het in gebruik geven van de woning aan de [locatie] in Amstelveen voor toeristische verhuur, afgewezen. [appellant] heeft een aanvraag ingediend om een vergunning voor het in gebruik geven van de destijds door hem gehuurde woning aan de [locatie] in Amstelveen voor toeristische verhuur. Het college heeft deze aanvraag bij het besluit van 19 april 2023, zoals gehandhaafd bij het besluit van 24 juli 2023, afgewezen. Het college heeft zich in het besluit van 24 juli 2023, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften, op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 3.8.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening gemeente Amstelveen 2022 een vergunning kan worden geweigerd als niet is voldaan aan de voorwaarde dat op eigen gelegen terrein wordt voorzien in minimaal één parkeerplaats per gastenkamer. Het college voert bij de uitvoering van dit artikel beleid, dat is neergelegd in artikel 5.1 van de Uitvoeringsregels Wonen Amstelveen 2023 (Uitvoeringsregels).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2058
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202501993/1/A2

202503036/1/A3

De burgemeester van Utrecht heeft bij besluit van 8 november 2023 op grond van artikel 2:3 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 en het daarop gebaseerde Aanwijzingsbesluit artikel 2:3 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2023, verblijfsontzegging Lucasbolwerk, Hieronymusplantsoen en omgeving (hierna: Aanwijzingsbesluit) aan [appellant] een verblijfsontzegging opgelegd voor de duur van een maand, omdat hij die dag de openbare orde heeft verstoord en er al eerder aan hem een verblijfsontzegging voor dit gebied voor de duur van 24 uur is opgelegd. De burgemeester heeft zich voor dit besluit gebaseerd op een proces-verbaal van de politie. Daaruit volgt dat [appellant] een bekeuring heeft gekregen wegens overtreding van artikel 2:29, aanhef en onder a, van de APV, omdat hij zich zonder redelijk doel ophield in een portiek. De verblijfsontzegging gold van 8 november 2023 om 19.45 uur tot en met 8 december 2023 om 19.44 uur voor het gebied van het Lucasbolwerk, het Hieronymusplantsoen en omgeving in Utrecht. De burgemeester heeft de verblijfsontzegging in bezwaar gehandhaafd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2075
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202503036/1/A3

202503037/1/A3

De burgemeester heeft bij besluit van 13 november 2023 op grond van artikel 2:3 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 en het daarop gebaseerde Aanwijzingsbesluit artikel 2:3 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2023, verblijfsontzegging Lucasbolwerk, Hieronymusplantsoen en omgeving aan [appellant] een verblijfsontzegging opgelegd voor de duur van twee maanden, omdat hij die dag de openbare orde heeft verstoord wegens het bezit, de handel, of het gebruik van de in de Opiumwet bedoelde middelen. Eerder had de burgemeester aan hem voor dit gebied al verblijfsontzettingen opgelegd voor de duur van 24 uur en de duur van een maand. De burgemeester heeft zich voor dit besluit gebaseerd op een proces-verbaal van de politie. De verblijfsontzegging gold van 13 november om 09.31 uur tot en met 13 januari 2024 om 09:30 uur voor het gebied van het Lucasbolwerk, het Hieronymusplantsoen en omgeving in Utrecht. De burgemeester heeft de verblijfsontzegging in bezwaar gehandhaafd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2074
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202503037/1/A3

202503413/1/A2

Bij besluit van 6 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen op een aanvraag van [appellante] om brede ondersteuning bij herstel kinderopvangtoeslagenaffaire een bedrag van € 1.328,00 toegekend. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft bij het college een aanvraag ingediend in het kader van de Beleidsregels ondersteuning gedupeerden Kinderopvangtoeslagaffaire 2024 van de gemeente Amstelveen. Deze beleidsregels geven uitvoering aan artikel 2.21, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Op grond van die bepaling kan het college gedupeerden van de kinderopvangtoeslagenaffaire brede ondersteuning bieden op de leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg. Op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, van de beleidsregels wordt de ondersteuning ingezet op basis van de behoefte en noodzaak van die ondersteuning. De noodzaak en vorm worden vastgesteld door het college op basis van een gezamenlijk opgesteld plan van aanpak, gericht op het maken van een nieuwe start.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2099
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503413/1/A2

202504016/1/A3

Bij brief van 19 september 2023 heeft het Zorg- en Veiligheidshuis Zuid-Holland-Zuid een beslissing genomen over het verzoek van [appellant] tot vernietiging van zijn persoonsgegevens. Op 2 januari 2023 heeft het ZVH per brief aan [appellant] medegedeeld dat zijn gegevens overeenkomstig het privacyreglement vijf jaar worden bewaard. [appellant] heeft op 16 januari 2023 het ZVH verzocht tot vernietiging van zijn persoonsgegevens. Met de brief van 3 februari 2023 heeft het ZVH dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft [appellant] bij brief van 8 maart 2023 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is op 13 juli 2023 ongegrond verklaard door het ZVH. Met de brief van 19 september 2023 heeft het ZVH opnieuw een beslissing genomen over het verzoek van [appellant] waarbij zij een nieuw privacy-protocol heeft gehanteerd. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het ZVH geen bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het ZVH is niet krachtens publiekrecht ingesteld en oefent geen openbaar gezag uit. Om die reden kan de brief van 19 september 2023 niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Tegen de brief stond geen beroep open bij de bestuursrechter. Daarom heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2086
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • uitspraakin de zaak202504016/1/A3

202504960/1/A2

Bij afzonderlijke besluiten van 30 augustus 2024 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aanvragen van [appellante] om overname van private schulden afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor het overnemen en betalen van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden een gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire in aanmerking komt voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, volgt dat schulden slechts worden overgenomen, indien zij zijn ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. [appellante] is erkend als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft aanvragen ingediend om overname van een schuld bij DEFAM van € 16.585,45 (de eerste schuld) en een schuld bij ESWS van € 12.768,00 (de tweede schuld).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2072
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202504960/1/A2

202504971/1/A2

Bij verkeersbesluit van 12 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de [locatie 1]-[locatie 2] (oneven) in Amsterdam, gelegen tussen de Brouwersgracht en de Blauwburgwal, aangewezen als erf door het plaatsen van de verkeersborden G5 (erf) en G6 (einde erf). De achtergrond van het verkeersbesluit om de Herengracht 1-103 aan te wijzen als woonerf ligt in de vervanging van de kademuur en de daarmee gepaard gaande herinrichting van dit deel van de Herengracht: een parkeervrije inrichting zonder scheiding tussen de strook langs het water, de rijbaan en het trottoir. Een aanwijzing als erf heeft tot gevolg dat voetgangers wegen gelegen binnen dat erf over de volle breedte mogen gebruiken, de maximumsnelheid 15 km/u is en alleen geparkeerd mag worden op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid. In dit geval heeft het college geen parkeerplaatsen aangewezen, zodat parkeren op de Herengracht 1-103 niet langer mogelijk is. [appellant A] en anderen wonen aan dit deel van de Herengracht of ondervinden directe gevolgen van het verdwijnen van de parkeermogelijkheid daar, en zijn het om een aantal redenen niet eens met de aanwijzing als erf.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2071
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202504971/1/A2

202600211/1/A2

Bij beslissing van 10 oktober 2025 heeft de examencommissie Recht en Veiligheid het door [appellante] ingeleverde Plan van Aanpak -PvA 1419LB411A- ongeldig verklaard, haar uitgesloten van deelname aan toetsen gedurende twee periodes en aan het college van bestuur een voordracht tot uitschrijving gedaan wegens fraude. Bij beslissing van 24 november 2025 heeft het college van beroep voor de examens van Hogeschool Inholland het door [appellante] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellante] studeert HBO-rechten aan de Hogeschool Inholland. In mei 2025 moest zij als onderdeel van haar afstudeerprogramma een Plan van Aanpak inleveren. Bij de beoordeling constateerde de examinator onduidelijkheden in de bronvermelding. Hij heeft [appellante] om een toelichting gevraagd. Na ontvangst daarvan, zag de examinator aanleiding om een vermoeden van fraude te melden bij de examencommissie. Die heeft geconcludeerd dat er voldoende grond is om vast te stellen dat er sprake is van fraude. [appellante] heeft in haar Plan van Aanpak namelijk gebruik gemaakt van bronnen die niet bestaan of wel bestaan, maar een andere inhoud hebben dan in de tekst opgenomen. Het ging hierbij om 11 fouten in de bronvermeldingen. Als sanctie heeft de examencommissie het Plan van Aanpak ongeldig verklaard. Omdat dit de derde keer was dat [appellante] een sanctie wegens fraude werd opgelegd, heeft de examencommissie haar als aanvullende sanctie uitgesloten van toetsen gedurende twee periodes in studiejaar 2025-2026.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2090
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600211/1/A2

202600416/1/A2

Bij beslissing van 8 oktober 2025 heeft de directeur van het Instituut voor Ecologische Pedagogiek namens het college van bestuur van de Hogeschool Utrecht [appellante] een maatregel opgelegd, inhoudend dat zij met ingang van 9 oktober 2025 tot maandag 31 augustus 2026 wordt uitgeschreven. [appellante] volgt sinds collegejaar 2021-2022 de bacheloropleiding Ecologische Pedagogiek aan de Hogeschool Utrecht. In het studiejaar 2024-2025 was zij tijdelijk uitgeschreven bij wijze van maatregel wegens ongewenst gedrag. Nadat zij opnieuw was ingeschreven per 1 juni 2025 stuurde zij veelvuldig berichten en begon zij ook weer met het indienen van klachten tegen onderwijspersoneel. De directeur heeft [appellante] verzocht om een gesprek te voeren over het volgen van onderwijs en haar gedragingen. Na diverse klachten van onderwijspersoneel heeft de directeur besloten [appellante] nogmaals tijdelijk uit te schrijven, dit maal voor de duur van de rest van het collegejaar, dus tot 31 augustus 2026.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2085
Datum uitspraak
15 april 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600416/1/A2

202404142/1/V3

Bij besluit van 30 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2009
Datum uitspraak
14 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202404142/1/V3

BRS.26.000892en BRS.26.000893

Bij besluit van 2 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2029
Datum uitspraak
14 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000892en BRS.26.000893

BRS.26.001361 en BRS.26.001362

Bij besluit van 14 maart 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1999
Datum uitspraak
14 april 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001361 en BRS.26.001362

BRS.26.001539

Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2041
Datum uitspraak
14 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001539

BRS.26.001836

Bij besluit van 23 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2043
Datum uitspraak
14 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001836

202403402/1/R2

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 1 mei 2024 van de rechtbank Oost­Brabant. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning van [partij] voor een aanbouw aan zijn woning. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van het college van 19 december 2022 waarin deze vergunning in stand is gelaten, omdat het college in de vergunning volgens hem voor het bepalen van het peil ten onrechte is aangesloten bij de bovenkant van de afgewerkte vloer van het hoofdgebouw.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2156
Datum uitspraak
14 april 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202403402/1/R2

202407496/1/R2

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 31 oktober 2024 van de rechtbank Oost­Brabant. Deze uitspraak gaat over het invorderingsbesluit van het college van 7 november 2023, waarin het college overgaat tot invordering van €10.000,00 aan verbeurde dwangsommen wegens het niet nakomen van twee opgelegde lasten onder dwangsom. Deze lasten hadden als doel om het gebruik van het perceel met een groenbestemming als inrit te staken en dit zo te houden en om de daar aangebrachte verharding te verwijderen. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard. [appellant] beroept zich op gerechtvaardigd vertrouwen dat hij ontleent aan uitlatingen van het college tussen 17 mei en 22 mei 2023. En hij meent dat daarom niet zou worden overgegaan tot handhavend optreden. Volgens hem is het oordeel van de rechtbank hierover onjuist.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2157
Datum uitspraak
14 april 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202407496/1/R2

202504010/2/A3

Tijdens de zitting op 8 april 2026 heeft verzoeker verzocht om wraking in de zaak nr. 202504010/1/A3. Daarbij heeft hij verwezen naar zijn (ongedateerde) schriftelijke wrakingsverzoek, dat bij de Afdeling is ingekomen op de ochtend van 8 april 2026, maar de behandelend staatsraad ten tijde van de zitting nog niet had bereikt. Met de behandeling van die zaak is staatsraad mr. M. Soffers belast. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat hij in andere zaken bij de Afdeling geen gelijk heeft gekregen, dat de staatsraden van de Raad van State geen kennis hebben van het recht van de Europese Unie, dat het recht van de Europese Unie niet wordt nageleefd en dat van de voorzitter en staatsraden van de Raad van State niet kan worden verwacht dat zij elkaar tegenspreken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2028
Datum uitspraak
14 april 2026
  • Wraking
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202504010/2/A3

202403710/1/V1

Verzoekers hebben het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij hen opgekomen proceskosten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2010
Datum uitspraak
13 april 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • Vreemdelingenkamer - Overige
  • uitspraakin de zaak202403710/1/V1

202407298/1/V3

Bij besluit van 5 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2008
Datum uitspraak
13 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202407298/1/V3

BRS.25.001963

Bij besluiten van 4 december 2023 en 5 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1984
Datum uitspraak
13 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001963

BRS.25.002504

Bij besluit van 25 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1988
Datum uitspraak
13 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002504

BRS.26.000941

Bij besluit van 7 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1985
Datum uitspraak
13 april 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000941

BRS.26.001303

Bij besluit van 24 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1979
Datum uitspraak
13 april 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001303

BRS.26.001336

Bij besluit van 28 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1978
Datum uitspraak
13 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001336

BRS.26.001372 en BRS.26.001570

Bij besluit van 18 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1983
Datum uitspraak
13 april 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001372 en BRS.26.001570

BRS.26.001380 en BRS.26.001381

Bij besluit van 9 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1989
Datum uitspraak
13 april 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001380 en BRS.26.001381

BRS.26.001498 en BRS.26.001499

Bij besluit van 12 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2003
Datum uitspraak
13 april 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001498 en BRS.26.001499

BRS.26.001538

Bij besluit van 27 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1987
Datum uitspraak
13 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001538

202402170/2/A3

De rechtbank heeft per ongeluk de op de zaak betrekking hebbende stukken, die de korpschef met een beroep op artikel 8:29 van de Awb heeft overgelegd, aan [wederpartij] doorgezonden. [wederpartij] heeft deze stukken vervolgens op zijn website gepubliceerd. De korpschef heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening een ordemaatregel te treffen, die ertoe strekt [wederpartij] te verplichten om de publicatie van geheime stukken op zijn website te doen laten verwijderen en verwijderd te houden tot het moment waarop de Afdeling in einduitspraak heeft gedaan en als de Afdeling beslist tot gegrondverklaring van het hoger beroep en niet zelf in de zaak voorziet.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2129
Datum uitspraak
10 april 2026
  • Mondelinge uitspraak
  • Voorlopige voorziening
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202402170/2/A3

BRS.25.000887

Bij besluit van 15 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1908
Datum uitspraak
10 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.000887

BRS.25.001260

Bij besluit van 7 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1971
Datum uitspraak
10 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001260

BRS.25.002705

Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, ingetrokken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1848
Datum uitspraak
10 april 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002705

BRS.26.001286

Bij besluit van 17 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1969
Datum uitspraak
10 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001286

BRS.26.001353 en BRS.26.001354

Bij besluit van 24 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1970
Datum uitspraak
10 april 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001353 en BRS.26.001354

BRS.26.001461 en BRS.26.001464

Bij besluit van 4 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1968
Datum uitspraak
10 april 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001461 en BRS.26.001464

BRS.26.001735

Bij besluit van 13 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1986
Datum uitspraak
10 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001735

202403658/1/V2

Bij besluit van 5 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1992
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202403658/1/V2

202500688/1/V2

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1977
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202500688/1/V2

202501332/1/V1

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1976
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202501332/1/V1

202503724/1/V2

Bij besluit van 23 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1975
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202503724/1/V2

202600953/2/A2

Bij beslissing van 31 maart 2026 heeft het CBE zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door [verzoekster] ingestelde administratief beroep. Dit administratief beroep was ingesteld tegen beslissingen van 25 november 2025 en 19 januari 2026 van het faculteitsbestuur van de Faculteit der Bètawetenschappen, waarbij het verzoek van [verzoekster] om toelating tot een bachelorproject is afgewezen. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter gevraagd om het CBE te verplichten haar hangende het beroep toe te laten tot het bachelorproject.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2026
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Mondelinge uitspraak
  • Voorlopige voorziening
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600953/2/A2

BRS.24.000182

Bij besluit van 30 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1902
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.24.000182

BRS.25.001712

Bij besluit van 2 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1896
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001712

BRS.26.000948

Bij besluit van 31 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1894
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000948

BRS.26.001175 en BRS.26.001177

Bij besluit van 9 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1897
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001175 en BRS.26.001177

BRS.26.001208

Bij besluit van 30 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1906
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001208

BRS.26.001237

Bij besluit van 31 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1890
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001237

BRS.26.001321

Bij besluit van 1 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1898
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001321

BRS.26.001360

Bij besluiten van 18 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker A om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een aanvraag van verzoeker B om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1893
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001360

BRS.26.001419 en BRS.26.001421

Bij besluit van 12 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1889
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001419 en BRS.26.001421

202505791/1/A2

Het beroep richt zich tegen de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Universiteit Utrecht van 6 oktober 2025, waarbij de beslissing van 13 mei 2025 in stand is gelaten. In die beslissing is aan [appellante] medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een inhaaltoets voor het vak Diagnostiek in de klinische psychologie.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2048
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Mondelinge uitspraak
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202505791/1/A2

202600437/1/A2

Het beroep richt zich tegen een beslissing van het college van 14 januari 2026, waarbij het bezwaar van [appellant] tegen de beslissing van 17 november 2025 ongegrond is verklaard. Bij die beslissing heeft de centrale studentenadministratie, namens het instellingsbestuur, de inschrijving van [appellant] beëindigd wegens het niet voldoen aan de betalingsverplichting.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2047
Datum uitspraak
9 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Mondelinge uitspraak
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600437/1/A2

202406964/3/R4 en 202406964/4/R4

Bij tussenuitspraak van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1995, heeft de voorzieningenrechter de raad van de gemeente Rheden opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van 24 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied, herbestemming Lentsesteeg 13-15" (het plan) te herstellen. In de tussenuitspraak heeft de voorzieningenrechter het besluit van 24 september 2024 getoetst aan het in de Omgevingsvisie buitengebied Rheden opgenomen functieveranderingsbeleid. De voorzieningenrechter heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 24 september 2024, voor zover daarbij een verandering van een niet-agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie mogelijk wordt gemaakt, niet voldoet aan het functieveranderingsbeleid en dat de raad ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het handelen in overeenstemming met dat beleid voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1864
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202406964/3/R4 en 202406964/4/R4

BRS.25.002414

Bij besluit van 6 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1888
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002414

BRS.26.000415

Bij besluit van 29 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1880
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000415

BRS.26.001292

Bij besluit van 12 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1913
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001292

BRS.26.001452

Bij besluit van 23 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1884
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001452

202201436/1/V6

Bij besluit van 25 april 2019 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een verzoek van [appellant] om verlenging van de inburgeringstermijn afgewezen. Bij besluit van 23 juni 2021 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een verzoek van [appellant] om terug te komen van het besluit van 25 april 2019 afgewezen. Bij brief van 27 november 2015 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is, haar inburgeringstermijn op 24 september 2015 is gestart en zij voor 18 november 2018 aan deze plicht moet hebben voldaan. De minister heeft de inburgeringstermijn bij brief van 20 mei 2016 ambtshalve verlengd tot 16 december 2018, omdat [appellant] langer dan acht weken in een asielzoekerscentrum heeft verbleven. Op 9 juli 2018 heeft [appellant] de minister een machtiging voor het opvragen van gezondheidsgegevens gestuurd en hem verzocht de inburgeringstermijn te verlengen op medische gronden. De minister heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 25 april 2019. [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit, waardoor dit in rechte onaantastbaar is. Bij brief van 24 februari 2021 heeft zij de minister verzocht om het besluit van 25 april 2019 te herzien.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1921
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202201436/1/V6

202203530/1/V6

Op 12 november 2025 heeft [verzoeker] het hoger beroep ingetrokken en tegelijk het verzoek aan de Afdeling gehandhaafd om de minister van Werk en Participatie te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1940
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202203530/1/V6

202205193/1/A3

Bij besluit van 28 augustus 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur afgewezen. Na het verzoek eerst te hebben afgewezen met het besluit van 28 augustus 2019, heeft het college met het besluit van 8 februari 2021 alsnog een deel van de gevraagde informatie al dan niet gedeeltelijk openbaar gemaakt en de overige informatie wederom in het geheel geweigerd openbaar te maken. Het college heeft daarbij een beroep gedaan op de uitzonderingen van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, e en g, en artikel 11 van de Wob. Volgens het college wegen de financiële belangen van het college zwaarder dan het belang van openbaarheid, omdat de gemeentelijke onderhandelingspositie zou kunnen verslechteren door openbaarmaking. Daarnaast weegt volgens het college het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van bij de bestuurlijke aangelegenheid betrokken personen zwaarder dan het belang van openbaarmaking, omdat de in de documenten genoemde personen niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden. Verder zou openbaarmaking de bij deze zaak betrokken partijen onevenredig kunnen benadelen, omdat concurrenten dan kennis kunnen nemen van de werkwijze van deze partijen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1961
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202205193/1/A3

202205256/1/R2

Bij besluit van 15 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen zijn mondelinge beslissing op 14 mei 2020 om [appellant] te gelasten de plaatsing van een woonwagen op het perceel [perceel] in Sittard (het perceel) te staken en gestaakt te houden, op schrift gesteld en aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Als [appellant] de plaatsing van de woonwagen niet staakt, verbeurt hij een dwangsom van € 10.000,- ineens. Op 11 mei 2020 heeft het college [appellant] gewaarschuwd dat hij op het perceel geen woonwagen mag plaatsen, omdat daarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Sittard" (het bestemmingsplan) geldt voor het perceel de bestemming "Natuur". Binnen deze bestemming is het plaatsen van een woonwagen niet toegestaan. Op 14 mei 2020 heeft [appellant] het eerste gedeelte van de woonwagen zonder omgevingsvergunning laten plaatsen. Op diezelfde dag heeft het college aan [appellant] mondeling een bouwstop opgelegd. Het tweede gedeelte van de woonwagen heeft [appellant] daarom wel geplaatst, maar niet aan het eerste gedeelte laten verbinden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1951
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202205256/1/R2

202301264/1/R3

Bij besluit van 25 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terschelling de aanvraag van Gooische Hart om een omgevingsvergunning afgewezen. Gooische Hart is eigenaar van twee percelen met bijbehorende opstallen die zijn gelegen aan de Boddelenweg 5 in Hoorn (Terschelling). De percelen zijn kadastraal bekend gemeente Terschelling, sectie K, 1379 (perceel 1379) en sectie K, 1039 (perceel 1039). De percelen 1379 en 1039 grenzen niet aan elkaar, maar worden gescheiden door een ander perceel. [partij A] en [partij B] wonen in de buurt van de percelen, aan de [locatie] in Hoorn. Op 5 februari 2020 heeft Gooische Hart een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de bouw en het gebruik van een manege met mestplaat en verlichting, opslagruimte, paardenstallen, logiesruimte, kantine en receptie. De aanvraag ziet meer specifiek op de realisatie van een gebouw met 53 appartementen met een receptie en kantine (bedrijfsgebouw 1), een gebouw met 18 paardenboxen en opslagruimte (bedrijfsgebouw 2) en 37 parkeerplaatsen op perceel 1379 en de realisatie van een niet-overdekte paardenbak, een longeercirkel en een mestplaat met toebehoren op perceel 1039.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1923
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202301264/1/R3

202301494/1/R2

Bij besluit van 20 maart 2020 heeft Het college van gedeputeerde staten van Groningen het verzoek van Milieudefensie om intrekking op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) van de vergunning van 17 november 2017 die is verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb aan [appellant sub 2], afgewezen. Op 20 november 2017 is een vergunning op grond van de Wnb verleend aan [appellant sub 2] gevestigd aan de [locatie] in [appellant sub 2]. De vergunning is verleend op basis van het Programma Aanpak Stikstof (PAS-vergunning) voor het houden van 760 melkkoeien en 490 stuks jongvee en het oprichten en het gebruiken van een nieuwe stal met emissiearm stalsysteem A1.28. Milieudefensie heeft verzocht om gedeeltelijke intrekking op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb, omdat volgens haar het bedrijf stikstofdepositie veroorzaakt op het Natura 2000-gebied "Lieftinghsbroek", terwijl niet uitgesloten is dat sprake is van een (dreigende) verslechtering of significante verstoring van dat gebied.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1953
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Natuurbescherming
  • uitspraakin de zaak202301494/1/R2

202301565/4/R3

De gemeenteraad van Rotterdam heeft het bestemmingsplan ‘Parkhaven’ succesvol hersteld. In juli vorig jaar droeg de Afdeling bestuursrechtspraak de gemeenteraad nog op om het plan op enkele punten te herstellen. Dat is succesvol gebeurd, zo blijkt uit deze einduitspraak. Dat betekent dat er groen licht is voor dit woningbouwplan dat de bouw van 650 woningen in acht woontorens aan weerszijden van de Euromast mogelijk maakt. Onder meer Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk en enkele omwonenden kwamen in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak omdat zij onder meer vrezen voor de exploitatiemogelijkheden en bereikbaarheid van hun bedrijven in de Parkhaven en voor het groen en de monumenten in het gebied, zoals Het Park en de Euromast. De Afdeling bestuursrechtspraak kwam in juli 2025 in een tussenuitspraak tot de conclusie dat de gemeenteraad verschillende aspecten die betrekking hebben op de groene inrichting van het gebied aan de westzijde van het Scheepvaartkwartier nader moest uitwerken en moest borgen in het bestemmingsplan. Ook waren er enkele zaken rondom het parkeren in het plan niet goed geregeld. In december 2025 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan aangepast, waarbij onder meer een inrichtingsplan op hoofdlijnen aan het plan is toegevoegd. Dit plan, waarin onder meer de exacte locaties en aantallen bomen en groenpartijen en parkeerplaatsen zullen worden vastgelegd, zal in de komende jaren in samenspraak met omgeving verder worden uitgewerkt. Ook zijn er enkele regels over parkeren aan het bestemmingsplan toegevoegd. Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk en enkele omwonenden konden zich niet vinden in deze herstelmaatregelen. Zij vinden het inrichtingsplan op hoofdlijnen onvoldoende en ook de door de gemeenteraad aangepaste regels over parkeren zouden tekortschieten om toekomstige parkeerproblemen te voorkomen. Maar de Afdeling bestuursrechtspraak heeft hun bezwaren tegen het herstelbesluit van de gemeente Rotterdam ongegrond verklaard. Dat betekent dat het aangepaste bestemmingsplan 'Parkhaven' nu definitief is en de gemeente kan starten met de uitvoering.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1931
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202301565/4/R3

202302980/3/R3

Bij tussenuitspraak van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1178, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Kampen opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 23 maart 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Bakkerij" te herstellen. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opdracht gegeven om met inachtneming van wat is overwogen onder 27.5, 28.1 en 28.5 alsnog concreet te regelen wat hij heeft beoogd met artikel 6.1, aanhef en lid m, van de planregels. Daarnaast heeft de Afdeling de raad opdracht gegeven om met inachtneming van wat is overwogen onder 29.3 alsnog in de planregels op te nemen aan welke voorwaarden het materiaal waaruit het geluidscherm zal bestaan, moet voldoen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1918
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Overijssel
  • uitspraakin de zaak202302980/3/R3

202303522/1/R2

Op 30 november 2021 heeft Sunvest Ontwikkeling B.V. (hierna: Sunvest) namens Zonnepark Aardbrandsven B.V. een aanvraag om een omgevingsvergunning bij het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck ingediend voor de aanleg van het zonnepark "Aardbrandsven". Het project is voorzien in een gebied tussen de Ruilverkavelingsweg en de Randweg Oost in Budel, in de gemeente Cranendonck. Uit de bij de aanvraag behorende ruimtelijke onderbouwing volgt dat het beoogde zonnepark een omvang heeft van 76,5 ha, waarvan ongeveer 49 ha voor zonnepanelen wordt aangewend. De zonnepanelen leveren samen een vermogen van ongeveer 104 MWp, waarmee ongeveer 35.000 huishoudens van duurzaam opgewerkte energie kunnen worden voorzien. Het projectgebied voorziet daarnaast in ruimte voor 6 batterijen, 16 transformatorstations, 30 cameramasten, een hekwerk, 2 informatieborden en een inkoopstation. De overige ruimte wordt aangewend voor onderhoudspaden en een landschappelijke inpassing.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1949
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202303522/1/R2

202304442/1/R2

Bij besluit van 13 juni 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda aan [appellanten], onder oplegging van een dwangsom van € 20.000,00, gelast om voor 26 juli 2022 de bewoning van het pand aan de [locatie] in Breda door meer dan één huishouden te beëindigen en beëindigd te houden. [appellanten] zijn eigenaar van het pand aan de [locatie] te Breda. Zij verhuren deze twee-onder-een-kapwoning met vijf slaapkamers aan maximaal vijf personen. Volgens het college handelen [appellanten] in strijd met bestemmingsplan omdat zij in hun pand meer dan één huishouden hebben gehuisvest. Op grond van het bestemmingsplan is het pand echter uitsluitend bedoeld voor de huisvesting door één huishouden. In deze zaak speelt onder meer de vraag of het pand wordt bewoond door meer dan één huishouden. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de invorderingsbeschikking deugdelijke inspectierapporten ten grondslag liggen. Uit de inspectierapporten blijkt volgens [appellanten] niet duidelijk wat de bewoners hebben verklaard over hun woon- en leefsituatie en wat de feitelijke situatie in het pand is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1795
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202304442/1/R2

202305689/1/A3

Bij besluit van 9 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede de vergunning van [appellante] voor een deel van een warmteleiding ingetrokken en daaraan de verplichting verbonden de betreffende leiding te verleggen. Ennatuurlijk is een commercieel warmtebedrijf dat warmtenetten realiseert en exploiteert. Het college heeft Ennatuurlijk verzocht om aanpassing van een van haar warmtetransportleidingen. Het gaat om een leiding in de zuidoostelijke hoek van de Usseler Es - ook wel: de Oostkrans - die in 1986 is aangelegd. Deze leiding ligt er gedeeltelijk op grond van een publiekrechtelijke vergunning van het gemeentebestuur, en gedeeltelijk op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht. Met de leiding worden ongeveer 9.000 huishoudens en zakelijke verbruikers in de regio Enschede voorzien van warmte. Een leidingdeel van 390 m moet worden verwijderd en na verlegging beslaat het nieuwe tracé 490 m. De aanleiding voor het verzoek tot aanpassen is dat de gemeente bedrijfskavels op de Oostkrans bouwrijp wil maken. Het college heeft de besluiten gebaseerd op de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur Enschede 2018 (AVOI 2018). Ennatuurlijk heeft de verlegging uitgevoerd en in de zomer van 2023 afgerond. Zij stelt voor de werkzaamheden ongeveer € 2,4 miljoen aan kosten te hebben gemaakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1919
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202305689/1/A3

202306414/1/R3

Bij besluit van 28 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân geweigerd om aan [appellant A] een omgevingsvergunning voor het legaliseren van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te Easternijtsjerk (het perceel) te verlenen. Het perceel ligt op het bedrijventerrein 't Oogh. [appellant A] is eigenaar van het perceel. Hij verhuurt dit aan [appellant B]. Zij exploiteert daar een [bedrijf]j en woont daar. Op het perceel is het bestemmingsplan "Doarpen", vastgesteld op 25 juni 2010, van toepassing. De gronden op het perceel hebben de bestemming "Bedrijventerrein" met de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2". Daar zijn bedrijven in de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 toegestaan zoals genoemd op de bedrijvenlijst die als bijlage 1 bij de planregels is gevoegd. Een bedrijfswoning is alleen toegestaan binnen de aanduiding "bedrijfswoning" of "specifieke vorm van wonen - bedrijfswoningen". Het perceel heeft deze aanduidingen niet. [partij] en anderen zijn ondernemers op het bedrijventerrein. Zij hebben het college in maart 2022 verzocht handhavend op te treden tegen de volgens hen illegale woonsituatie op het perceel. Zij stellen dat de bewoning leidt tot belemmering van hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1957
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202306414/1/R3

202306779/1/R1

Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het plaatsingsplan "Definitief plaatsingsplan gewijzigde locatie ondergrondse restafvalcontainers Geuzenkwartier III (buurt 8)" vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s) op locatie 08-16B in het stadsdeel Scheveningen in de wijk Geuzenkwartier in Den Haag. Het college heeft door vaststelling van het plaatsingsplan (het bestreden besluit) locatie 08-16B aangewezen voor de plaatsing van twee ORAC’s in het Geuzenkwartier in Den Haag. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1]. De tuin aan de zijkant van haar woning ligt op ongeveer een meter van de aangewezen locatie. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2]. Haar voordeur ligt op enkele meters van locatie 08-16B. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn het niet eens met de aangewezen locatie.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1935
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202306779/1/R1

202400592/1/R3

Bij besluit van 4 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling besloten de aanvraag van Camping Veldzicht van 10 november 2020 tot binnenplanse wijziging van het bestemmingsplan "Midsland Noord", af te wijzen. Camping Veldzicht is gevestigd op de Noordlandweg 6 in Midsland. Camping Veldzicht is ook eigenaar van het kadastraal perceel, sectie H, nummer 2477, aan de Tijs Smitweg in Midsland (het perceel). Het perceel is gelegen in de zuidoostelijke hoek van het plangebied van het bestemmingsplan "Midsland Noord", los van de andere percelen van Camping Veldzicht. Op het perceel geldt de bestemming "Agrarisch" met de gebiedsaanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6 (Recreatie - 1)". De gronden ten westen en ten noorden van het perceel hebben de bestemming "Recreatie -1 (kampeerterreinen)". Op deze gronden zijn kampeerterreinen aanwezig. Deze zijn in eigendom van andere campings. Camping Veldzicht en het perceel zijn van elkaar gescheiden door Camping Hoeve ’t Noord dat aan de westzijde van het perceel ligt. De afstand tussen Camping Veldzicht en het perceel is ongeveer 85 meter.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1958
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • RO - Friesland
  • uitspraakin de zaak202400592/1/R3

202401696/1/R2

Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda [appellant A] en [appellant B], onder oplegging van een dwangsom van € 40.000,00 ineens, gelast om voor 15 november 2022 de bewoning van het pand aan de [locatie] in Breda door meer dan één huishouden te beëindigen en beëindigd te houden. [appellant A] en [appellant B] zijn eigenaar van het pand aan de [locatie] te Breda. Zij verhuren deze twee-onder-een-kapwoning met vijf slaapkamers aan maximaal vijf personen. Volgens het college handelen [appellant A] en [appellant B] in strijd met bestemmingsplan omdat zij in hun pand meer dan één huishouden hebben gehuisvest. Op grond van het bestemmingsplan is de woning echter uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden. In deze zaak speelt onder meer de vraag of de woning wordt bewoond door meer dan één huishouden. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de huurders niet kunnen worden aangemerkt als één huishouden en het pand daarom wordt verhuurd aan meer dan één huishouden en daarmee in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1796
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202401696/1/R2

202401815/1/R3

Bij besluit van 30 juni 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan Kerk & Co B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van het pand aan de Stationsweg 6 in Den Haag door het maken van een constructieve doorbraak. Het pand aan de Stationsweg 6 in Den Haag bestaat uit twee delen. Kerk & Co B.V. is huurder van dit pand en wil tussen die delen een constructieve doorbraak realiseren. Bij de aanvraag heeft Kerk & Co B.V. te kennen gegeven dat het voorste gedeelte in het pand (de plint) zal worden gebruikt voor maatschappelijke doeleinden en de ruimte achter de te verwijderen muur gebruikt zal worden als kantoor. Met het besluit van 30 juni 2023, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 november 2023, heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. [appellant] kan zich als omwonende niet vinden in deze verlening, omdat het pand in zijn geheel wordt gebruikt als kantoor en vanwege de gevolgen van het wijzigen van de constructie.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1955
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202401815/1/R3

202401891/1/A3

Bij besluit van 12 april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren, voor zover voor deze zaak van belang, aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:10 van de Algemene Plaatselijke Verordening Wijdemeren 2018 (APV). De last is opgelegd naar aanleiding van een verzoek om handhaving van [partij A] en [partij B] (hierna tezamen in enkelvoud: [partij]). [appellant] is eigenaar van de weg en de berm over een lengte van 31 meter voor de woning van [partij] aan [locatie] in Nederhorst den Berg. [partij] eigende zich volgens [appellant] tijdens de bouw van zijn woning de berm toe, onder meer door graafwerkzaamheden en het willen aanleggen van een inrit. Daarom wilde [appellant] zijn eigendom afbakenen en voorkomen dat de berm opnieuw door [partij] ten onrechte wordt gebruikt. [appellant] heeft daarvoor in de berm, langs de erfgrens met [locatie], stalen palen in de grond aangebracht en liggend daarvoor betonnen balken geplaatst. Het college stelt dat de palen en balken de bruikbaarheid van de weg aantasten, omdat de situatie verkeersonveilig is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1926
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202401891/1/A3

202402134/1/A3

[appellanten] hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1345. In die uitspraak heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, bevestigd en het besluit van 13 september 2021 vernietigd en is de burgemeester van Amsterdam opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. In de uitspraak van 5 april 2023 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, bevestigd. Verder heeft zij bij die uitspraak het besluit van de burgemeester van 13 september 2021 vernietigd. De Afdeling heeft de burgemeester opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren te nemen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1962
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Drank en horeca
  • uitspraakin de zaak202402134/1/A3

202402944/1/R1

Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de raad van de gemeente Haarlem het bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" vastgesteld. Het plan maakt de bouw van een bijzondere woonzorgvoorziening ter hoogte van de Fuikvaartweg en Nieuweweg in Haarlem mogelijk. Deze woonzorgvoorziening is bedoeld voor het beschermd en begeleid wonen van mensen die lijden aan een psychische stoornis dan wel kampen met een verslaving. Het plan voorziet daarnaast in een omvorming van het agrarisch bouwperceel met bestaande boerderij aan de Nieuweweg 2 tot buurttuinderij of agrarische buurtfunctie. Met de herbestemming van de boerderij kan het perceel worden ingezet voor gemeenschapslandbouw en worden gebruikt voor de dagbesteding van bewoners van de woonzorgvoorziening. De stichting kan zich niet verenigen met dit plan. Zij vreest dat de bouw van de woonzorgvoorziening de natuur en de omgeving van beschermde diersoorten zal verstoren. Verder meent zij dat de locatie Nieuweweg 2 ongeschikt is voor de bouw van een dergelijke woonzorgvoorziening, vanwege het risico op overlast voor de omgeving van die locatie.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1960
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202402944/1/R1

202403312/1/R3

Bij besluit van 8 april 2022 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat met toepassing van artikel 90 in samenhang met artikel 111b, derde lid, van de Wet geluidhinder (Wgh) voor de gevels van de te saneren woningen gelegen binnen de geluidszone langs de wegen "Nieuwe Zeeweg, Herenweg en Oude Zeeweg" in Noordwijk een ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting vanwege die wegen vastgesteld en tevens maatregelen vastgesteld die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege die wegen binnen de betrokken woningen, voor zover niet wordt voldaan aan de in artikel 111b, derde lid, van de Wgh genoemde binnenwaarde van 43 dB. [appellant] woont op de [locatie]. De staatssecretaris heeft bij besluit van 8 april 2022 voor de woning van [appellant] een ten hoogste toelaatbare waarde van 60 dB vastgesteld. Volgens [appellant] had de staatssecretaris dit besluit niet mogen nemen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1920
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Geluid
  • uitspraakin de zaak202403312/1/R3

202403470/1/R1

Bij besluit van 5 april 2024 heeft het algemeen bestuur van waterschap Aa en Maas in het kader van het project "Meanderende Maas" het projectplan "Dijkversterking Ravenstein-Lith" vastgesteld. Het waterschap Aa en Maas beoogt met het projectplan de Maasdijk tussen Ravenstein en de stuw bij Lith aan de Brabantse zijde te versterken. De aanleiding hiervoor is dat de dijk aan Brabantse zijde van dit riviertraject niet voldoet aan de veiligheidsnormen, zoals vastgelegd in de Waterwet. Het belangrijkste doel van het project "Meanderende Maas", waar het projectplan "Dijkversterking Ravenstein-Lith" onderdeel van is, is het vergroten van de waterveiligheid in het gebied tussen Ravenstein en Lith. Om dit te realiseren wil het waterschap de dijk over een lengte van 26,6 kilometer versterken en waterstandsverlaging realiseren. Ook ziet het projectplan op versterking van gebiedskwaliteiten en de benutting van mogelijkheden voor gebiedsontwikkeling. Het te versterken dijkgedeelte van de Maasdijk aan de Brabantse zijde ligt zuidelijk van de Maas en is gelegen in de provincie Noord-Brabant en de gemeente Oss.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1959
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Waterwet
  • uitspraakin de zaak202403470/1/R1

202404232/1/R4

Bij besluit van 9 april 2024 heeft de raad van de gemeente Beuningen geweigerd om het bestemmingsplan "locatie] Winssen" vast te stellen. [appellant A ] en [appellante B] zijn de eigenaren van het perceel [locatie] in Winssen. Om de bouw van één vrijstaand woonhuis mogelijk te maken nadat hun perceel is gesplitst, hebben [appellant A ] en [appellante B] een aanvraag ingediend voor de vaststelling van een nieuw plan. Het ontwerpplan heeft vanaf 21 oktober 2022 ter inzage gelegen maar de raad heeft geweigerd het plan vast te stellen. [appellant A ] en [appellante B] zijn het niet eens met deze weigering. [appellant A ] en [appellante B] betogen dat de raad het plan ten onrechte niet heeft vastgesteld vanwege strijd met het structuurmodel Winssen (het structuurmodel) en de gemeentelijke woonvisie. [appellant A ] en [appellante B] voeren aan dat in paragraaf 4.4.2 van de toelichting bij het ontwerpplan is toegelicht dat er in dit specifieke geval geen sprake is van een beperking van omliggende agrarische bedrijven, waardoor de gevraagde ontwikkeling niet in strijd is met het structuurmodel. Gelet op paragraaf 3.3.3 van de toelichting bij het ontwerpplan is juist sprake van een kwaliteitsimpuls vanwege de landschappelijke inpassing.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1943
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202404232/1/R4

202404248/1/R2

Bij besluit van 24 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg aan [appellante sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 6 buitenbanen voor padel, inclusief het plaatsen van een geluidscherm en lichtmasten aan de [locatie] in Tilburg. [appellante sub 2] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 6 buitenbanen voor het spelen van padel, inclusief het plaatsen van een geluidscherm met een hoogte van 4 m en lichtmasten met een hoogte van 6 m. Het college heeft bij besluit van 24 juli 2023 met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo de gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wabo verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken van gronden in strijd met de bestemmingsplannen "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013" en "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013, 1e wijziging (Spaubeekstraat 201)".

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1925
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202404248/1/R2

202404376/1/R2

Bij besluit van 17 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een sporthal voor 8 padelbanen met horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes aan de [locatie] in Tilburg. [appellante] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 8 binnenbanen voor het spelen van padel, inclusief horeca, fysiotherapie en kantoorruimtes. Het college heeft bij besluit van 17 maart 2022 met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o en 2o, van de Wabo de gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken van gronden in strijd met de bestemmingsplannen "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013" en "Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013, 1e wijziging". [partij I] en anderen, [partij A] en anderen, [partij Q] en anderen, [partij O] en [partij P], en [partij R] en [partij S] wonen allen vlakbij de ontwikkellocatie in de wijk Dalem en vrezen onder meer voor parkeeroverlast als gevolg van het bouwplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1922
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202404376/1/R2

202404638/1/R1

De gemeenteraad van Echt-Susteren moet binnen 26 weken gebreken in het bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’ herstellen. Het bestemmingsplan maakt een zogenoemd ‘Livar Experience Centre’ mogelijk in Maria Hoop. Dit is een concept rondom het Limburgse kloostervarken, oftewel Livar-varken, bestaande uit varkenshouderijactiviteiten, gecombineerd met een bezoekerscentrum, een vleesatelier en een slachterij. Maar de gemeenteraad heeft naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke maatregelen hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk vindt om de overdracht van infectieziekten op mens en dier tot een aanvaardbaar niveau te beperken en in hoeverre het treffen van die maatregelen is gewaarborgd in het bestemmingsplan. Hiermee heeft de gemeenteraad onvoldoende gemotiveerd dat het bestemmingsplan getuigt van een goede ruimtelijke ordening, aldus de hoogste bestuursrechter. Een varkenshouderij op een kleine driehonderd meter afstand van de locatie waar het ‘Livar Experience Centre’ moet komen, had de zaak aangespannen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Volgens haar wordt het risico op dierziektes door het bestemmingsplan vergroot en vreest zij voor de gevolgen daarvan voor haar varkenshouderij. De gemeenteraad vindt dat de komst van het experience center in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, omdat maatregelen genomen kunnen worden om de overdracht van infectieziekten op mens en dier tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De gemeenteraad heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke gevolgen bezoekers van het experience center hebben voor het risico dat een besmetting met een dierziekte plaatsvindt, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. “De gemeenteraad heeft immers niet inzichtelijk gemaakt welke maatregelen nodig zijn om besmettingen met dierziektes te voorkomen. Het is daarom ook onduidelijk of er in het licht van het risico op besmettingen met dierziektes een veilige hoeveelheid bezoekers is, en als dit zo is, of de hoeveelheid bezoekers die de gemeenteraad voor ogen heeft, ook als veilig te beschouwen is. Of de gemeenteraad in het bijzonder een maatregel had moeten treffen voor een maximum aantal bezoekers van het experience center kan nog niet worden beoordeeld. Als de gemeenteraad het ‘Livar Experience Centre’ alsnog mogelijk wil maken, zal hij het bestemmingsplan binnen 26 weken beter moeten motiveren.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1952
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • RO - Limburg
  • uitspraakin de zaak202404638/1/R1

202404954/1/V6

[appellante] stelt afkomstig te zijn uit de Democratische Republiek Congo (DRC) en geboren te zijn op [geboortedatum] 1988. Zij heeft de minister van Justitie en Veiligheid op 23 november 2020 verzocht om haar het Nederlanderschap te verlenen. Ter onderbouwing van haar identiteit en nationaliteit heeft zij een Congolees paspoort overgelegd dat is afgegeven op 11 februari 2014. Bureau Documenten heeft het paspoort onderzocht en geconcludeerd dat het echt is. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat hij twijfelt aan de identiteit en nationaliteit van [appellante]. Hij heeft deze twijfel gebaseerd op een rapport taalanalyse en een nader rapport van Bureau Land en Taal (nu: Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT)). Uit deze rapporten volgt dat [appellante] niet eenduidig is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen de DRC en waarschijnlijk is te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Rwanda. Volgens de minister heeft [appellante] de twijfel aan haar identiteit en nationaliteit niet weggenomen met het overleggen van het paspoort, omdat hij niet kan vaststellen of voorafgaand aan de afgifte daarvan een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1936
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Nederlanderschap
  • uitspraakin de zaak202404954/1/V6

202405585/1/R2

Bij besluit van 27 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Maashorst het bestemmingsplan [locatie] vastgesteld. [appellant] woont aan de [locatie] in Uden in een voormalige agrarische bedrijfswoning. Naast de woning van [appellant] staat de cultuurhistorisch waardevolle boerderij van [partij]. [partij] wil de boerderij restaureren en verbouwen tot woonhuis. Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Partiële herziening buitengebied 2017" rustte op beide percelen een woonbestemming en mocht er niet meer dan één woning per bestemmingsvlak aanwezig zijn. De voormalige agrarische bedrijfswoning en de boerderij liggen in hetzelfde bestemmingsvlak. Op initiatief van [partij] heeft de raad het bestemmingsplan [locatie] vastgesteld, dat ter plaatse van de boerderij een extra woning op het bestemmingsvlak toestaat en voorziet in het behoud en herstel van de karakteristieke bebouwing. In dit plan is de aanduiding "voormalige agrarische bedrijfsbebouwing", die op het gehele bestemmingsvlak lag, niet meer opgenomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1950
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202405585/1/R2

202406018/1/R1

Bij besluit van 25 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Helder, voor zover hier van belang, geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een schuilstal op het perceel B1763, ter hoogte van het perceel [locatie] in Huisduinen. [partij] is eigenaar van het perceel B1763 en gebruikt het perceel voor zijn paarden. Op het perceel B1763 staat een stenen schuur met daarin acht afsluitbare paardenboxen. Het college heeft bij besluit van 25 april 2023, voor zover hier van belang, geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een schuilstal voor die paarden op het perceel B1763 ter hoogte van het perceel [locatie] in Huisduinen. [appellant] heeft van de eigenaar van het perceel toestemming gekregen om de aanvraag in te dienen en een schuilstal te realiseren. De schuilstal is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan, omdat het niet gaat om een gebouw ten behoeve van een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Evenmin is de aanduiding "agrarisch" aan het perceel toegekend, zodat gelet op artikel 3.1, onder c, stallen of bebouwing ten behoeve van opslag niet zijn toegestaan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1928
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202406018/1/R1

202406703/1/A3

[appellant A] is op [geboortedatum] 1982 gehuwd met [partner]. Op 4 oktober 1994 heeft [appellant A] het Nederlanderschap verkregen. Op [geboortedatum] 2009 is het kind, [naam kind], van [appellanten], geboren in Turkije. Het kind verkreeg bij de geboorte de Turkse nationaliteit. [appellanten] zijn niet getrouwd. [appellant B] heeft de Turkse nationaliteit. Op 7 december 2009 heeft [appellant A] het kind erkend, terwijl hij gehuwd is met [partner]. [appellanten] hebben een aanvraag voor een Nederlands paspoort voor hun kind ingediend. De minister van Buitenlandse Zaken heeft de aanvraag bij besluit van 18 oktober 2021 buiten behandeling gesteld omdat sprake is van een nietige erkenning waardoor het kind daar het Nederlanderschap niet aan kan ontlenen. Het kind is namelijk in het buitenland erkend door zijn Nederlandse vader die ten tijde van de erkenning was gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van het kind. Dat is in strijd met de openbare orde. Bij besluit van 30 januari 2024 heeft de minister het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2128
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Paspoort
  • uitspraakin de zaak202406703/1/A3

202406728/1/A3

Bij besluit van 12 oktober 2023 is de burgemeester van Rotterdam overgegaan tot invordering van een dwangsom van € 2.500,00. [wederpartij] exploiteert een inrichting voor avondhoreca. Bij besluit van 28 oktober 2021 heeft de burgemeester aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd inhoudende dat als zij nogmaals de sluitingstijden van de APV overtreedt, zij € 2.500,00 moet betalen. In dit besluit staat dat er een politiecontrole heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een melding van geluidsoverlast vanuit de inrichting, dat er tien personen op het terras aanwezig waren en dat (ook) toen door de beheerder is verklaard dat het collega’s waren. Tegen dit besluit is [wederpartij] niet opgekomen, zodat dit besluit in rechte vaststaat. Op dinsdag 22 augustus 2023 hebben politieagenten geconstateerd dat om 02.12 uur zeven personen op het terras van [wederpartij] aanwezig waren en dat op tafel meerdere wijnflessen en glazen gevuld met wijn stonden. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de last niet mocht invorderen, omdat [wederpartij] de sluitingstijd niet zou hebben overtreden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1929
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202406728/1/A3

202406858/1/R3

Bij besluit van 17 september 2024 heeft de raad van de gemeente Hoeksche Waard het bestemmingsplan "Dr. Bossersstraat 11 en Strijensedijk 22 's-Gravendeel" (het bestemmingsplan) vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om op twee locaties woningbouw te realiseren. Het gaat om 11 woningen, waarvan 8 goedkope huur- of koopwoningen en 3 middeldure koopwoningen, aan de Strijensedijk 22 in ’s-Gravendeel en om 20 sociale huurwoningen aan de Dr. Bossersstraat 11 in ’s-Gravendeel. Aan de Strijensedijk 22 staat nu (nog) een woning met grote schuur. Aan de Dr. Bossersstraat 11 staat het voormalig partycentrum Concordia. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk bij hun woning. Zij voeren aan dat bij het parkeeronderzoek, waarbij cijfers uit 2022 zijn gebruikt, niet van de juiste data is uitgegaan. Zo wordt een onjuist aantal bestaande parkeerplekken aan de Strijensedijk meegenomen en is de huidige parkeersituatie veranderd ten opzichte van 2022. Verder heeft de raad de door hen aangedragen alternatieven, waaronder het privatiseren van de bestaande parkeerplaatsen voor de [locatie 2] tot en met [locatie 3], het realiseren van een ondergrondse parkeergarage onder de te bouwen woningen aan de Strijensedijk, het opofferen van de bestaande groenstrook voor schuine parkeerplaatsen en het uitbreiden van de bestaande parkeerplaatsen voor de [locatie 4], niet onderzocht en is slechts ongemotiveerd gesteld dat deze alternatieven onwenselijk of financieel niet haalbaar zijn.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1954
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202406858/1/R3

202406991/1/A2

Bij besluit van 26 oktober 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om overname van haar private schulden afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen en wordt nu namens de minister uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). [appellante] is een erkend gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft SBN in het kader van de hersteloperatie toeslagen verzocht om overname van haar private schulden. Het gaat onder meer om een schuld van € 124.922,27 die zij is aangegaan bij [bedrijf].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1927
Datum uitspraak
8 april 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202406991/1/A2
vorige pagina12345...1.242volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon