Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.001353 en BRS.26.001354

Uitspraak BRS.26.001353 en BRS.26.001354

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:1970
Datum uitspraak
10 april 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.001353 en BRS.26.001354
ECLI:NL:RVS:2026:1970
Datum uitspraak: 10 april 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 februari 2026 in zaak nr. NL24.43295 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 23 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.        In de uitspraak van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1607, onder 7.7-7.10, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister redelijkerwijs tot de vanaf 1 december 2023 geldende wijziging van het beleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten (WBV 2023/24) heeft kunnen komen. Wat appellant aanvoert over de situatie voor Gülenisten in Turkije, heeft de Afdeling bij dat oordeel betrokken. Dit leidt daarom niet tot een ander oordeel.

1.1.        De eerste grief slaagt niet.

2.        De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister juist heeft beoordeeld of appellant een gegronde vrees voor vervolging heeft. Appellant klaagt terecht dat de rechtbank daarbij ten onrechte is voorbijgegaan aan haar betoog in de beroepsgronden dat twee van haar vriendinnen zijn opgepakt. De grief kan echter niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De minister heeft zich immers niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt waarom haar vriendinnen zijn aangehouden en dat er een verband zou zijn met haar eigen ondernomen activiteiten. Verder heeft de rechtbank, anders dan appellant betoogt, wel de door haar in Nederland verrichte activiteiten voor de Gülenbeweging betrokken in het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de individuele activiteiten en omstandigheden tezamen onvoldoende zijn voor een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er in het geval van appellant concrete aanwijzingen ontbreken dat zij in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank terecht bij haar oordeel betrokken dat er geen aanwijzingen zijn voor een lopend strafrechtelijk onderzoek naar haar, dat zij geen problemen heeft ondervonden wegens banktransacties via Bank Asya en dat zij Turkije legaal heeft kunnen verlaten met een speciaal paspoort voor Turkse ambtenaren.

2.1.        De tweede grief slaagt niet.

3.        Appellant klaagt in de derde grief tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, omdat appellant door het geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek niet in haar belangen is geschaad. De rechtbank heeft overwogen dat de minister weliswaar niet heeft onderzocht of appellant gevaar loopt door het uiten van haar politieke overtuiging, maar dat er geen aanwijzingen zijn dat zij haar politieke overtuiging onder de aandacht van de overheid heeft proberen te brengen of dat zij die publiek wil maken bij terugkomst. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank terecht bij haar oordeel betrokken dat zij desgevraagd ter zitting niet heeft kunnen toelichten welke politieke overtuiging zij wil uiten dan wel welke activiteiten zij wil ontplooien, in aanvulling op wat de minister heeft beoordeeld in het besluit. Bovendien heeft appellant niet duidelijk gemaakt in hoeverre de vrees voor de gevolgen van het uiten van haar politieke overtuiging zich onderscheidt van wat de minister al heeft beoordeeld bij de niet aannemelijk geachte vrees voor vervolging wegens de betrokkenheid bij de Gülenbeweging.

3.1.        De derde grief slaagt niet.

4.        Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

5.        Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.        wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.

w.g. Meijer
voorzieningenrechter

w.g. Toonen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026

979


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon