Uitspraak BRS.26.001498 en BRS.26.001499
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:2003
- Datum uitspraak
- 13 april 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.001498 en BRS.26.001499
ECLI:NL:RVS:2026:2003
Datum uitspraak: 13 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 maart 2026 in zaak nr. NL26.8077 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Ceylan, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraken van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3899, onder 10.2, en ECLI:NL:RVS:2025:3900, onder 11.3, over het horen van begeleide minderjarige vreemdelingen). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
1.2. Uit de hiervoor genoemde uitspraken volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van de daarin aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie. Gelet op die arresten en de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Zwinkels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026
309-1170