Uitspraak 202500688/1/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:1977
- Datum uitspraak
- 9 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202500688/1/V2.
Datum uitspraak: 9 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 januari 2025 in zaak nr. NL24.38410 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij besluit van 11 december 2024 heeft de minister de aanvraag van appellant ingewilligd.
Bij uitspraak van 3 januari 2025 heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant onder de Richtlijn tijdelijke bescherming valt en dat de ingebrekestelling van appellant van 17 september 2024 te vroeg is ingediend. De Afdeling constateert dat de minister de aanvraag van appellant heeft ingewilligd. Omdat de minister alsnog een besluit heeft genomen, heeft appellant geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:875, onder 3.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Niettemin moet worden bezien of de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan appellant tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak anderszins door zijn toedoen is vervallen. Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en van 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5. De Afdeling ziet in de omstandigheden van deze zaak, waaronder het door de minister genomen besluit, aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten voor het hoger beroep.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026
984