Uitspraak 202504010/2/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2028
- Datum uitspraak
- 14 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Tijdens de zitting op 8 april 2026 heeft verzoeker verzocht om wraking in de zaak nr. 202504010/1/A3. Daarbij heeft hij verwezen naar zijn (ongedateerde) schriftelijke wrakingsverzoek, dat bij de Afdeling is ingekomen op de ochtend van 8 april 2026, maar de behandelend staatsraad ten tijde van de zitting nog niet had bereikt. Met de behandeling van die zaak is staatsraad mr. M. Soffers belast. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat hij in andere zaken bij de Afdeling geen gelijk heeft gekregen, dat de staatsraden van de Raad van State geen kennis hebben van het recht van de Europese Unie, dat het recht van de Europese Unie niet wordt nageleefd en dat van de voorzitter en staatsraden van de Raad van State niet kan worden verwacht dat zij elkaar tegenspreken.
- Wraking
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
202504010/2/A3.
Datum beslissing: 14 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in Ooij, gemeente Berg en Dal,
verzoeker,
om toepassing van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Procesverloop
Tijdens de zitting op 8 april 2026 heeft verzoeker verzocht om wraking in de zaak nr. 202504010/1/A3. Daarbij heeft hij verwezen naar zijn (ongedateerde) schriftelijke wrakingsverzoek, dat bij de Afdeling is ingekomen op de ochtend van 8 april 2026, maar de behandelend staatsraad ten tijde van de zitting nog niet had bereikt. Met de behandeling van die zaak is staatsraad mr. M. Soffers belast.
Overwegingen
1. Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c en d, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges 2022 kan de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden, beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het geen betrekking heeft op een met de behandeling van de zaak belast lid van het college of het betrekking heeft op het college als zodanig.
3. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat hij in andere zaken bij de Afdeling geen gelijk heeft gekregen, dat de staatsraden van de Raad van State geen kennis hebben van het recht van de Europese Unie, dat het recht van de Europese Unie niet wordt nageleefd en dat van de voorzitter en staatsraden van de Raad van State niet kan worden verwacht dat zij elkaar tegenspreken.
4. De Afdeling laat het verzoek om wraking buiten behandeling. Het verzoek heeft namelijk niet specifiek betrekking op de persoon van de staatsraad die belast is met de behandeling van het hoger beroep van verzoeker. Het verzoek is, gelet op de formulering, gericht tegen de gehele Afdeling. Het is echter vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de beslissingen van de Afdeling van 12 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:1059 en van 9 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1511) dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de staatsraad die de zaak behandelt. Het verzoek kan dan ook niet het rechterlijke college als zodanig betreffen. Daarom is het verzoek van verzoeker geen verzoek om wraking in de zin van de wet en kan dit daarom niet in behandeling worden genomen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
laat het verzoek buiten behandeling.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026
979