Uitspraak BRS.25.001963
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1984
- Datum uitspraak
- 13 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 4 december 2023 en 5 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.001963
ECLI:NL:RVS:2026:1984
Datum uitspraak: 13 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], mede namens hun minderjarige kinderen
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 november 2025 in zaken nrs. NL23.38734 en NL25.6610 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 4 december 2023 en 5 februari 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 5 november 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. E.S. van Aken, advocaat in Zierikzee, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak uitgelegd waarom de minister wordt gevolgd in zijn standpunt dat appellanten niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dat wat appellanten aanvoeren in hun hogerberoepschrift is voornamelijk een herhaling van hun beroepsgronden en zij maken nauwelijks concreet waarom het oordeel van de rechtbank daarover onjuist is.
1.1. Voor zover dat wat appellanten aanvoeren wel voldoet aan de grievendrempel van artikel 85 van de Vw 2000, leidt dat niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026
897-1170