Uitspraak BRS.25.001260
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1971
- Datum uitspraak
- 10 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 7 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001260
ECLI:NL:RVS:2026:1971
Datum uitspraak: 10 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 september 2025 in zaak nr. NL25.31295 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 2 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G. van Reemst, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Ethiopische nationaliteit en behoort tot de Oromo-bevolkingsgroep. Hij heeft in Ethiopië deelgenomen aan demonstraties tegen de autoriteiten, waarbij hij stelt in 2015 en 2016 te zijn gearresteerd, vastgehouden en na korte tijd weer vrijgelaten. In 2023 zijn vrienden van appellant gearresteerd en heeft hij gehoord dat de politie naar hem op zoek is. Appellant heeft Ethiopië daarop verlaten. Hij vreest bij terugkeer voor de Ethiopische autoriteiten. De minister heeft geloofwaardig geacht dat appellant in 2015 en 2016 heeft gedemonstreerd, maar niet dat hij als gevolg daarvan is gearresteerd. De minister heeft evenmin geloofwaardig geacht dat de autoriteiten naar hem op zoek zijn, noch aannemelijk geacht dat appellant bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt.
Hoger beroep
2. Wat appellant in zijn eerste en derde grief aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Appellant betoogt in de tweede, vierde en vijfde grief dat de rechtbank het door haar geconstateerde motiveringsgebrek dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij de arrestaties in 2015 en 2016 na de deelname van appellant aan demonstraties ongeloofwaardig acht, ten onrechte heeft gepasseerd. De rechtbank heeft dit gebrek gepasseerd, omdat de minister zich naar haar oordeel niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat appellant wordt gezocht door de autoriteiten. Appellant is namelijk sinds 2021 niet meer openlijk politiek actief geweest in Ethiopië, hij heeft sindsdien geen problemen meer gehad met de autoriteiten en hij heeft alleen van horen zeggen dat de politie naar hem op zoek is, zonder dit nader toe te lichten.
3.1. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank het motiveringsgebrek ten onrechte heeft gepasseerd. De rechtbank heeft niet onderkend dat het standpunt van de minister dat appellant niet meer in de belangstelling staat van de Ethiopische autoriteiten niet in stand kan blijven, omdat zij motiveringsgebreken heeft geconstateerd in het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van de arrestaties. De vraag of appellant al dan niet eerder door de autoriteiten gearresteerd is, werkt immers door in de beoordeling van de geloofwaardigheid van de overige delen van het asielrelaas. Hiertoe is van belang dat appellant stelt te zijn mishandeld en zonder rechterlijke tussenkomst te zijn gedetineerd. Dat zijn daden van vervolging in de zin van artikel 3.36 van het VV 2000. Uit artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000 volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen, zoals appellant terecht betoogt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 10.2. Tot slot betoogt appellant, onder verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht Ethiopië van januari 2024, terecht dat het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek ook doorwerkt in het standpunt van de minister dat niet aannemelijk is dat appellant in de negatieve aandacht staat door zijn politieke activiteiten en mogelijk een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. Als appellant eerder is gearresteerd, is het immers mogelijk dat de Ethiopische autoriteiten hiermee bekend zijn en hem bij terugkeer in de gaten houden. Ook hierom heeft de rechtbank het motiveringsgebrek niet kunnen passeren.
3.2. De grieven slagen.
4. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 7 juli 2025. De minister moet een nieuw besluit op de asielaanvraag nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 september 2025 in zaak nr. NL25.31295;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 7 juli 2025, V-[…];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026
936-1088