Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202407496/1/R2

Uitspraak 202407496/1/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:2157
Datum uitspraak
14 april 2026
Inhoudsindicatie
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 31 oktober 2024 van de rechtbank Oost­Brabant. Deze uitspraak gaat over het invorderingsbesluit van het college van 7 november 2023, waarin het college overgaat tot invordering van €10.000,00 aan verbeurde dwangsommen wegens het niet nakomen van twee opgelegde lasten onder dwangsom. Deze lasten hadden als doel om het gebruik van het perceel met een groenbestemming als inrit te staken en dit zo te houden en om de daar aangebrachte verharding te verwijderen. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard. [appellant] beroept zich op gerechtvaardigd vertrouwen dat hij ontleent aan uitlatingen van het college tussen 17 mei en 22 mei 2023. En hij meent dat daarom niet zou worden overgegaan tot handhavend optreden. Volgens hem is het oordeel van de rechtbank hierover onjuist.
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202407496/1/R2.
Datum uitspraak: 14 april 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in De Mortel, gemeente Gemert-Bakel,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 31 oktober 2024 in zaak nr. 24/2368 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel.

Openbare zitting gehouden op 14 april 2026 om 10:00 uur.

Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter;
griffier: mr. M. Scheele;
jurist: mr. R. Hellinga.

Verschenen:
-[appellant], bijgestaan door R. Scholten, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn;
-Het college, vertegenwoordigd door mr. P. Fermont.

Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 31 oktober 2024 van de rechtbank Oost-­Brabant. Deze uitspraak gaat over het invorderingsbesluit van het college van 7 november 2023, waarin het college overgaat tot invordering van €10.000,00 aan verbeurde dwangsommen wegens het niet nakomen van twee opgelegde lasten onder dwangsom. Deze lasten hadden als doel om het gebruik van het perceel met een groenbestemming als inrit te staken en dit zo te houden en om de daar aangebrachte verharding te verwijderen. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard.

De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.

Redenen voor dit oordeel:

1.       [appellant] beroept zich op gerechtvaardigd vertrouwen dat hij ontleent aan uitlatingen van het college tussen 17 mei en 22 mei 2023. En hij meent dat daarom niet zou worden overgegaan tot handhavend optreden. Volgens hem is het oordeel van de rechtbank hierover onjuist.

2.       Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.

3.       Op de zitting heeft [appellant] betoogd dat de begunstigingstermijn niet op 22 mei 2023, maar op 27 mei 2023 is verstreken. [appellant] verwijst daarbij naar het besluit van het college tot oplegging van beide dwangsommen van 22 februari 2023, verzonden op 27 februari 2023. De Afdeling constateert dat dit betoog, rijkelijk laat want voor het eerst op zitting in hoger beroep, is aangevoerd. Dit is in strijd met een goede procesorde zodat de Afdeling hier niet op in zal gaan. Het enkele feit dat deze datum eens is genoemd in een mailwisseling met een medewerker van de gemeente maakt niet dat [appellant] het eerder in beroep heeft aangevoerd, zoals hij stelt. De Afdeling merkt daarnaast nog op dat in het invorderingsbesluit ook staat dat de begunstigingstermijn op 22 mei 2023 verstrijkt.

4.       De Afdeling houdt het er derhalve voor dat de begunstigingstermijn op maandag 22 mei 2023 verstreek.

5.       Op woensdag 17 mei 2023 heeft de rechtsbijstandsverlener van [appellant] verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen tot na 22 mei 2023. Op dezelfde dag heeft de juridisch adviseur van het college per mailbericht gevraagd aan welke termijn van verlenging deze dacht. Uit dit laatste mailbericht blijkt weliswaar dat sprake is van enige welwillendheid om de termijn te verlengen, maar hieruit kan niet worden afgeleid hoe het college de bevoegdheid tot invordering zou gaan uitoefenen. Daarnaast heeft deze juridisch adviseur verzocht om een snelle reactie, omdat de gemeente in de twee dagen daarna gesloten zou zijn in verband met Hemelvaart.

De rechtsbijstandsverlener van [appellant] heeft niet meer tijdig gereageerd op deze vraag, waarna op 22 mei 2023 de termijn om de overtreding ongedaan te maken was verlopen en verlenging van de begunstigingstermijn niet meer mogelijk was.

6.       De Afdeling concludeert dat uit deze mailwisseling niet kan worden afgeleid dat het college niet over zou gaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen.

7.       De rechtbank heeft deze feiten juist beoordeeld, zodat het hoger beroep ongegrond is.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Scheele
griffier

723-1192


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon